Veroordeling VOF wegens medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 Landbouwwet

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1661

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van verordening (EG) nr. 853/2004, aangezien verdachte als exploitant van een levensmiddelenbedrijf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de toepasselijke bepalingen van bijlage III bij die verordening, immers heeft verdachte er niet voor gezorgd dat de opslag en het vervoer van een aantal geitenkarkassen, zijnde vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, geschiedde volgens de eisen in sectie I, hoofdstuk VII, aanhef sub 3 van die bijlage III. De temperatuur van voormelde geitenkarkassen lag namelijk tijdens het vervoer tussen 17.4 graden Celsius en 31.9 graden Celsius, althans boven 7 graden Celsius.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Standpunt van de verdachte

De vertegenwoordiger van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De dieren worden geslacht door V.O.F. verdachte en het vlees wordt gekoeld door Vee- en Vleeshandel bedrijf B.V. Afgesproken is dat de verantwoordelijkheid van V.O.F. verdachte ophoudt zodra het vlees in de koelcel van Vee- en Vleeshandel bedrijf B.V. zit. De slachterij en de koelcel zijn ook fysiek van elkaar gescheiden. V.O.F. verdachte heeft geen zeggenschap over de aflevering van het vlees aan de vervoerders. Niet V.O.F. verdachte, maar Vee- en Vleeshandel bedrijf B.V. is verantwoordelijk voor het tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door de vertegenwoordiger van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. In Bijlage III bij EG-Verordening 853/2004, Sectie I, hoofdstuk VII is bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat de opslag én het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de in dat hoofdstuk gestelde eisen. Uit de tekst van voornoemde EG-Verordening, in het bijzonder Bijlage III, Sectie I, hoofdstukken I en II, volgt dat een slachterij heeft te gelden als een exploitant van een levensmiddelenbedrijf. Ingevolge het bepaalde in Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII aanhef en punt 1 onder a volgt dat de postmortemkeuring onmiddellijk moet worden gevolgd door koeling in het slachthuis, om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3°C voor slachtafvallen en 7°C voor ander vlees te verzekeren. Volgens voornoemde EG-Verordening is het slachten en het koelen derhalve één ononderbroken activiteit. Dat de verantwoordelijkheid van de slachterij niet alleen het slachten omvat, volgt ook uit Bijlage III, Sectie I, hoofdstuk IV, aanhef en punt 17 van voornoemde verordening. Daarin is namelijk bepaald dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht na het slachten en de postmortemkeuring het vlees overeenkomstig hoofdstuk VII van de EG-Verordening moeten opslaan. Ingevolge het bepaalde in Bijlage III, Hoofdstuk VII aanhef en punt 3 van de Verordening moet vlees de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd. Kennelijk hebben vertegenwoordiger verdachte en zijn zoon betrokkene onderling afgesproken dat V.O.F. verdachte slechts verantwoordelijk is voor het slachten en Vee- en Vleeshandel bedrijf B.V. voor de koeling, maar op basis van voornoemde EG-Verordening geldt dat het koelen (ook) onder de verantwoordelijkheid van de slachterij valt. betrokkene had op 10 mei 2012 tijdens de afwezigheid van zijn vader feitelijk de touwtjes in handen. Zelf heeft hij daarover verklaard dat zijn vader de directeur is en hij de bedrijfsleider. Nu de tenlastegelegde gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, is verricht door een persoon die werkzaam was ten behoeve van verdachte, past binnen de normale bedrijfsvoering en verdachte dienstig is geweest in diens bedrijf, kan deze naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend.

Over het tenlastegelegde heeft betrokkene voorts verklaard dat hij de geitenkarkassen heeft laten vervoeren, hoewel hij wist dat deze te warm waren om vervoerd te mogen worden. Op basis van deze verklaring acht het hof bewezen dat betrokkene opzettelijk heeft gehandeld. Hij trad op dat moment (mede) namens verdachte op. Bovendien heeft vertegenwoordiger verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij weet dat hij niet te warm vlees mag afleveren, maar dat hij de geitenkarkassen ook had laten vervoeren als hij daar op dat moment was geweest. Gelet op deze omstandigheden kan het opzet van betrokkene naar het oordeel van het hof ook worden toegerekend aan verdachte.

Bewezenverklaring

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Geldboete van €500.

Die strafoplegging acht het hof in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de beperkte financiële draagkracht van verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beleggingsfraude & Veroordeling feitelijk leiding gepleegde oplichting. Geen gedegen onderzoek en onderbouwing voorgespiegelde rendementen en terugbetaalgaranties. De door investeerders beschikbaar gestelde gelden zijn op onverantwoorde en lichtzinnige wijze besteed.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1613

Verdachte heeft als leidinggevende gefunctioneerd van een professioneel opererend bedrijf dat zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Daarnaast is artikel 6 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en artikel 3 Wet toezicht effectenverkeer 1995 overtreden.

Verdachte heeft veelvuldig en op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van niets vermoedende particulieren. Er zijn miljoenen euro’s van particuliere investeerders aangetrokken zonder dat er sprake was van zekerheden en garanties zoals de Wet toezicht kredietwezen 1992 die beoogt te bewerkstelligen. Slechts een klein deel van de ingelegde gelden is overeenkomstig de bestemming daarvan daadwerkelijk geïnvesteerd in plantages en onroerend goed.

Verdachte heeft zich slechts laten leiden door motieven van persoonlijk financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de investeerders. Zij hebben hun inleggelden in rook zien opgaan. Extra schrijnend is dat de investeerders niet alleen de door hen ingelegde gelden zijn verloren, ook worden zij in veel gevallen nog maandelijks geconfronteerd met hoge vaste lasten, die het gevolg zijn van een hypotheekverhoging teneinde de inleg te kunnen bekostigen. Weliswaar is niet komen vast te staan dat die hypotheekverhogingen door verdachte zijn geadviseerd, maar zij waren (zeker in die tijd) een voorzienbaar gevolg van het aanbieden van de onderhavige producten.

Verdenking

  • Onder 1 primair wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de door rechtspersoon4 begane oplichting in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005.
  • Onder 1 primair onderdeel A wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in het vooruitzicht stellen van lagere maandelijkse hypotheeklasten indien zij investeren/beleggen in één van de producten die door rechtspersoon4 werden aangeboden, te weten het InvestPlan, het InvestPlan Plus A, het InvestPlan Plus B en/of het GarantiePlusPlan.
  • Onder B, D en E wordt verdachte - kort gezegd - verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid beleggers (voorschot)rendementen in het vooruitzicht stellen van 8% of 10% die maandelijks en/of jaarlijks werden uitgekeerd dan wel werden geherinvesteerd, en het (op verschillende manieren) bieden van een 100% (terugbetaal)garantie op de ingelegde gelden.
  • Onder 1 primair onderdeel C wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan beleggers (maandelijks) één of meer geldbedragen uitbetaald/uitgekeerd als opbrengsten/rendementen van hun beleggingen/ingelegde gelden.
  • Onder 3 primair wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon 1, 2, 3 en/of 4 gepleegde strafbare feit, inhoudende het opzettelijk uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, zonder dat daarvoor een vergunning is verkregen.
  • Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de besloten vennootschappen  rechtspersoon 1, 2, 3 en/of 4 gepleegde opzettelijk aanbieden van een effect waarvoor geen prospectus algemeen verkrijgbaar was dat is goedgekeurd door Onze Minister of door een toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat.

Feiten

In de periode 2002 tot en met 2004 zijn door of namens verdachte meerdere rechtspersonen opgericht, te weten rechtspersoon1, rechtspersoon2, rechtspersoon4 en rechtspersoon3. Geen van deze rechtspersonen is thans nog actief.

Het bedrijf rechtspersoon1 werd op 28 juni 2002 opgericht. Blijkens de bedrijfsomschrijving in het register van de Kamer van Koophandel richtten de bedrijfsactiviteiten van rechtspersoon1 zich op het werven, trainen en begeleiden van intermediairs op het gebied van financiële planning. Daarnaast richtte het bedrijf zich op het verkrijgen, vervreemden, exploiteren en beheren van vermogenswaarden, het ontwikkelen van nieuwe vormen van financiële planning en vermogensplanning. In de praktijk werden de inleggelden van investeerders op rekening van rechtspersoon1 ontvangen en werden vanuit deze B.V. de rendementsvoorschotten betaald. Het bestuur van rechtspersoon1 werd gevormd door rechtspersoon12 (enig aandeelhouder). Deze besloten vennootschap, waarvan verdachte bestuurder en enig aandeelhouder was, werd op 7 juni 2002 opgericht en betreft een beheers B.V..

Rechtspersoon12 vormde ook het bestuur van rechtspersoon2, (hierna: rechtspersoon2) opgericht op 5 juli 2002, en was daarvan enig aandeelhouder. Blijkens de bedrijfsomschrijving in het register van de Kamer van Koophandel richtte rechtspersoon2 zich op het geven van advies op het gebied van financiële planning, het ontwikkelen van nieuwe vormen van financiële planning en vermogensplanning. Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon2 juridisch eigenaar werd van de aangekochte gronden in het buitenland.

Op 3 maart 2003 werd de rechtspersoon4 door verdachte en betrokkene opgericht. De Stichting had tot doel het stimuleren van bosbouwprojecten. Dit doel trachtte de stichting onder meer te realiseren door het opzetten van een onderhoudsfonds, het beheren van onderhoudsgelden en het houden van toezicht op alsmede het toetsen van het te plegen onderhoud, zo blijkt uit de akte van oprichting.

Zowel rechtspersoon1, rechtspersoon2 als derechtspersoon4 zijn op latere datum failliet verklaard.

Ten slotte werd op 2 juli 2004 het bedrijf rechtspersoon3 opgericht. Blijkens de bedrijfsomschrijving had rechtspersoon3 ten doel het verzorgen van de administratie en de organisatie van (met name) vennootschappen waarmee zij in een groep was verbonden alsmede het ontwikkelen en exploiteren van producten, met name op het gebied van bosbouw en ecologische landbouw. Anders dan deze omschrijving doet vermoeden heeft verdachte verklaard dat rechtspersoon3 is opgericht in het kader van een investeringsproject met betrekking tot vastgoed in Polen. Tot 15 maart 2005 werd het bestuur van rechtspersoon3 gevormd door rechtspersoon7 en rechtspersoon8 Van rechtspersoon7 was de enig aandeelhouder en bestuurder ex-partner verdachte, zijnde de (ex-)partner van verdachte. Van rechtspersoon8 was de enig aandeelhouder en bestuurder H.J. echtgenote medeverdachte1, zijnde de echtgenote van medeverdachte medeverdachte1. Feitelijk werden beide besloten vennootschappen echter door verdachte bestuurd, zo heeft hij tegenover de FIOD verklaard. Vanaf 15 maart 2005 is het bestuur gewijzigd en zijn medeverdachten medeverdachte1 en medeverdachte2 als bestuurders van rechtspersoon3 geregistreerd. Uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat de naam van de rechtspersoon per 20 juni 2005 is gewijzigd in “rechtspersoon9. Met ingang van 19 juli 2006 is de naam opnieuw gewijzigd en is vanaf dat moment komen te luiden: “rechtspersoon10”. De besloten vennootschap is inmiddels ontbonden.

Verwevenheid

Uit het dossier blijkt dat de rechtspersonen rechtspersoon1, rechtspersoon2, de rechtspersoon4 en rechtspersoon3 in de ten laste gelegde periode op organisatorisch en financieel gebied zeer nauw met elkaar verbonden waren. Deze onderlinge verbondenheid openbaarde zich ook naar de buitenwereld door de informatie die in de brochures over de rechtspersonen werd gegeven en de correspondentie die met betrokkenen werd gevoerd.

Vanwege deze verwevenheid zal het hof voornoemde rechtspersonen overeenkomstig de rechtbank in het vervolg aanduiden met de overkoepelende naam “rechtspersoon”, kortweg “rechtspersoon4”.

Interne organisatie

Verdachte was feitelijk oprichter en algemeen directeur van alle rechtspersoon bedrijven. Ook is verdachte de persoon die de producten en werkwijze van de rechtspersoon bedrijven heeft bedacht en ontwikkeld, zo heeft hij verklaard.

Verdachte heeft voorts verklaard dat medeverdachte medeverdachte1 vanaf de oprichting in 2002 de ‘commerciële man’ was binnen rechtspersoon4. medeverdachte1 werd vanaf die tijd ingezet om contacten met intermediairs te leggen en te beheren. medeverdachte1 had geen officiële dienstbetrekking en verrichtte deze werkzaamheden op parttime basis. Naast het verzorgen van de contacten met de intermediairs, fungeerde medeverdachte1 als chauffeur, adviseur en begeleider op commercieel gebied.

Op 1 september 2004 trad medeverdachte rechtspersoon6 in dienst als financieel directeur van rechtspersoon1. rechtspersoon6 heeft deze functie tot 30 april 2005 verricht.

Naast een secretaresse, was er geen personeel in dienst bij rechtspersoon4.

Investeringsproducten rechtspersoon4

Door rechtspersoon4 werden meerdere investeringsproducten aangeboden, waaronder het rechtspersoon Investplan, het rechtspersoon Investplan Plus A, rechtspersoon Investplan Plus B en het Garantie Plusplan. Het aanbieden van de investeringsproducten aan particulieren gebeurde veelal niet rechtstreeks maar via intermediairs. In sommige gevallen betroffen dit personen die reeds lange tijd als financieel adviseur van de betreffende particulieren optraden. De productinformatie die door de intermediairs aan de particulieren werd gegeven was afkomstig uit presentaties die door verdachte en/of medeverdachte(n) uit naam van rechtspersoon4 werden gegeven en/of uit brochures die van de producten waren opgemaakt. Deze brochures werden ook vaak aan de investeerders uitgedeeld. Daarnaast was er een DVD met productinformatie gemaakt die aan de potentiële investeerders kon worden getoond. In een aantal gevallen zijn verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachten zelf bij potentiële investeerders thuis geweest om uitleg te geven over de producten van rechtspersoon4.

Zowel ten aanzien van de Investplanproducten als het GarantiePlusPlan werd door rechtspersoon4 een terugbetaalgarantie gegeven met betrekking tot de ingelegde gelden.

Investeerders

In totaal zijn er 169 personen die een investeringsproduct bij rechtspersoon4 hebben afgenomen. Zij hebben gezamenlijk een bedrag van ruim 7,9 miljoen ingelegd. Van deze 169 investeerders hebben er 30 aangifte gedaan, waarvan er 26 expliciet in de tenlastelegging zijn genoemd. Het dossier bevat de klantendossiers van de 30 personen die aangifte hebben gedaan zoals die in de administratie van rechtspersoon4 zijn aangetroffen. De klantendossiers van de overige investeerders zijn niet in het dossier opgenomen, maar de inhoud van alle klantendossiers is geanalyseerd en door de FIOD in het onderzoek verwerkt (AH-13), ook die van de investeerders die geen aangifte hebben gedaan. Het onderzoek van de FIOD heeft zich derhalve tot het gehele klantenbestand van rechtspersoon4 uitgestrekt. Waar hierna wordt gesproken over ‘investeerders’ worden alle personen bedoeld die geld hebben ingelegd bij rechtspersoon4 en niet alleen degenen die daarvan aangifte hebben gedaan. Laatstgenoemden zullen in voorkomende gevallen als ‘aangevers’ worden aangeduid.

Investeringsprojecten rechtspersoon4

In de brochures van de Investplanproducten en het GarantiePlusPlan wordt beschreven dat rechtspersoon voor haar projecten wereldwijd grond aankoopt voor cultivering, bebouwing of verhuur. Daarbij zijn de volgende sectoren geselecteerd voor investeringen: landbouw, visserij, veeteelt, toerisme, industrie, logistiek, dienstverlening, houtbouw en onroerend goed.

Uit het dossier blijkt dat er door rechtspersoon4 grond in Panama en Costa Rica is aangekocht. Met betrekking tot de aankoopbedragen van gronden zijn verschillen geconstateerd tussen de verklaringen van verdachte, de bevindingen van de FIOD en het verslag van de curator. Tegen de achtergrond van hetgeen in totaal is ingelegd zijn deze verschillen niet relevant voor de aan de besteding van de inleggelden te verbinden conclusies. Daarnaast is voor een bedrag van € 760.000,- geïnvesteerd in vastgoed in Polen.

Naast voornoemde buitenlandse projecten, heeft rechtspersoon4 geïnvesteerd in een pand aan de straat te gemeente2, welk pand deels bestemd was voor het kantoor van rechtspersoon4 en deels voor bewoning door medeverdachte medeverdachte1 en zijn echtgenote.

Medeverdachte medeverdachte1 en zijn echtgenote medeverdachte1 hebben het pand straat te gemeente2 in eigendom verworven. De koopsom ad € 670.000,- is door rechtspersoon4 voldaan. Vervolgens hebben de heer en mevrouw medeverdachte1 een lening ontvangen van € 360.000,- waarvoor zekerheid is verleend middels een eerste hypothecaire inschrijving op de straat te gemeente2. Van het ter leen ontvangen bedrag ad € 360.000,- is een bedrag ad € 300.000,- aan rechtspersoon4 terugbetaald. Vervolgens is het pand volledig gerenoveerd waarvan de kosten ad € 429.799,54 zijn voldaan door rechtspersoon4. In totaal is door rechtspersoon4 met betrekking tot het pand aan de straat te gemeente2 derhalve een bedrag betaald van € 799.799,54.

Feit 1 primair

Onder 1 primair wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de door rechtspersoon4 begane oplichting in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. In dit kader heeft de advocaat-generaal er ten eerste op gewezen dat de uitgegeven brochures van de in de tenlastelegging genoemde producten diverse onwaarheden bevatten. In de brochures wordt ten onrechte de indruk gewekt dat rechtspersoon een groot bedrijf is met jarenlange ervaring op de markt en dat rechtspersoon4 reeds vanaf 1998 een FSC keurmerk heeft. Daarnaast is bijvoorbeeld ten onrechte voorgewend dat er sprake was van een intensieve samenwerking met universiteiten.

Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de investeringen die zijn gedaan nimmer in voldoende mate hadden kunnen bijdragen tot het in de brochures aan de beleggers voorgespiegelde rendement. Om de beloofde rendementen te kunnen behalen had rechtspersoon4 veel meer gronden aan moeten kopen dan in werkelijkheid is gebeurd. Gelet op de zeer beperkte investeringen die zijn gedaan was het voorzienbaar dat de voorschotrendementen betaald zouden moeten worden uit de inleg van nieuwe investeerders, temeer nu rechtspersoon4 er een luxueuze bedrijfsvoering op nahield. De advocaat-generaal acht al met al bewezen dat er geen sprake is van falend ondernemerschap, maar van oplichting. De oplichtingshandelingen kunnen aan de rechtsperso(o)n(en) van rechtspersoon4 worden toegerekend en verdachte kan als feitelijk leidinggever worden aangemerkt.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Verdachte en zijn medeverdachte(n) meenden goede financiële producten op de markt te kunnen brengen met de kennis en ervaring die zij eerder hadden opgedaan. Niet alleen hebben zij hier veel tijd en energie in gestoken, ook zijn er daadwerkelijk diverse investeringen gedaan in Panama, Costa Rica, Polen en Nederland. Voordat de diverse investeringen echter de kans kregen goed te renderen, werd er een bewindvoerder benoemd waardoor de bedrijfsvoering werd stil gelegd. Tot aan de bewindvoering heeft rechtspersoon4 voldaan aan zijn verplichting om voorschotrendementen aan de investeerders uit te betalen. Er was derhalve geen sprake van een oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling.

Ten aanzien van de brochures heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de brochures geen onjuiste informatie bevatten. Weliswaar is het zo dat het product van rechtspersoon in de folder op een zeer positieve wijze onder de aandacht wordt gebracht, doch dit is in het algemeen ook het doel van een productfolder.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging onder A tot en met E opgenomen feitelijke gedragingen, heeft de raadsman aangevoerd dat de onder A genoemde gedraging is verricht door de intermediairs en dat verdachte en zijn medeverdachten hierop geen enkele invloed hebben gehad. De onder C verweten gedraging kan voorts niet redengevend zijn voor het bewijs, nu deze gedraging telkens pas heeft plaatsgevonden nadat de betreffende klant had deelgenomen aan een product. Het uitbetalen van de rendementen heeft derhalve geen enkele invloed gehad op de beweegredenen van de klanten om over te gaan tot de inschrijving op het product en het overmaken van het inschrijfbedrag, aldus de raadsman.

Oordeel hof

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit het volgende.

Onderdeel A

Onder 1 primair onderdeel A wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in het vooruitzicht stellen van lagere maandelijkse hypotheeklasten indien zij investeren/beleggen in één van de producten die door rechtspersoon4 werden aangeboden, te weten het InvestPlan, het InvestPlan Plus A, het InvestPlan Plus B en/of het GarantiePlusPlan.

Zoals hiervoor uiteen is gezet werden de investeringsproducten van rechtspersoon4 doorgaans door intermediairs aangeboden aan particulieren. Daarbij geldt dat veel investeerders de inleg hebben gefinancierd door het te gelde maken van de overwaarde op hun woning middels het afsluiten van een tweede hypotheek. Deze constructie zou volgens de intermediairs financieel voordelig zijn, omdat het door rechtspersoon4 gegarandeerde rendement op de investering hoger was dan de kosten van de (hogere) hypotheek, zo blijkt uit verklaringen van aangevers.

Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat het in het vooruitzicht stellen van de lagere maandelijkse hypotheeklasten niet aan rechtspersoon4 kan worden toegerekend. Dit leidt er toe dat er geen bewezenverklaring kan volgen voor het onder 1 primair onder A ten laste gelegde onderdeel. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Onderdeel B, D en E

Onder B, D en E wordt verdachte - kort gezegd - verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid beleggers (voorschot)rendementen in het vooruitzicht stellen van 8% of 10% die maandelijks en/of jaarlijks werden uitgekeerd dan wel werden geherinvesteerd, en het (op verschillende manieren) bieden van een 100% (terugbetaal)garantie op de ingelegde gelden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het in het vooruitzicht stellen van rendementen en het bieden van de terugbetaalgarantie aan potentiële investeerders zoals hiervoor genoemd gebeurde door middel van persoonlijke gesprekken met intermediairs of, in sommige gevallen, met verdachte en/of zijn medeverdachten zelf, door informatie die in folders/brochures werd gegeven en/of door (dvd-)presentaties.

Productontwikkeling

Om te kunnen beoordelen of de voorgespiegelde rendementen en terugbetaalgaranties realistisch/haalbaar waren of dat zij valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan investeerders zijn verstrekt, acht het hof ten eerste van belang hoe de door rechtspersoon4 aangeboden producten zijn ontwikkeld en tot stand gebracht.

Verdachte heeft verklaard dat hij in 1998 is begonnen met voorbereidende werkzaamheden voor de producten die hij op de markt wilde brengen. In dat kader heeft hij verklaard dat hij informatie heeft ingewonnen bij diverse instanties, dat hij contact heeft gelegd met plantagehouders in Costa Rica en Panama en dat hij plantages heeft bezocht. Daarnaast heeft verdachte cijfers en statistieken opgevraagd van de verschillende branches waarin hij wilde investeren en heeft hij contracten van andere aanbieders door advocaten laten beoordelen. Na dit onderzoek is verdachte overgegaan tot het ontwikkelen van zijn eigen producten en heeft hij uiteindelijk samen met medeverdachte1 brochures opgesteld, zo heeft hij verklaard.

Het hof stelt vast dat van het voorbereidende onderzoek zoals dat volgens verdachte heeft plaatsgevonden, in het dossier geen stukken zijn terug te vinden. Ook bevat het dossier geen enkel stuk waaruit blijkt hoe de te verwachten opbrengsten zijn berekend en de wijze waarop en de termijn waarbinnen die opbrengsten gerealiseerd zullen worden. Een berekening van te verwachten kosten en een inventarisatie van risico’s en eventuele afdekking daarvan ontbreekt eveneens.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat er wel degelijk businessplannen en (cijfermatige) onderbouwingen van de gestelde rendementen en garanties bestaan. Volgens verdachte maakten deze stukken deel uit van de administratie van rechtspersoon4 en is de gehele administratie van rechtspersoon4 in handen gekomen van bewindvoerder (later curator) de heer benadeelde1.

Het hof acht deze stelling van verdachte niet aannemelijk. In een aanvullend proces-verbaal d.d. 22 oktober 2010 dat naar aanleiding van de regiezitting in eerste aanleg door verbalisanten van de FIOD is opgemaakt blijkt dat de heer benadeelde1 de gehele aan hem ter beschikking gestelde administratie van rechtspersoon4 aan de FIOD ter beschikking heeft gesteld. Deze administratie is door verbalisanten doorgenomen. Door de verbalisanten is vervolgens gerelateerd dat in de administratie zoals die is aangetroffen bij de bewindvoerder, alsmede in de administratie die later bij diverse doorzoekingen in beslag is genomen, geen document is aangetroffen waarin voornoemde onderdelen waren opgenomen. Er zijn wel businessplannen aangetroffen maar deze hadden geen betrekking op rechtspersoon4.

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat de administratie van rechtspersoon4 gebrekkig was. De informatie in de diverse klantendossiers bleek vaak niet volledig en niet conform de werkelijkheid. Daarnaast was de administratie met betrekking tot de diverse projecten niet juist, niet volledig, dan wel ontbrak in het geheel.

Het hof acht het gezien het voorgaande niet aannemelijk geworden dat aan de door rechtspersoon4 uitgegeven investeringsproducten een gedegen onderzoek en onderbouwing ten grondslag liggen zoals verdachte dat heeft voorgewend.

Investeringen rechtspersoon4

Voor de vraag of er sprake is van oplichting acht het hof voorts van belang hoe rechtspersoon4 de ingelegde gelden heeft besteed. De verdediging heeft aangevoerd dat er daadwerkelijk gelden zijn geïnvesteerd en dat er geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon4 meteen na de oprichting is begonnen met het aantrekken van gelden van investeerders. Zoals gezegd kregen de investeerders vaste (voorschot)rendementen in het vooruitzicht gesteld van 8 tot 10% en werd het ingelegde geld gegarandeerd terugbetaald aan het einde van de looptijd. Voor het kunnen voldoen aan dergelijke toezeggingen is het noodzakelijk dat een substantieel deel van de ingelegde gelden daadwerkelijk worden geïnvesteerd en renderen. Het hof stelt echter overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal vast dat van de totale ingelegde gelden slechts een klein deel (ongeveer 27%) daadwerkelijk is geïnvesteerd in gronden in Panama, Costa Rica en Polen. Daarbij geldt bovendien dat van die investeringen op korte termijn nagenoeg geen rendement te verwachten viel, onder meer omdat de plantages niet of nog maar kort geleden beplant waren. Voordat de investeringen zouden gaan renderen was rechtspersoon4 derhalve voor het uitbetalen van de voorschotrendementen aangewezen op de inleg van nieuwe investeerders, met het immer bestaande risico dat de verwachte aanwas van investeerders zou uitblijven.

Uit het dossier blijkt dat geen van de investeringen in het buitenland inkomsten voor rechtspersoon4 hebben opgeleverd. Van de totale ontvangsten van rechtspersoon1 betreft 93,9 % inleggelden van investeerders. Alle (voorschot)rendementen die aan investeerders zijn uitbetaald, zijn betaald uit de inleg van investeerders.

Meer specifiek overweegt het hof over een aantal van de gedane investeringen als volgt.

Ten aanzien van het eiland Isla Maje in Panama dat op zichzelf reeds € 538.462,- gekost had, heeft verdachte verklaard dat er voor nog eens € 250.000,- tot € 300.000,- geïnvesteerd diende te worden voordat er überhaupt rendement behaald kon worden. Het dossier bevat evenwel geen plan voor de ontwikkeling van het nog onontgonnen eiland, de uitvoering en een tijdspad. Verdachte heeft hierin evenmin inzicht gegeven. Ondanks dat het om een aanzienlijk aankoopbedrag ging, lijkt de aankoop van het eiland derhalve een ondoordachte en daarmee onverantwoorde aankoop te zijn geweest. Daar komt nog bij dat de eigendom van het eiland nooit is overgedragen.

Ook ten aanzien van de plantage die van een andere aanbieder van beleggingsproducten is overgenomen geldt dat de eigendom nimmer is overgedragen, terwijl rechtspersoon4 van haar zijde wel vanaf januari 2004 in totaal voor € 841.256,31 aan voorschotrendementen aan de overgenomen investeerders heeft voldaan.

Voorts plaatst het hof vraagtekens bij de aankoop van een plantage van in totaal 10 hectare door verdachte en medeverdachte medeverdachte1 op 19 augustus 2003 voor $ 83.969,73, met de verkoop van welke plantage door verdachte en medeverdachte aan rechtspersoon4 voor ongeveer $ 315.000,- nog dezelfde dag werd begonnen. Nog los van de werkelijke waarde van de grond, ziet het hof in deze gang van zaken een bevestiging dat het verdachte veeleer ging om eigen voordeel dan dat hij serieus de gelden van beleggers investeerde.

Ten slotte is uit het dossier af te leiden dat een groot deel van de ingelegde gelden zijn besteed aan zaken waarvoor zij niet bedoeld waren en/of direct of indirect ten goede zijn gekomen aan verdachte en/of medeverdachte medeverdachte1. Dit geldt onder meer voor een aantal van de uitgegeven geldleningen, de aankoop en verbouwing van het pand aan de straat te gemeente2 en de investeringen in de eenmanszaak van verdachte op het gebied van Koi karpers.

Het hof concludeert dat aan de gedane investeringen geen doordachte plannen ten grondslag lagen en dat er op lichtzinnige en onverantwoorde wijze investeringen zijn gedaan/gronden zijn aangekocht. Een gedegen onderzoek en onderbouwing ontbrak derhalve niet alleen ten aanzien van de uitgegeven investeringsproducten, maar ook ten aanzien van de gedane investeringen in het buitenland.

Ondanks voornoemde beperkte investeringen die (op korte termijn) geen enkel rendement opleverden, hield rechtspersoon4 er een weinig spaarzame bedrijfsvoering op na met hoge niet-renderende uitgaven. Nu aanzienlijke delen van de geïnvesteerde gelden niet ingezet konden worden ten behoeve van te behalen rendementen dienden de feitelijk te behalen rendementen derhalve nog hoger te liggen dan die de investeerders waren voorgespiegeld.

Meerwaarde

Verdachte heeft hier tegenin gebracht dat er een meerwaarde was ontstaan op de gedane investeringen omdat de gronden door rechtspersoon4 waren aangekocht voor een bedrag ver beneden de werkelijke waarde. Zo heeft verdachte verklaard dat de Finca Costa Rica in werkelijkheid $ 433.000,- waard was. Uit het faillissementsverslag van rechtspersoon1 d.d. 17 november 2014 blijkt echter dat de plantage - die in slechte staat verkeerde - blijkens een taxatierapport van 13 juni 2007 is gewaardeerd op $ 3.000,- per hectare. Uiteindelijk is het gelukt de plantage te verkopen voor $ 5.000,- per hectare. De opbrengst bedraagt € 33.425,99 zo blijkt het uit het faillissementsverslag. Het hof realiseert zich dat de waarde bij verkoop in geval van faillissement aanzienlijk lager kan uitvallen dan een verkoop ‘going concern’. Gelet op het door verdachte en medeverdachte medeverdachte1 betaalde aankoopbedrag ($ 83.969,73) en de genoemde taxatiewaarde acht het hof de stelling dat de gronden meer waard waren echter onaannemelijk.

Ook ten aanzien van de overige gronden is in het geheel geen steun te vinden voor verdachtes stelling dat deze (veel) meer waard waren dan het bedrag waarvoor rechtspersoon4 ze heeft aangekocht. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat tegenover de gedane investeringen een meerwaarde stond, op basis waarvan de gestelde rendementen gegarandeerd konden worden.

Conclusie

Uit het feit dat aan de investeerders een vast rendement van 8 tot 10% en een terugbetaalgarantie is geboden, zonder dat daaraan een gedegen onderzoek en financiële onderbouwing ten grondslag lag, hetgeen ook geldt voor de investeringsprojecten in het buitenland die het gestelde rendement zouden moeten opleveren zoals hiervoor uiteen is gezet, leidt het hof af dat het nooit de bedoeling is geweest dat rechtspersoon4 de aan de investeerders in het vooruitzicht gestelde rendementen en terugbetaalgaranties gestand zou doen. De gehele bedrijfsvoering van rechtspersoon4 is vanaf het moment van oprichting gericht geweest op wederrechtelijke bevoordeling en de rendementen en garanties zijn (al dan niet door tussenkomst van intermediairs) valselijk en/of listiglijk en/of in strijd met de waarheid aan de investeerders voorgewend, hetgeen hen heeft bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden zoals in de tenlastelegging vermeld.

Dat er sprake was van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling en dat investeerders bewust zijn misleid, wordt bevestigd door de inhoud van de uitgegeven brochures. Hoewel de raadsman terecht heeft gesteld dat het aanbieden van een bepaald product in een folder/brochure logischerwijs gepaard gaat met verlokkende woorden en een positieve voorstelling van zaken, ging de informatie in de brochures van rechtspersoon4 verder dan dat. De advocaat-generaal heeft er terecht op gewezen dat in de brochure van de Investplanproducten ten onrechte de indruk wordt gewekt dat rechtspersoon4 al sinds 1998 actief is, hetgeen in werkelijkheid sinds 2002 was. Voorts profileerde rechtspersoon4 zich als een bedrijf met “diverse gespecialiseerde afdelingen” en “financiële en/of juridische afdelingen”, terwijl er in totaal slechts vier personen werkzaam waren bij rechtspersoon4. Voorts wordt er in de brochures vermeld dat rechtspersoon4 “inmiddels nauw samenwerkt met meer dan 50 gerenommeerde intermediairs”. Uit de administratie is slechts een samenwerking met 9 intermediairs af te leiden. Ook de “landelijke dekking van meer dan 100 verkoopkantoren” waarvan melding wordt gemaakt, vindt geen bevestiging in het dossier.

Concluderend kan gesteld worden dat participanten werden aangetrokken op basis van een valse voorstelling van zaken. Het gegeven dat de beschikbaar gestelde gelden op onverantwoorde en lichtzinnige wijze zijn besteed, bevestigt dat van bonafide beleggingen geen sprake is geweest.

Nu het hof heeft vastgesteld dat de gehele bedrijfsvoering van rechtspersoon4 vanaf het moment van oprichting gericht was op wederrechtelijke bevoordeling, heeft de oplichting zich om die reden in beginsel tot alle klanten van rechtspersoon4 uitgestrekt. Dat niet alle investeerders een brochure van rechtspersoon4 hebben ontvangen en dat er investeerders zijn die op eigen initiatief contact met rechtspersoon4 hebben gelegd en vervolgens hebben geïnvesteerd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet niet ter zake, nu ook voor die investeerders geldt dat zij in ieder geval bewogen zijn tot de inleg van geld door het geboden rendement en/of de geboden terugbetalingsgarantie. Dit betrof immers de kern van de investeringsproducten van rechtspersoon4. Het hof acht derhalve bewezen dat onder meer de in ten laste gelegde personen zijn opgelicht, een en ander voor zover hieronder niet anders is vermeld.

Zoals reeds is vermeld zijn de klantendossiers van de personen die niet bij naam in de tenlastelegging zijn genoemd, niet in het dossier opgenomen en beschikt het hof derhalve niet over de inschrijfformulieren van die investeerders en betalingsbewijzen. Voor die gegevens baseert het hof zich daarom met name op het door de FIOD opgemaakte document D-167, in samenhang met het proces-verbaal van ambtshandeling analyse klantendossiers d.d. 26 maart 2008. In laatstgenoemd proces-verbaal is beschreven dat de inhoud van alle klantendossiers is geanalyseerd en in het document D-167 is verwerkt. Om de validiteit van dit document te checken is ten aanzien van de investeerders die in de tenlastelegging zijn genoemd en van wie de brondocumenten (klantendossiers) wel beschikbaar zijn een vergelijking gemaakt met de gegevens in het document D-167. De informatie in D-167 bleek op de van belang zijnde punten (soort investeringproduct, investeringsbedrag, datum betaling ontvangen door rechtspersoon4) vrijwel geheel overeen te komen met de informatie zoals die uit de brondocumenten bleek. De enige afwijkingen die zijn aangetroffen betreffen zowel ten aanzien van aangever benadeelde15 als ten aanzien van benadeelde5 de data waarop het geld door rechtspersoon4 is ontvangen (respectievelijk 23 september 2003 i.p.v. 15 augustus 2003 en 5 mei 2005 i.p.v. 3 mei 2005). Het hof acht deze afwijkingen niet zodanig dat niet meer kan worden vertrouwd op de vermelding dat de in D-167 genoemde personen een investeringsproduct bij rechtspersoon4 hebben afgenomen, welk investeringsproduct dat betreft en voor welk bedrag en dat het in te leggen bedrag door rechtspersoon4 is ontvangen. Het hof zal die informatie dan ook voor het bewijs gebruiken.

Onderdeel C

Onder 1 primair onderdeel C wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan beleggers (maandelijks) één of meer geldbedragen uitbetaald/uitgekeerd als opbrengsten/rendementen van hun beleggingen/ingelegde gelden.

Het hof is van oordeel dat de raadsman in beginsel terecht heeft aangevoerd dat het betalen van de geldbedragen pas plaatsvond nadat de betreffende klant had deelgenomen aan het investeringsproduct en dat de handeling in die zin derhalve geen invloed heeft gehad op de beweegredenen van de klant om over te gaan tot deelname aan het product en tot het overmaken van het inschrijfbedrag.

Voor aangever benadeelde21 geldt echter dat hij tweemaal geld heeft ingelegd in een investeringsproduct van rechtspersoon4. De eerste inschrijving voor het Investplan dateert van 21 januari 2004 (inleg € 75.000,-) en de tweede inleg dateert van 15 oktober 2004 (inleg € 24.000,-). Over deze tweede inleg heeft aangever benadeelde21 verklaard:

“Het bedrag van € 24.000,- is boven op het bestaande bedrag van € 75.000,- door ons geïnvesteerd in het rechtspersoon Investplan. Daar hebben wij ook een formulier van. Het formulier voor deze investering is gedateerd 15 oktober 2004. De inlegdatum is toen vastgesteld op medio november 2004. Uiteindelijk is het bedrag van € 24.000,- door ons gestort op 14 april 2005. De reden dat het zo lang geduurd heeft, is gelegen in het feit dat de verzekering zo laat uitkeerde. De uitkering was pas in april 2005. Toen is meteen het geld geïnvesteerd in rechtspersoon. We hebben bij deze investering van € 24.000,= niet meer gesproken waarin belegd werd. Wij vertrouwden er op dat alles goed ging. Op dat moment kregen we immers al geruime tijd ons maandelijkse rendement. Dat gebeurde al bijna een jaar.”

Het hof leidt uit deze verklaring af dat het uitbetalen van de (voorschot)rendementen ter zake van de eerste investering aangever benadeelde21 (mede) heeft bewogen over te gaan tot de tweede inleg. Ten aanzien van deze aangever acht het hof derhalve (ook) het onder 1 primair onder C ten laste gelegde bewezen.

Voor aangever benadeelde15 geldt eveneens dat er tweemaal in een product van rechtspersoon4 is ingelegd. Nu echter uit de aangifte van benadeelde15 niet is af te leiden dat de uitbetaling van de (voorschot)rendementen wegens de eerste investering hen (mede) heeft bewogen over te gaan tot een tweede investering, acht het hof ten aanzien van deze aangever onderdeel C niet bewezen.

Gedeeltelijke vrijspraak i.v.m. ten laste gelegde pleegperiode

Ten aanzien van aangever benadeelde40 geldt dat diens inschrijving en inleg voor een investeringsproduct van rechtspersoon4 heeft plaatsgevonden in 2002, derhalve voorafgaand aan de ten laste gelegde pleegperiode. Gelet daarop kan ten aanzien van aangever benadeelde40 geen bewezenverklaring van oplichting in de ten laste gelegde periode volgen en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Gedeeltelijke vrijspraak i.v.m. ten laste gelegde investeringsproducten

In de tenlastelegging zijn slechts de investeringsproducten Investplan, het Investplan Plus A, het Investplan Plus B en het Garantie Plus Plan genoemd. Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon4 ook nog andere producten aanbood. Van de in de tenlastelegging genoemde investeerders heeft aangever benadeelde30 naast het Investplan product waarvoor hij € 60.000,- heeft ingelegd een bedrag van € 3.500,- geïnvesteerd in een ander product. Nu dit product niet in de tenlastelegging is genoemd, kan ten aanzien daarvan geen bewezenverklaring voor oplichting volgen. Het hof acht daarom slechts bewezen dat benadeelde30 voor een bedrag van € 60.000,- is opgelicht

Strafbaarheid rechtspersoon1, rechtspersoon2, rechtspersoon4 en rechtspersoon3 als rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als een dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging - die door een natuurlijk persoon is verricht - redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De investeerders zijn tot inleg van gelden bewogen door persoonlijke gesprekken, door de inhoud van de uitgegeven folders/brochures en/of de gemaakte DVD. De intermediairs zijn (onder meer) door verdachte ingeschakeld en hebben zich bij de verkoop van de investeringsproducten laten leiden door de informatie die verdachte en/of zijn medeverdachte(n) hen (in presentaties of anderszins) had gegeven en door de informatie die in de brochures stond. Aldus heeft verdachte direct of indirect de klanten van rechtspersoon4 bewogen tot het doen van investeringen door hen listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid rendementen van 8 tot 10 % voor te wenden en een (terugbetaal)garantie van het ingelegde geld te bieden.

Voornoemde gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van rechtspersoon4, zijn rechtspersoon4 dienstig geweest en kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtsperso(o)n(en). De gedragingen kunnen in redelijkheid worden toegerekend aan rechtspersoon4 en het hof is daarbij van oordeel dat de rechtsperso(o)n(en) het voor een bewezenverklaring benodigde opzet heeft/hebben gehad en het oogmerk van wederechtelijke bevoordeling. Het bij verdachte aanwezige opzet op de strafbare gedragingen kan aan de rechtspero(o)n(en) worden toegerekend.

Vanwege de verwevenheid kan niet ten aanzien van elke gedraging worden herleid aan welke rechtspersoon zij exact kan worden toegeschreven. Wel is komen vast te staan dat alle verweten gedragingen in ieder geval aan één van de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Als gevolg daarvan zijn de vier rechtspersonen hiervoor aangeduid onder gezamenlijke noemer ‘rechtspersoon4’ en zal het hof bewezen verklaren dat de oplichting is gepleegd door rechtspersoon1 en/of rechtspersoon2 en/of rechtspersoon3 en/of derechtspersoon4.

Het hof acht niet bewezen dat rechtspersoon4 tezamen en in vereniging heeft gehandeld met andere (rechts)personen zodat daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid verdachte als feitelijk leidinggever

Van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. De tweede voorwaarde voor feitelijk leidinggeven houdt in dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen en zo opzettelijk de verboden gedraging bevordert.

Gelet op het feit dat verdachte algemeen directeur was van rechtspersoon4 en met zijn bedrijf investeerders heeft aangetrokken en hen rendementen en garanties heeft geboden die niet haalbaar waren, hij bevoegd en gehouden was hier iets aan te doen maar dit heeft nagelaten en daarenboven de bedenker was van de betreffende constructie en de gedraging op die manier heeft bevorderd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de door rechtspersoon4 begane oplichting. Het hof acht niet bewezen dat hij daarbij tezamen en in vereniging met (een) medeverdachte(n) heeft gehandeld zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 3 primair

Onder 3 primair wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon1, rechtspersoon2, rechtspersoon3 en/of derechtspersoon4 gepleegde strafbare feit, inhoudende het opzettelijk uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, zonder dat daarvoor een vergunning is verkregen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat rechtspersoon1 het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend zonder dat daarvoor een vergunning is verleend en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 3 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu niet is voldaan aan het vereiste dat er voor eigen rekening kredietuitzetting of beleggingen zijn verricht.

Oordeel hof

Het hof volgt het standpunt van de advocaat-generaal. Er kan wettig en overtuigend worden bewezen dat rechtspersoon1 het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend zonder dat daarvoor een vergunning is verkregen. Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon1 geldleningen aan derden verstrekt, zoals reeds is vermeld. In het vonnis van de rechtbank is terecht overwogen dat door rechtspersoon1 voor het verstrekken van de leningen gebruik is gemaakt van de op termijn opvorderbare gelden die rechtspersoon1 ter beschikking had gekregen van de investeerders van de rechtspersoon investeringsproducten, die van het gebruik van hun inleg voor deze leningen niet op de hoogte waren.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat daaruit volgt dat rechtspersoon1 een onderneming is die haar bedrijf heeft gemaakt van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen. rechtspersoon1 voldoet daarmee aan de definitie van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder a, sub 1, van de Wet Toezicht kredietwezen 1992. Vaststaat dat rechtspersoon1 een in Nederland gevestigde onderneming is en dat die onderneming geen vergunning heeft verkregen voor het uitoefenen van een kredietinstelling.

Voornoemde gedraging past binnen de normale bedrijfsvoering van rechtspersoon1, is rechtspersoon1 dienstig geweest en kan worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Deze gedraging kan in redelijkheid worden toegerekend aan rechtspersoon1 en het hof is van oordeel dat rechtspersoon1 het voor een bewezenverklaring benodigde opzet had op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling.

Gelet op het feit dat verdachte algemeen directeur was van rechtspersoon1 en derhalve feitelijk zeggenschap had over de gedraging die de rechtspersoon heeft verricht, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon1 gepleegde feit. Het opzet hierop blijkt uit het feit dat verdachte alle leningsovereenkomsten zelf namens rechtspersoon1 heeft ondertekend. Het hof acht niet bewezen dat hij daarbij tezamen en in vereniging met (een) medeverdachte(n) heeft gehandeld zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 4

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de besloten vennootschappen rechtspersoon1, rechtspersoon2 en/of rechtspersoon3 en/of derechtspersoon4 gepleegde opzettelijk aanbieden van een effect waarvoor geen prospectus algemeen verkrijgbaar was dat is goedgekeurd door Onze Minister of door een toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 ten last gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 4 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat rechtspersoon4 een ‘effect’ heeft aangeboden. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar een interne e-mail d.d. 6 juli 2005 van de AFM waarin het hoofd van de Consumer Department AFM aan de afdeling Publieksvoorlichting schrijft: “Destijds is door Emissies geoordeeld dat het hier niet om een effect zou gaan en rechtspersoon daardoor ook niet onder toezicht staat”. Als AFM - de autoriteit bij uitstek op het gebied van effecten - zelf al van mening was dat er geen sprake was van een effect, kan daar ten aanzien van de verdachte toch moeilijk anders over worden geoordeeld, aldus de raadsman. De inhoud van de e-mail brengt mee dat in ieder geval niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Uit de mail blijkt immers dat de afdeling Publieksvoorlichting naar aanleiding van door het publiek gestelde vragen telkens heeft geantwoord dat in geval van rechtspersoon geen sprake was van een effect.

Oordeel hof

Uit het dossier blijkt dat verdachte middels een e-mailbericht van 4 februari 2002 bij de AFM heeft geïnformeerd of het vruchtgebruik van grond met bomen onder een effect valt als bedoeld in artikel 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Hierop is bij brief van 5 maart 2002 geantwoord. In deze brief wordt onder meer geschreven:

“Zoals de Autoriteit Financiële Markten u eerder per e-mail d.d. 3 maart 1999 heeft bericht, wordt er doorgaans niet gesproken van een effect in de zin van de Wte 1995 of de Wet toezicht beleggingsinstellingen indien men door middel van een investering juridisch eigenaar wordt van een individueel bepaald stuk grond of van een individueel bepaald aantal bomen. Wanneer uit de contractuele bepalingen duidelijk blijkt dat het gaat om een individuele aankoop en de toewijzing van bomen of percelen aan iedere participant individueel geschiedt, moet tevens aannemelijk gemaakt worden dat deze, op de individualisering van de aankoop gerichte maatregelen in de praktijk worden nageleefd. Iedere eigenaar zal de opbrengst van zijn eigen bomen/perceel ontvangen en draagt zelfstandig het risico voor zijn bomen/perceel. In casu geldt dit ook indien de investeerder het recht van vruchtgebruik op bepaalde bomen/percelen verkrijgt.”

Hoewel uit voornoemde brief niet ondubbelzinnig blijkt dat het bieden van een recht van vruchtgebruik op een stuk grond door de AFM gelijk werd getrokken met het in eigendom verkrijgen van een individueel bepaald stuk grond, zal het hof er in het voordeel van verdachte vanuit gaan dat zij die stelling aan voornoemde brief konden en mochten ontlenen. Daarvan uitgaande, is het vervolgens de vraag of rechtspersoon4 een en ander overeenkomstig de voorschriften van de AFM heeft ingevuld.

Uit de hiervoor weergegeven passage blijkt dat, wil een product niet onder de noemer ‘effect’ vallen, bepalend is dat (1) niet alleen uit contractuele bepalingen blijkt dat het gaat om een individuele aankoop en de toewijzing van bomen of percelen aan iedere participant individueel geschiedt, maar dat ook aannemelijk gemaakt moet worden dat (2) deze op de individualisering van de aankoop gerichte maatregelen in de praktijk werden nageleefd. Het hof leidt hieruit af dat deze individualiseerbaarheid en de consequenties daarvan ook richting elke investeerder moesten worden gecommuniceerd.

Het hof stelt vast dat door rechtspersoon4 niet is voldaan aan de onder 2 genoemde voorwaarde. Slechts in een enkel geval heeft een investeerder een bewijs van inschrijving ontvangen waarop melding werd gemaakt van een aan die investeerder toegewezen stuk grond. Verder is op geen enkele manier jegens de investeerders duidelijk gemaakt dat zij het recht van vruchtgebruik kregen van een specifiek aan hen toegewezen stuk grond, welk specifiek stuk dat was en wat de consequenties daarvan waren. Dat in de administratie van rechtspersoon4 stukken zijn terug te vinden waaruit blijkt dat plantages zijn opgedeeld en waarbij investeerders op bepaalde delen zijn ingeschreven, is derhalve niet voldoende.

Nu verdachte wist wat de voorwaarden waren wilde er geen sprake zijn van een effect in de zin van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, en desondanks vanuit rechtspersoon4 producten heeft aangeboden die niet aan die voorwaarden voldeden, is er naar het oordeel van het hof sprake van het opzettelijk aanbieden van een effect. Hiervoor was geen goedgekeurd prospectus algemeen verkrijgbaar. Aldus is sprake van overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Voornoemde gedraging past binnen de normale bedrijfsvoering van rechtspersoon4, is rechtspersoon4 dienstig geweest en kan worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Deze gedraging kan in redelijkheid worden toegerekend aan rechtspersoon4 en het hof is van oordeel dat er bij rechtspersoon4 sprake was van het voor een bewezenverklaring benodigde opzet.

Gelet op het feit dat verdachte algemeen directeur was van rechtspersoon4 en derhalve feitelijk zeggenschap had over de gedraging die de rechtspersoon heeft verricht, hij maatregelen ter voorkoming daarvan achterwege heeft gelaten hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en, meer in het bijzonder, de gedragingen heeft bevorderd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon4 gepleegde feit. Het hof acht niet bewezen dat hij daarbij tezamen en in vereniging met (een) medeverdachte(n) heeft gehandeld zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 3 primair: Feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, terwijl het feit opzettelijk is begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: Feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, terwijl het feit opzettelijk is begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beleggingsfraude & Veroordeling feitelijk leiding geven aan op grote schaal gepleegde oplichting begaan door rechtsperso(o)n(en)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1640        

Verdachte heeft een belangrijke rol vervuld in een professioneel opererend bedrijf dat zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Er zijn miljoenen euro’s van particuliere investeerders aangetrokken zonder dat er sprake was van zekerheden en garanties zoals de Wet toezicht kredietwezen 1992 die beoogt te bewerkstelligen. Slechts een klein deel van de ingelegde gelden is overeenkomstig de bestemming daarvan daadwerkelijk geïnvesteerd in plantages en onroerend goed.

Verdenking

Onder 1 primair wordt verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de door rechtspersoon 1 begane oplichting in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. In dit kader heeft de advocaat-generaal er ten eerste op gewezen dat de uitgegeven brochures van de in de tenlastelegging genoemde producten diverse onwaarheden bevatten. In de brochures wordt ten onrechte de indruk gewekt dat rechtspersoon 1 een groot bedrijf is met jarenlange ervaring op de markt en dat rechtspersoon 1 reeds vanaf 1998 een FSC keurmerk heeft. Daarnaast is bijvoorbeeld ten onrechte voorgewend dat er sprake was van een intensieve samenwerking met universiteiten.

Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de investeringen die zijn gedaan nimmer in voldoende mate hadden kunnen bijdragen tot het in de brochures aan de beleggers voorgespiegelde rendement. Om de beloofde rendementen te kunnen behalen had rechtspersoon 1 veel meer gronden aan moeten kopen dan in werkelijkheid is gebeurd. Gelet op de zeer beperkte investeringen die zijn gedaan was het voorzienbaar dat de voorschotrendementen betaald zouden moeten worden uit de inleg van nieuwe investeerders, temeer nu rechtspersoon 1 er een luxueuze bedrijfsvoering op nahield. De advocaat-generaal acht al met al bewezen dat er geen sprake is van falend ondernemerschap, maar van oplichting. De oplichtingshandelingen kunnen aan de rechtsperso(o)n(en) van rechtspersoon 1 worden toegerekend en verdachte kan als feitelijk leidinggever worden aangemerkt.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Verdachte en zijn medeverdachte(n) meenden goede financiële producten op de markt te kunnen brengen met de kennis en ervaring die zij eerder hadden opgedaan. Niet alleen hebben zij hier veel tijd en energie in gestoken, ook zijn er daadwerkelijk diverse investeringen gedaan in Panama, Costa Rica, Polen en Nederland. Voordat de diverse investeringen echter de kans kregen goed te renderen, werd er een bewindvoerder benoemd waardoor de bedrijfsvoering werd stil gelegd. Tot aan de bewindvoering heeft rechtspersoon 1 voldaan aan zijn verplichting om voorschotrendementen aan de investeerders uit te betalen. Er was derhalve geen sprake van een oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling.

Ten aanzien van de brochures heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de brochures geen onjuiste informatie bevatten. Weliswaar is het zo dat het product van rechtspersoon 1 in de folder op een zeer positieve wijze onder de aandacht wordt gebracht, doch dit is in het algemeen ook het doel van een productfolder.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging onder A tot en met E opgenomen feitelijke gedragingen, heeft de raadsman aangevoerd dat de onder A genoemde gedraging is verricht door de intermediairs en dat verdachte en zijn medeverdachten hierop geen enkele invloed hebben gehad. De onder C verweten gedraging kan voorts niet redengevend zijn voor het bewijs, nu deze gedraging telkens pas heeft plaatsgevonden nadat de betreffende klant had deelgenomen aan een product. Het uitbetalen van de rendementen heeft derhalve geen enkele invloed gehad op de beweegredenen van de klanten om over te gaan tot de inschrijving op het product en het overmaken van het inschrijfbedrag, aldus de raadsman.

Ten aanzien van verdachte geldt in het bijzonder dat hij zelf ook heeft geïnvesteerd in een product van rechtspersoon 1, hetgeen een contra-indicatie is voor het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat zou al worden bewezen dat er sprake is van oplichting, dan niet kan worden bewezen dat er sprake is van feitelijk leiding geven door verdachte. Verdachte verrichtte pas vanaf eind 2003 werkzaamheden voor rechtspersoon 1 zodat voor de investeringen die dateren van vóór die datum in ieder geval geen bewezenverklaring kan volgen. Ook ten aanzien van de periode na het aantreden van verdachte kan niet worden bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de vermeende oplichting, nu uit het dossier blijkt dat medeverdachte medeverdachte1 degene was die feitelijk de leiding had binnen rechtspersoon 1. Verdachte en medeverdachte medeverdachte2 hadden geen zeggenschap, aldus de raadsman.

Oordeel hof

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit het volgende.

Onderdeel A

Onder 1 primair onderdeel A wordt verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon 1 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in het vooruitzicht stellen van lagere maandelijkse hypotheeklasten indien zij investeren/beleggen in één van de producten die door rechtspersoon 1 werden aangeboden, te weten het InvestPlan, het InvestPlan Plus A, het InvestPlan Plus B en/of het GarantiePlusPlan.

Zoals hiervoor uiteen is gezet werden de investeringsproducten van rechtspersoon 1 doorgaans door intermediairs aangeboden aan particulieren. Daarbij geldt dat veel investeerders de inleg hebben gefinancierd door het te gelde maken van de overwaarde op hun woning middels het afsluiten van een tweede hypotheek. Deze constructie zou volgens de intermediairs financieel voordelig zijn, omdat het door rechtspersoon 1 gegarandeerde rendement op de investering hoger was dan de kosten van de (hogere) hypotheek, zo blijkt uit verklaringen van aangevers.

Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat het in het vooruitzicht stellen van de lagere maandelijkse hypotheeklasten niet aan rechtspersoon 1 kan worden toegerekend. Dit leidt er toe dat er geen bewezenverklaring kan volgen voor het onder 1 primair onder A ten laste gelegde onderdeel. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Onderdeel B, D en E

Onder B, D en E wordt verdachte - kort gezegd - verweten dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte(n) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersoon 1 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid beleggers (voorschot)rendementen in het vooruitzicht stellen van 8% of 10% die maandelijks en/of jaarlijks werden uitgekeerd dan wel werden geherinvesteerd, en het (op verschillende manieren) bieden van een 100% (terugbetaal)garantie op de ingelegde gelden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het in het vooruitzicht stellen van rendementen en het bieden van de terugbetaalgarantie aan potentiële investeerders zoals hiervoor genoemd gebeurde door middel van persoonlijke gesprekken met intermediairs of, in sommige gevallen, met verdachte en/of zijn medeverdachten zelf, door informatie die in folders/brochures werd gegeven en/of door (dvd-)presentaties.

Productontwikkeling

Om te kunnen beoordelen of de voorgespiegelde rendementen en terugbetaalgaranties realistisch/haalbaar waren of dat zij valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan investeerders zijn verstrekt, acht het hof ten eerste van belang hoe de door rechtspersoon 1 aangeboden producten zijn ontwikkeld en tot stand gebracht.

Medeverdachte medeverdachte1 heeft verklaard dat hij in 1998 is begonnen met voorbereidende werkzaamheden voor de producten die hij op de markt wilde brengen. In dat kader heeft hij verklaard dat hij informatie heeft ingewonnen bij diverse instanties, dat hij contact heeft gelegd met plantagehouders in Costa Rica en Panama en dat hij plantages heeft bezocht. Daarnaast heeft medeverdachte1 cijfers en statistieken opgevraagd van de verschillende branches waarin hij wilde investeren en heeft hij contracten van andere aanbieders door advocaten laten beoordelen. Na dit onderzoek is hij overgegaan tot het ontwikkelen van zijn eigen producten en heeft hij uiteindelijk samen met verdachte brochures opgesteld, zo heeft hij verklaard.

Het hof stelt vast dat van het voorbereidende onderzoek zoals dat volgens medeverdachte1 heeft plaatsgevonden, in het dossier geen stukken zijn terug te vinden. Ook bevat het dossier geen enkel stuk waaruit blijkt hoe de te verwachten opbrengsten zijn berekend en de wijze waarop en de termijn waarbinnen die opbrengsten gerealiseerd zullen worden. Een berekening van te verwachten kosten en een inventarisatie van risico’s en eventuele afdekking daarvan ontbreekt eveneens.

In zijn verhoren bij de FIOD heeft medeverdachte medeverdachte1 wel melding gemaakt van het bestaan van businessplannen en (cijfermatige) onderbouwingen van de gestelde rendementen en garanties. Het hof neemt aan dat deze stukken zich in dat geval in de administratie van rechtspersoon 1 zouden moeten bevinden. Uit een aanvullend proces-verbaal d.d. 22 oktober 2010 dat naar aanleiding van de regiezitting in eerste aanleg door verbalisanten van de FIOD is opgemaakt blijkt echter dat de gehele administratie van rechtspersoon 1 die in handen was gekomen van de bewindvoerder (later curator) de heer benadeelde1, door hem ter beschikking is gesteld aan de FIOD. Deze administratie is door verbalisanten doorgenomen. Door de verbalisanten is vervolgens gerelateerd dat in de administratie zoals die is aangetroffen bij de bewindvoerder, alsmede in de administratie die later bij diverse doorzoekingen in beslag is genomen, geen document is aangetroffen waarin voornoemde onderdelen waren opgenomen. Er zijn wel businessplannen aangetroffen maar deze hadden geen betrekking op rechtspersoon 1.

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat de administratie van rechtspersoon 1 gebrekkig was. De informatie in de diverse klantendossiers bleek vaak niet volledig en niet conform de werkelijkheid. Daarnaast was de administratie met betrekking tot de diverse projecten niet juist, niet volledig, dan wel ontbrak in het geheel.

Het hof acht het gezien het voorgaande niet aannemelijk geworden dat aan de door rechtspersoon 1 uitgegeven investeringsproducten een gedegen onderzoek en onderbouwing ten grondslag liggen zoals dat door medeverdachte medeverdachte1 is voorgewend

Investeringen rechtspersoon 1

Voor de vraag of er sprake is van oplichting acht het hof voorts van belang hoe rechtspersoon 1 de ingelegde gelden heeft besteed. De verdediging heeft aangevoerd dat er daadwerkelijk gelden zijn geïnvesteerd en dat er geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat rechtspersoon 1 meteen na de oprichting is begonnen met het aantrekken van gelden van investeerders. Zoals gezegd kregen de investeerders vaste (voorschot)rendementen in het vooruitzicht gesteld van 8 tot 10% en werd het ingelegde geld gegarandeerd terugbetaald aan het einde van de looptijd. Voor het kunnen voldoen aan dergelijke toezeggingen is het noodzakelijk dat een substantieel deel van de ingelegde gelden daadwerkelijk worden geïnvesteerd en renderen. Het hof stelt echter overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal vast dat van de totale ingelegde gelden slechts een klein deel (ongeveer 27%) daadwerkelijk is geïnvesteerd in gronden in Panama, Costa Rica en Polen. Daarbij geldt bovendien dat van die investeringen op korte termijn nagenoeg geen rendement te verwachten viel, onder meer omdat de plantages niet of nog maar kort geleden beplant waren. Voordat de investeringen zouden gaan renderen was rechtspersoon 1 derhalve voor het uitbetalen van de voorschotrendementen aangewezen op de inleg van nieuwe investeerders, met het immer bestaande risico dat de verwachte aanwas van investeerders zou uitblijven.

Uit het dossier blijkt dat geen van de investeringen in het buitenland inkomsten voor rechtspersoon 1 hebben opgeleverd. Van de totale ontvangsten van rechtspersoon1 betreft 93,9 % inleggelden van investeerders. Alle (voorschot)rendementen die aan investeerders zijn uitbetaald, zijn betaald uit de inleg van investeerders.

Meer specifiek overweegt het hof over een aantal van de gedane investeringen als volgt.

Ten aanzien van het eiland Isla Maje in Panama dat op zichzelf reeds € 538.462,- gekost had, heeft medeverdachte medeverdachte1 verklaard dat er voor nog eens € 250.000,- tot € 300.000,- geïnvesteerd diende te worden voordat er überhaupt rendement behaald kon worden. Het dossier bevat evenwel geen plan voor de ontwikkeling van het nog onontgonnen eiland, de uitvoering en een tijdspad. Ook anderszins is hierin geen inzicht gegeven. Ondanks dat het om een aanzienlijk aankoopbedrag ging, lijkt de aankoop van het eiland derhalve een ondoordachte en daarmee onverantwoorde aankoop te zijn geweest. Daar komt nog bij dat de eigendom van het eiland nooit is overgedragen.

Ook ten aanzien van de plantage die van een andere aanbieder van beleggingsproducten is overgenomen geldt dat de eigendom nimmer is overgedragen, terwijl rechtspersoon 1 van haar zijde wel vanaf januari 2004 in totaal voor € 841.256,31 aan voorschotrendementen aan de overgenomen investeerders heeft voldaan.

Voorts plaatst het hof vraagtekens bij de aankoop van een plantage van in totaal 10 hectare door verdachte en medeverdachte medeverdachte1 op 19 augustus 2003 voor $ 83.969,73, met de verkoop van welke plantage door verdachte en medeverdachte aan rechtspersoon 1 voor ongeveer $ 315.000,- nog dezelfde dag werd begonnen. Nog los van de werkelijke waarde van de grond, ziet het hof in deze gang van zaken een bevestiging dat het verdachte en/of medeverdachte medeverdachte1 veeleer ging om eigen voordeel dan dat de gelden van beleggers serieus werden geïnvesteerd.

Ten slotte is uit het dossier af te leiden dat een groot deel van de ingelegde gelden zijn besteed aan zaken waarvoor zij niet bedoeld waren en/of direct of indirect ten goede zijn gekomen aan verdachte en/of medeverdachte medeverdachte1. Dit geldt onder meer voor een aantal van de uitgegeven geldleningen, de aankoop en verbouwing van het pand aan de adres te gemeente2 en de investeringen in de eenmanszaak van medeverdachte medeverdachte1 op het gebied van Koi karpers.

Het hof concludeert dat aan de gedane investeringen geen doordachte plannen ten grondslag lagen en dat er op lichtzinnige en onverantwoorde wijze investeringen zijn gedaan/gronden zijn aangekocht. Een gedegen onderzoek en onderbouwing ontbrak derhalve niet alleen ten aanzien van de uitgegeven investeringsproducten, maar ook ten aanzien van de gedane investeringen in het buitenland.

Ondanks voornoemde beperkte investeringen die (op korte termijn) geen enkel rendement opleverden, hield rechtspersoon 1 er een weinig spaarzame bedrijfsvoering op na met hoge niet-renderende uitgaven.  Nu aanzienlijke delen van de geïnvesteerde gelden niet ingezet konden worden ten behoeve van te behalen rendementen dienden de feitelijk te behalen rendementen derhalve nog hoger te liggen dan die de investeerders waren voorgespiegeld.

Meerwaarde

Door medeverdachte medeverdachte1 is hier tegenin gebracht dat er een meerwaarde was ontstaan op de gedane investeringen omdat de gronden door rechtspersoon 1 waren aangekocht voor een bedrag ver beneden de werkelijke waarde. Zo heeft hij verklaard dat de Finca Costa Rica in werkelijkheid $ 433.000,- waard was. Uit het faillissementsverslag van rechtspersoon1 d.d. 17 november 2014 blijkt echter dat de plantage - die in slechte staat verkeerde - blijkens een taxatierapport van 13 juni 2007 is gewaardeerd op $ 3.000,- per hectare. Uiteindelijk is het gelukt de plantage te verkopen voor $ 5.000,- per hectare. De opbrengst bedraagt € 33.425,99 zo blijkt het uit het faillissementsverslag. Het hof realiseert zich dat de waarde bij verkoop in geval van faillissement aanzienlijk lager kan uitvallen dan een verkoop ‘going concern’. Gelet op het door verdachte en medeverdachte verdachte betaalde aankoopbedrag ($ 83.969,73) en de genoemde taxatiewaarde acht het hof de stelling dat de gronden meer waard waren echter onaannemelijk.

Ook ten aanzien van de overige gronden is in het geheel geen steun te vinden voor verdachtes stelling dat deze (veel) meer waard waren dan het bedrag waarvoor rechtspersoon 1 ze heeft aangekocht. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat tegenover de gedane investeringen een meerwaarde stond, op basis waarvan de gestelde rendementen gegarandeerd konden worden.

Conclusie

Uit het feit dat aan de investeerders een vast rendement van 8 tot 10% en een terugbetaalgarantie is geboden, zonder dat daaraan een gedegen onderzoek en financiële onderbouwing ten grondslag lag, hetgeen ook geldt voor de investeringsprojecten in het buitenland die het gestelde rendement zouden moeten opleveren zoals hiervoor uiteen is gezet, leidt het hof af dat het nooit de bedoeling is geweest dat rechtspersoon 1 de aan de investeerders in het vooruitzicht gestelde rendementen en terugbetaalgaranties gestand zou doen. De gehele bedrijfsvoering van rechtspersoon 1 is vanaf het moment van oprichting gericht geweest op wederrechtelijke bevoordeling en de rendementen en garanties zijn (al dan niet door tussenkomst van intermediairs) valselijk en/of listiglijk en/of in strijd met de waarheid aan de investeerders voorgewend, hetgeen hen heeft bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden zoals in de tenlastelegging vermeld.

Dat er sprake was van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling en dat investeerders bewust zijn misleid, wordt bevestigd door de inhoud van de uitgegeven brochures. Hoewel de raadsman terecht heeft gesteld dat het aanbieden van een bepaald product in een folder/brochure logischerwijs gepaard gaat met verlokkende woorden en een positieve voorstelling van zaken, ging de informatie in de brochures van rechtspersoon 1 verder dan dat. De advocaat-generaal heeft er terecht op gewezen dat in de brochure van de Investplanproducten ten onrechte de indruk wordt gewekt dat rechtspersoon 1 al sinds 1998 actief is, hetgeen in werkelijkheid sinds 2002 was. Voorts profileerde rechtspersoon 1 zich als een bedrijf met  “diverse gespecialiseerde afdelingen” en “financiële en/of juridische afdelingen”, terwijl er in totaal slechts vier personen werkzaam waren bij rechtspersoon 1. Voorts wordt er in de brochures vermeld dat rechtspersoon 1 “inmiddels nauw samenwerkt met meer dan 50 gerenommeerde intermediairs”. Uit de administratie is slechts een samenwerking met 9 intermediairs af te leiden. Ook de “landelijke dekking van meer dan 100 verkoopkantoren” waarvan melding wordt gemaakt, vindt geen bevestiging in het dossier.

Concluderend kan gesteld worden dat participanten werden aangetrokken op basis van een valse voorstelling van zaken. Het gegeven dat de beschikbaar gestelde gelden op onverantwoorde en lichtzinnige wijze zijn besteed, bevestigt dat van bonafide beleggingen geen sprake is geweest.

Nu het hof heeft vastgesteld dat de gehele bedrijfsvoering van rechtspersoon 1 vanaf het moment van oprichting gericht was op wederrechtelijke bevoordeling, heeft de oplichting zich om die reden in beginsel tot alle klanten van rechtspersoon 1 uitgestrekt. Dat niet alle investeerders een brochure van rechtspersoon 1 hebben ontvangen en dat er investeerders zijn die op eigen initiatief contact met rechtspersoon 1 hebben gelegd en vervolgens hebben geïnvesteerd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet niet ter zake, nu ook voor die investeerders geldt dat zij in ieder geval bewogen zijn tot de inleg van geld door het geboden rendement en/of de geboden terugbetalingsgarantie. Dit betrof immers de kern van de investeringsproducten van rechtspersoon 1. Het hof acht derhalve bewezen dat onder meer de in ten laste gelegde personen zijn opgelicht, een en ander voor zover hieronder niet anders is vermeld.

Zoals reeds is vermeld zijn de klantendossiers van de personen die niet bij naam in de tenlastelegging zijn genoemd, niet in het dossier opgenomen en beschikt het hof derhalve niet over de inschrijfformulieren van die investeerders en betalingsbewijzen. Voor die gegevens baseert het hof zich daarom met name op het door de FIOD opgemaakte document D-167, in samenhang met het proces-verbaal van ambtshandeling analyse klantendossiers d.d. 26 maart 2008 (AH-13). In laatstgenoemd proces-verbaal is beschreven dat de inhoud van alle klantendossiers is geanalyseerd en in het document D-167 is verwerkt. Om de validiteit van dit document te checken is ten aanzien van de investeerders die in de tenlastelegging zijn genoemd en van wie de brondocumenten (klantendossiers) wel beschikbaar zijn een vergelijking gemaakt met de gegevens in het document D-167. De informatie in D-167 bleek op de van belang zijnde punten (soort investeringproduct, investeringsbedrag, datum betaling ontvangen door rechtspersoon 1) vrijwel geheel overeen te komen met de informatie zoals die uit de brondocumenten bleek. De enige afwijkingen die zijn aangetroffen betreffen zowel ten aanzien van aangever benadeelde15 als ten aanzien van benadeelde5 de data waarop het geld door rechtspersoon 1 is ontvangen (respectievelijk 23 september 2003 i.p.v. 15 augustus 2003 en 5 mei 2005 i.p.v. 3 mei 2005). Het hof acht deze afwijkingen niet zodanig dat niet meer kan worden vertrouwd op de vermelding dat de in D-167 genoemde personen een investeringsproduct bij rechtspersoon 1 hebben afgenomen, welk investeringsproduct dat betreft en voor welk bedrag en dat het in te leggen bedrag door rechtspersoon 1 is ontvangen. Het hof zal die informatie dan ook voor het bewijs gebruiken.

 Gedeeltelijke vrijspraak i.v.m. ten laste gelegde pleegperiode

Ten aanzien van aangever benadeelde40 geldt dat diens inschrijving en inleg voor een investeringsproduct van rechtspersoon 1 heeft plaatsgevonden in 2002, derhalve voorafgaand aan de ten laste gelegde pleegperiode. Gelet daarop kan ten aanzien van aangever benadeelde40 geen bewezenverklaring van oplichting in de ten laste gelegde periode volgen en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid rechtspersoon1, rechtspersoon2, rechtspersoon4 en rechtspersoon3 als rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als een dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging - die door een natuurlijk persoon is verricht - redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De investeerders zijn tot inleg van gelden bewogen door persoonlijke gesprekken, door de inhoud van de uitgegeven folders/brochures en/of de gemaakte DVD. De intermediairs zijn (onder meer) door verdachte ingeschakeld en hebben zich bij de verkoop van de investeringsproducten laten leiden door de informatie die verdachte en/of zijn medeverdachte(n) hen (in presentaties of anderszins) had gegeven en door de informatie die in de brochures stond. Aldus hebben verdachte en zijn medeverdachte direct of indirect de klanten van rechtspersoon 1 bewogen tot het doen van investeringen door hen listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid rendementen van 8 tot 10 % voor te wenden en een (terugbetaal)garantie van het ingelegde geld te bieden.

Voornoemde gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van rechtspersoon 1, is rechtspersoon 1 dienstig geweest en kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtsperso(o)n(en). De gedragingen kunnen in redelijkheid worden toegerekend aan rechtspersoon 1 en het hof is daarbij van oordeel dat de rechtsperso(o)n(en) het voor een bewezenverklaring benodigde opzet heeft/hebben gehad en het oogmerk van wederechtelijke bevoordeling. Het bij medeverdachte medeverdachte1 aanwezige opzet op de strafbare gedragingen kan aan de rechtsperso(o)n(en) worden toegerekend.

Vanwege de verwevenheid zoals die onder 1.1.2. is beschreven, kan niet worden herleid welke gedraging aan welke rechtspersoon kan worden toegeschreven. Als gevolg daarvan zijn de vier rechtspersonen hiervoor aangeduid onder gezamenlijke noemer ‘rechtspersoon 1’ en zal het hof in de bewezen verklaren dat de oplichting is gepleegd door rechtspersoon1 en/of rechtspersoon2 en/of rechtspersoon3 en/of de rechtspersoon4.

Het hof acht niet bewezen dat rechtspersoon 1 tezamen en in vereniging heeft gehandeld met andere (rechts)personen zodat daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid verdachte als feitelijk leidinggever

Van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. De tweede voorwaarde voor feitelijk leidinggeven houdt in dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen en zo opzettelijk de verboden gedraging bevordert.

Omtrent de vraag of verdachte in de positie verkeerde maatregelen te nemen ter voorkoming van voornoemde strafbare handelingen, overweegt het hof als volgt.

Zoals reeds is vermeld behoorde het primair tot verdachtes taak intermediairs te benaderen en die contacten te beheren (relatiebeheer).

Uit het dossier blijkt dat medeverdachte1 degene was die de regie voerde binnen rechtspersoon 1 en eindverantwoordelijk was. Dit laat echter onverlet dat verdachte, hoewel hij geen zelfstandige zeggenschap had, een belangrijke rol vervulde binnen rechtspersoon 1. Zo heeft medeverdachte1 verklaard dat hij de brochures van de investeringsproducten van rechtspersoon 1 samen met verdachte heeft opgesteld en dat hij de “beslissingen met betrekking tot contracten, aankopen en beleidsdingen” samen met verdachte nam, na raadpleging van zijn accountant. Verdachte was voorts volledig gemachtigd voor de bankrekening van rechtspersoon1 en presenteerde zich naar buiten toe als commercieel directeur en (gedeeltelijk) eigenaar van rechtspersoon 1.

Dat verdachte zich niet alleen bezig hield met de contacten met intermediairs maar dat zijn positie zodanig was dat hij ook invloed had op de bedrijfsvoering van rechtspersoon 1, wordt bevestigd door het feit dat op zijn aandringen is overgegaan tot het aannemen van een financieel directeur (medeverdachte2).

Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat verdachte in de positie verkeerde maatregelen te nemen ter voorkoming van voornoemde strafbare gedragingen.

Omtrent de vraag of en zo ja vanaf wanneer verdachte bekend was met het feit dat rechtspersoon 1 zich schuldig maakte aan voornoemde strafbare gedragingen, en of verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de strafbare gedragingen zich voordoen overweegt het hof als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verdachte vanaf of kort na zijn aantreden op de hoogte was/is geraakt van de gebreken in de productontwikkeling en de onverantwoorde wijze van investeren door rechtspersoon 1, op basis waarvan hij zich reeds toen had moeten realiseren dat nimmer voldaan kon worden aan de rendementen en terugbetalingsgaranties die aan de investeerders werden geboden. In dit licht heeft het hof er ook acht op geslagen dat verdachte zelf heeft geïnvesteerd in een product van rechtspersoon 1. Mogelijk is er evenwel later in de tijd een moment aan te wijzen waarop voornoemd besef bij verdachte moet zijn opgekomen.

In dit kader overweegt het hof dat onder 2.3.1.2. is geconcludeerd dat er door rechtspersoon 1 op lichtzinnige en onverantwoorde wijze gronden/plantages werden aangekocht. Het hof stelt vast dat verdachte in ieder geval op de hoogte is geweest van de verkoop van de plantage van 10 hectare in augustus 2003 aan rechtspersoon 1, voor een (veel) hoger bedrag dan waarvoor verdachte en medeverdachte het (een dag daarvoor) hadden gekocht.

Het hof is van oordeel dat er vanaf dit moment bij verdachte reeds vraagtekens hebben moeten rijzen over de wijze waarop de door investeerders ingelegde gelden werden besteed.

Vervolgens hebben verdachte en zijn echtgenote op 5 april 2004 het eigendom verworven van het pand aan de adres te gemeente2, waarvan de koopsom ad € 670.000,- door rechtspersoon 1 is voldaan.

Het hof stelt vast dat verdachte in ieder geval vanaf dit moment wist dat een aanzienlijk deel van de door investeerders ingelegde gelden door rechtspersoon 1 voor andere doeleinden werd besteed dan aan het renderende product. Vanaf dat moment rustte op verdachte de verplichting nader onderzoek te doen naar de wijze waarop de toegezegde rendementen gehaald zouden moeten gaan worden. Verdachte moet zich vanaf dit moment bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat rechtspersoon 1 de rendementen en terugbetaalgaranties die de investeerders in het vooruitzicht werden gesteld niet (langer) kon behalen. Verdachte heeft evenwel geen actie ondernomen, maar heeft de situatie van het (via intermediairs) werven van nieuwe investeerders en het aanbieden van de investeringsproducten van rechtspersoon 1 in plaats daarvan laten voortduren. Hieruit blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat rechtspersoon 1 de in het vooruitzicht gestelde rendementen en terugbetaalgaranties niet gestand zou kunnen doen en dat de rendementen en garanties derhalve valselijk en/of listiglijk en/of in strijd met de waarheid werden verstrekt.

Het hof acht gezien het voorgaande bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting van de participanten die vanaf 5 april 2004 hebben geïnvesteerd in een product van rechtspersoon 1. Van de overige gevallen van oplichting zal verdachte worden vrijgesproken. Dit geldt ook voor het ten laste gelegde medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat verdachte het voorgaande tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Hoewel het hof er bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening mee zal houden dat verdachte niet aan het hoofd stond van rechtspersoon 1 en niet het brein was achter de oplichtingsconstructie, neemt dat niet weg dat verdachte in grote mate van die oplichtingsconstructie heeft geprofiteerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof Amsterdam: Hawalabankieren geen witwassen en dus vrijspraak

Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:853

Op 3 augustus 2011 werd bij de doorzoeking van de woning van de verdachte het navolgende aangetroffen. In de huiskamer zijn drie plastic tassen aangetroffen waarin pakketten geld waren verpakt. Op de pakketten werden briefjes aangetroffen. In de plastic tas met een Albert Heijnlogo zat in totaal € 289.880,00 verpakt, in de tas met het logo van Dirk van den Broek zat een bedrag van € 229.185,00 verpakt en in de tas met het logo van C1000 zat € 23.110,00. In de huiskamer stond tevens een zwarte tas waarin een bedrag van € 100.580,05 was verpakt. In een kluis in de woonkamer zijn bedragen van € 149.475,00 en £ 2.100,00 aangetroffen. In die kluis werd tevens administratie aangetroffen die vermoedelijk betrekking had op ondergronds bankieren. In een ladekast in een slaapkamer zijn bedragen van € 2.425,00 en £ 260,00 gevonden. In dezelfde slaapkamer werden in een heuptasje administratieve bescheiden aangetroffen die vermoedelijk betrekking hadden op ondergronds bankieren. In een andere slaapkamer werd een geldtelmachine aangetroffen.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreet misdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen. Gelet op de voorliggende beschuldiging van witwassen dient het hof daarom te beoordelen of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit dit dossier blijkt, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, op grond waarvan van de verdachte verlangd mag worden dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven.

Het hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte optrad als informeel bankier - een zogenoemde Hawala-bankier - en het in beslag genomen geld uit dien hoofde voorhanden heeft had om daarmee te bankieren. Gelet daarop en op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren is het enkele voorkomen van omstandigheden zoals hier aan de orde - wat er ook zij van een verschijningsvorm die doet denken aan voorbeelden uit de reeks witwas-typologieën - in dit geval onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met witwassen. Nu het dossier overigens geen op witwassen duidende aanwijzingen bevat die niet door verdachtes werkzaamheden als Hawala-bankier (kunnen) worden verklaard, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over Hawalabankieren? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

  • Greetje Bos, witwasofficier bij het Landelijk Parket
  • Anita van Dis – Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Dirk Timmermans, 010 Strafrecht Advocaten
  • Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. Hij schreef o.a. de bestsellers Hells Angels, motorclub of misdaadbende? (samen met Henk Schutten), De Endstra-tapes en De oorlog in de Amsterdamse onderwereld (samen met Bart Middelburg), en De strijd tegen de Amsterdamse onderwereld. Vugts won met onder meer dat laatste boek de Persprijs Jacques van Veen 2013

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt verdachte voor feitelijk leiding geven aan het niet naleven van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet (oud), begaan door een rechtspersoon

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1288

Bedrijf is sinds 1999 gevestigd in een loods op een bedrijfsterrein. Bedrijf had op 1 juni 2011 elf werknemers in loondienst. De hoofdactiviteit van bedrijf bestaat uit het repareren, ontwikkelen en bouwen van machines (waaronder schaarhoogwerkers) ten behoeve van de boomkwekerij. Slachtoffer was niet in loondienst van bedrijf, maar verrichtte wel werkzaamheden in het bedrijf van bedrijf.

Op 1 juni 2011 verrichtte slachtoffer in de loods van bedrijf werkzaamheden aan een defect ventiel van de nooddaalvoorziening van een in aanbouw zijnde schaarhoogwerker die getest moest worden. slachtoffer had de opdracht gekregen van de chef van de werkplaats, chef werkplaats (hierna: chef werkplaats), om naar het ventiel te kijken en het probleem op te lossen, omdat de werkbak (het hefplateau) van de schaarhoogwerker bleef zakken, terwijl dit niet de bedoeling was.

Het nooddaalventiel, waar een bedieningsknop op zit, dient ertoe om -wanneer geen gebruik kan worden gemaakt van de bedieningsconsole in de werkbak- de werkbak te kunnen laten zakken door aan de knop te trekken. Wanneer de knop losgelaten wordt, is het de bedoeling dat de daalbeweging van de werkbak stopt. Het nooddaalventiel bevindt zich boven het onderstel (het chassis) van de schaarhoogwerker, op de hefcilinder.

Slachtoffer heeft het ventiel uit elkaar gehaald, weer in elkaar gezet en heeft toen, om het nooddaalventiel te testen, aan de bedieningsknop getrokken door zijn arm tussen de scharen door te steken, waarbij hij zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de werkbak bevond. De hoogte van de werkbak bevond zich toen op 40 centimeter van het chassis. Omdat het nooddaalventiel niet goed functioneerde, is de werkbak tijdens het testen blijven zakken en is slachtoffer met zijn hoofd bekneld geraakt tussen het onderstel en de werkbak. Als gevolg daarvan heeft slachtoffer uitgebreid hersenletsel opgelopen waaraan hij is komen te overlijden.

Tijdens het testen van het nooddaalventiel stond de motor van de schaarhoogwerker uit. De hoogwerker was niet drukloos gemaakt. Slachtoffer had geen borging aangebracht tussen de scharen of de chassisbalken en de werkbak van de schaarhoogwerker.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft -naast de in de zaak van bedrijf gevoerde verweren- betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van bedrijf. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Oordeel hof

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Daderschap rechtspersoon

Het hof overweegt ten aanzien van het daderschap van de rechtspersoon het volgende:

Het hof stelt vier punten voorop.

  • Het hof verenigt zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank voor wat betreft de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren. Daarom zal het hof de overwegingen van de rechtbank hierna voor een groot deel overnemen. Daar waar het een aanvulling op de overwegingen van de rechtbank betreft, zal dat expliciet worden aangegeven.
  • Het hof zal de onderhavige zaak en de gevoerde verweren mede beoordelen tegen de achtergrond van de strekking van de Arbowetgeving. De bedoeling van deze wetgeving is dat de werkgever ervoor zorg dient te dragen dat werknemers op een veilige manier hun werk kunnen uitvoeren. De werkgever dient ook preventieve doeltreffende maatregelen te treffen om werknemers veilig te kunnen laten werken.
  • Het hof begrijpt de tenlastelegging zo dat onder ‘doeltreffende maatregelen’ ook dient te worden verstaan het opmaken van een risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) met een bijbehorend plan van aanpak, het houden van toezicht op de door werknemers te verrichten werkzaamheden en het geven van instructies aan werknemers met betrekking tot veiligheid, zodat zij op een veilige manier kunnen werken.
  • Bedrijf is een rechtspersoon. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon conform artikel 51 Sr worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt is dat de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Werkgever en werknemer

Was bedrijf werkgever? De raadsman heeft betoogd dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen bedrijf en slachtoffer en dat daarmee niet gesproken kan worden van een werkgever en werknemer in de zin van de Arbowet. slachtoffer was een zelfstandige in de zin van artikel 1 lid 3 onder k van de Arbowet en bedrijf was opdrachtgever -in de zin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek- in plaats van werkgever.

Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt.

Vast staat dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen bedrijf en slachtoffer als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, sub 1 van de Arbowet, en dat ook geen sprake was van de situatie als bedoeld in dit artikel onder lid 1 onder a, sub 2. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van een werkgever en een werknemer in de zin van de Arbowet.

Een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 1, lid 2 onder a, sub 1 van de Arbowet wordt immers ook aanwezig geacht wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Voor de vraag of daar sprake van is, is ook de feitelijke situatie van belang. Het gegeven dat iemand als zzp’er ergens is komen werken en dat hij in het bezit is van een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) hoeft derhalve niet doorslaggevend te zijn.

Het hof acht op grond van het navolgende bewezen dat tussen bedrijf en slachtoffer sprake was van een gezagsverhouding als hiervoor bedoeld.

Verdachte, bestuurder en vertegenwoordiger van bedrijf, heeft verklaard dat slachtoffer anderhalf jaar in het bedrijf van bedrijf gewerkt heeft. Slachtoffer is daar, als zzp’er, door verdachte aangenomen om een combitrac te bouwen. slachtoffer is toen ‘blijven hangen’. Als het druk was, sprong slachtoffer bij bij andere werkzaamheden. Verdachte of chef werkplaats gaf slachtoffer de opdrachten tot het uit te voeren werk. Op de vraag wie toezicht hield op de werkzaamheden van het slachtoffer en hoe (vaak) dit gebeurde, heeft verdachte geantwoord dat hij regelmatig (’s ochtends en ’s middags) door het bedrijf loopt en dat chef werkplaats de hele dag over de werkplaats loopt vanuit zijn functie. slachtoffer had geen specifieke klus aangenomen. Hij hielp mee. Op de vraag wie opdrachten of werk wijzigde als dat nodig was, heeft verdachte geantwoord dat hij of chef werkplaats te kennen gaf wanneer er iets anders moest gebeuren. slachtoffer werd voor zijn werkzaamheden betaald per uur. Volgens verdachte is er in het begin een uurprijs afgesproken en is dat nooit gewijzigd. slachtoffer werd elke maand betaald op grond van een door hem aan bedrijf gestuurde factuur. Op de vraag wie de werktijden bepaalde heeft verdachte verklaard dat de werknemers officieel werken van 08.00 tot 17.00 uur en dat slachtoffer vaak al om 07.00 uur begon en om 16.00 uur weer vertrok. slachtoffer werkte, volgens afspraak, van maandag tot en met donderdag. Daar vond wel overleg over plaats en zowel verdachte als slachtoffer was daar makkelijk in. Meestal was slachtoffer van maandag tot en met donderdag tussen 07.00 uur en 16.00 uur in het bedrijf aanwezig. Op de vraag wie bepaalde hoe en wanneer het werk gedaan moest worden, heeft verdachte geantwoord dat dit door hem en chef werkplaats bepaald werd. Als er werk was dat meer urgentie had, sprong slachtoffer bij. Als dat niet zo was, werkte hij aan de combitrac. slachtoffer fungeerde als ‘vliegende keep’. De opdracht tot bijspringen werd gegeven door verdachte of chef werkplaats.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat bedrijf het gezag voerde over de werkzaamheden die slachtoffer uitvoerde náást het werken aan de combitrac waarvoor hij in eerste instantie was aangenomen als zzp’er. De reparatiewerkzaamheden aan het nooddaalventiel vonden plaats in het kader van deze werkzaamheden. Op grond daarvan is het hof -met de rechtbank- van oordeel dat bedrijf en slachtoffer ten tijde van het ongeval aan te merken waren als werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a sub 1 en onder b van de Arbowet.

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof dat hetgeen de raadsman ter terechtzitting van het hof tegen voormeld oordeel van de rechtbank heeft ingebracht, voorgaande niet anders maakt.

Werkzaamheden en arbeidsmiddel

De raadsman heeft betoogd dat de werkzaamheden die slachtoffer uitvoerde geen onderhouds- reparatie- of reinigingswerkzaamheden betroffen als bedoeld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit. De werkzaamheden aan een nog niet voltooide machine, waarvan in de onderhavige zaak sprake was, zijn productie- c.q. testwerkzaamheden op welk type werkzaamheden dit artikel niet ziet.

Bovendien is volgens de raadsman geen sprake van een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1 lid 3 sub h van de Arbowet. Bij een arbeidsmiddel moet het gaan om een middel dat bij het verrichten van arbeid wordt gebruikt en daarvan was bij de schaarhoogwerker geen sprake. Die was immers in aanbouw en zou pas na levering aan de klant als arbeidsmiddel voor het productieproces van die klant worden gebruikt. In aanvulling op het bij de rechtbank gevoerde verweer, heeft de raadsman ter zitting van het hof aangevoerd dat voor fabrikanten van machines -naast de Arbowetgeving- ook diverse andere wetten en regels van toepassing zijn, zoals de Machinerichtlijn 2006/42/EG, welke richtlijn in Nederland is verwerkt in de Warenwet en het Warenwetbesluit Machines. Verder heeft de raadsman gesteld dat artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit het tweede lid van dit artikel slechts van overeenkomstige toepassing verklaart op productiewerkzaamheden met of afstelwerkzaamheden aan een arbeidsmiddel.

Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt.

Artikel 1 lid 3 aanhef en onder h van de Arbowet geeft de volgende definitie van het begrip arbeidsmiddel: “alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen.”

Artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit luidt als volgt: “Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.”

Lid 3 van dit artikel luidt: “Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.”

Naar het oordeel van het hof dient het begrip ‘arbeidsmiddel’, gelet op de reeds genoemde strekking van de Arbowetgeving, ruim uitgelegd te worden. Alle op de arbeidsplaats van bedrijf aanwezige machines waarmee of waaraan wordt gewerkt, ook de schaarhoogwerker in de onderhavige zaak, dienen als arbeidsmiddel te worden aangemerkt. Het hof vindt hiervoor steun in hetgeen bepaald is in artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit. Daarin staat onder meer dat lid 2 van overeenkomstige toepassing is op “productiewerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel”.

Zoals reeds in de weergave van de feiten waarvan het hof uitgaat naar voren is gekomen, gaat het in de onderhavige zaak om een schaarhoogwerker in aanbouw. Daarvan werkte het nooddaalventiel niet goed. slachtoffer had de opdracht gekregen om naar dit nooddaalventiel te kijken en het probleem op te lossen. Daartoe heeft hij het ventiel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet. Vervolgens heeft hij willen testen of het probleem ook daadwerkelijk verholpen was. Naar het oordeel van het hof zijn deze werkzaamheden van slachtoffer aan te merken als productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel, zoals bedoeld in artikel 7.5 lid 3 van het Arbobesluit. Gelezen in samenhang met het bepaalde in lid 2 van dat artikel golden ook voor deze werkzaamheden van slachtoffer de daarin genoemde veiligheidsvoorschriften.

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende.

De ter terechtzitting van het hof door de raadsman geponeerde stelling, inhoudende dat het derde lid van artikel 7.5 van het Arbobesluit zo gelezen moet worden dat het tweede lid uitsluitend van overeenkomstige toepassing is op productiewerkzaamheden met of afstelwerkzaamheden aan het arbeidsmiddel -en dus niet op productiewerkzaamheden aan het arbeidsmiddel-, vindt mede gelet op de strekking van de arbeidsomstandighedenwetgeving geen steun in het recht. Voorts stelt het hof vast dat de materie waar het in de onderhavige zaak om gaat niet bestreken wordt door de door de raadsman aangehaalde Machinerichtlijn (2006/42/EG). Dit alles ondersteunt het hof in zijn opvatting dat het begrip arbeidsmiddel extensief dient te worden uitgelegd.

Uitgeschakeld en drukloos

Het hof acht -met de rechtbank- op grond van het navolgende bewezen dat de productiewerkzaamheden aan de schaarhoogwerker werden uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel in aanbouw niet was uitgeschakeld én drukloos gemaakt, terwijl het drukloos maken niet mogelijk was.

Verdachte heeft verklaard dat de schaarhoogwerker ten tijde van de door slachtoffer verrichte handelingen niet drukloos was, omdat deze geheven stond. Het drukloos maken van de schaarhoogwerker was in het kader van de reparatiewerkzaamheden die slachtoffer verrichtte op de door hem gekozen wijze niet mogelijk. Het hof heeft hiervoor immers reeds overwogen dat het testen van het nooddaalventiel onderdeel uitmaakte van (het goed doen uitvoeren van) de reparatie waartoe slachtoffer de opdracht had gekregen. Dat testen was door de gekozen werkwijze alleen mogelijk terwijl de schaarhoogwerker geheven stond.

Doeltreffende maatregelen

De raadsman heeft betoogd dat bedrijf doeltreffende maatregelen heeft genomen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, immers:

  • in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening zijn afbeeldingen aangebracht die waarschuwden voor knellingsgevaar;
  • op de machine was, ook ten tijde van het ongeval, een rode borgpen aanwezig om het ongewild zakken van de hoogwerker tegen te gaan. Deze borgpen kon gebruikt worden in de werkplaats van bedrijf en het was ook een vast gebruik binnen de onderneming om daarvan gebruik te maken;
  • het nooddaalventiel kan worden gerepareerd zonder dat de werknemer zich in de gevarenzone behoeft te begeven;
  • het is een vast gebruik binnen de onderneming van bedrijf dat medewerkers houtblokken (balken) of een steunpoot van metaal plaatsen ter borging bij onderhoudswerkzaamheden.

De raadsman heeft voorts gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 en het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 21 december 2007. In deze arresten wordt aangenomen dat als de medewerker zich had gehouden aan de binnen het bedrijf gangbare werkwijze, het niet aannemelijk was dat het ongeval zich zou hebben voorgedaan. Het ongeval zou zich dus niet hebben voorgedaan wanneer slachtoffer zich aan de veiligheidsvoorschriften en de gangbare werkwijze binnen de onderneming had gehouden. De raadsman heeft bovendien aangevoerd dat de rechtbank bij de verwerping van het verweer ten aanzien van de doeltreffende maatregelen bijna uitsluitend van de verklaring van getuige, een jonge werknemer die pas net in dienst was, is uitgegaan.

Het hof overweegt -met de rechtbank- als volgt.

Met betrekking tot het aanbrengen van afbeeldingen die waarschuwen voor knelgevaar in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening merkt het hof op dat dat op zichzelf geen doeltreffende maatregel is om de daadwerkelijke verwezenlijking van knelgevaar te voorkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven dat zich op de bewuste schaarhoogwerker een sticker bevond die aangaf dat het nooddaalventiel (ook) bereikt kon worden via de onderkant van het onderstel van de hoogwerker. Verdachte heeft dit echter op geen enkele manier weten te onderbouwen. Ook uit het dossier blijkt niet van de aanwezigheid van een dergelijke sticker, noch van een ander stuk waaruit blijkt dat het ventiel ook op deze manier bereikt kon worden. In zoverre is naar het oordeel van het hof geen sprake van een doeltreffende maatregel ter afwending van het knelgevaar.

Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gebruik van de rode borgpen van de schaarhoogwerker en de aanwezigheid binnen het bedrijf van houten balken of metalen steunen als borgmiddel -en het beweerde vaste gebruik binnen het bedrijf van bedrijf om met gebruikmaking van deze middelen te werken- stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van de Arbowet is de werkgever verplicht ervoor zorg te dragen dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsook over de maatregelen die erop gericht zijn die risico’s te voorkomen of te beperken. Tevens is de werkgever verplicht om ervoor zorg te dragen dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Indien er op arbeidsmiddelen beveiligingsmiddelen zijn of kunnen worden aangebracht, moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de manier waarop zij die dienen te gebruiken. De werkgever dient tevens toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de hiervoor genoemde risico’s en dus op het gebruik. Op grond van de Arbowet is de werkgever ook verplicht in een RI&E schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. De RI&E bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico beperkende maatregelen. Van de RI&E dient een plan van aanpak deel uit te maken. Daarin moet aangegeven zijn welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico’s en de samenhang daartussen. Tevens wordt aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. Als de met de RI&E opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven, dient de RI&E aangepast te worden. De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer kennis kan nemen van de RI&E. De werkgever dient over de RI&E en het daarin opgenomen plan van aanpak ook overleg te voeren met (een vertegenwoordiging van) de werknemers.

Met betrekking tot het gestelde vaste gebruik aangaande gebruikmaking van veiligheidsmiddelen binnen het bedrijf van bedrijf overweegt het hof als volgt.

Vast staat dat slachtoffer zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de door hem 40 centimeter geheven werkbak heeft begeven om bij het te repareren ventiel te kunnen komen. Vast staat tevens dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een borging, op welke wijze dan ook. Getuige heeft verklaard dat er normaal gesproken -bij grotere klussen waarbij onder de bak wordt gewerkt- wel iets onder wordt gezet. getuige geeft aan dat borgen wel veiliger is, maar dat het hier ging om een kleine ingreep en dat het bij dergelijke kleine ingrepen meestal gewoon ‘eventjes’ is. Het hof leidt hieruit af dat er op de werkvloer sprake was van een in de praktijk gegroeide manier van werken waarbij bij de kleine(re) klussen -waar ook de werkzaamheden die slachtoffer uitvoerde onder geschaard kunnen worden- niet geborgd werd. Ook het feit dat slachtoffer, die al langere tijd werkzaam was bij bedrijf dan getuige, geen gebruik heeft gemaakt van borging wijst daar op.

getuige, die het ongeval heeft zien gebeuren, heeft voorts verklaard dat chef werkplaats, die ten tijde van het ongeval in het bedrijf toezicht hield, geen opmerkingen heeft gemaakt over de werkwijze (het niet borgen) van slachtoffer. chef werkplaats was ook niet aanwezig tijdens het ongeval zelf. Ook chef werkplaats zelf heeft in zijn schriftelijke verklaring, die is gevoegd bij de in eerste aanleg door de raadsman overgelegde pleitnota, niet aangegeven dat hij toezicht heeft uitgeoefend op de reparatiewerkzaamheden van slachtoffer en ook niet dat hij slachtoffer heeft gewezen op de mogelijke gevaren van reparatiewerkzaamheden aan het nooddaalventiel of dat hij daarbij borging aan moest brengen. Getuige heeft tevens verklaard dat hij sinds

1 mei 2011 werkzaam was bij bedrijf. Toen hij bij bedrijf kwam werken, heeft hij een rondleiding gekregen en kreeg hij te zien welke werkzaamheden hij te doen zou krijgen. Er is daarbij niet specifiek gesproken over veiligheid. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg geantwoord op de vraag wat bedrijf heeft gedaan om ervoor te zorgen dat slachtoffer voldoende instructies gegeven werden om zijn werkzaamheden op een juiste manier te verrichten, dat van slachtoffer, gelet op zijn opleiding en werkervaring, verwacht mocht worden dat hij wist hoe de machines werkten. Tegenover de Inspectie heeft verdachte verklaard dat degene die werkt met een schaarhoogwerker geacht wordt te weten van het gebruik van de borgpen. De chef werkplaats, chef werkplaats, hoort op het gebruik van de pen toe te zien. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat dit door ervaren werknemers werd overgebracht aan de onervaren werknemers bij het leren van de werkzaamheden. Wát daarbij besproken diende te worden was ten tijde van het ongeval en daarvóór niet schriftelijk vastgelegd. Volgens verdachte was het de taak van chef werkplaats om ook ervaren werknemers te blijven wijzen op de veiligste manier van werken. Op de vraag van de Inspectie hoe verdachte toezicht houdt op de werkvloer met betrekking tot veilig werken in het algemeen en machineveiligheid in het bijzonder, heeft hij verklaard dat een onervaren kracht werkt met een ervaren kracht. De ervaren krachten geven uitleg aan de onervaren krachten en zij houden ook de onervaren krachten in de gaten. chef werkplaats en verdachte lopen dagelijks rond en houden een oogje in het zeil. Het toezicht wordt door hen geborgd. Als ervaren medewerker werd op slachtoffer alleen toezicht gehouden door verdachte of chef werkplaats. Op de vraag hoe verdachte instructies/voorlichting geeft met betrekking tot veilig werken en veiligheidsrisico’s, heeft verdachte geantwoord dat er vakliteratuur ter inzage ligt in de kantine en dat er cursussen gevolgd worden. Werknemers kunnen zelf kiezen uit bepaalde cursussen. Een cursus kan ook met veiligheid te maken hebben. Op de vraag hoe door verdachte instructies en voorlichting in zijn arbobeleid worden geborgd, heeft hij verklaard dat er geen vaste regels of tijden voor zijn. Hij kan niet aan de hand van een lijst of anderszins (schriftelijk) aantonen wat wanneer is gebeurd.

De RI&E van bedrijf is opgenomen in het dossier. Deze is niet ondertekend. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat dit wel had gekund als hij de RI&E had uitgeprint, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Voor de opmaak van de RI&E is gebruik gemaakt van een zogenaamd RI&E-instrument, in dit geval de RI&E Metaalbewerking. Weliswaar is het in een kleine onderneming als die van bedrijf gebruikelijk dat gebruik wordt gemaakt van een dergelijk instrument, maar dit laat onverlet dat de RI&E toegespitst dient te zijn op de concrete werkzaamheden en daarmee samenhangende risico’s voor de werknemers binnen de onderneming. Uit de inhoud van de in het dossier opgenomen RI&E volgt dat dit niet is gebeurd. Het bij de RI&E van bedrijf behorende plan van aanpak is in het geheel niet ingevuld. Daarbij staat vermeld dat er geen verbeterpunten zijn. In de RI&E is derhalve niet opgenomen dat het knelgevaar dat bestaat bij het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan (het nooddaalventiel van) een schaarhoogwerker, welk gevaar op het invulblad “risico-inschatting” ten aanzien van het type hoogwerker waar het in deze zaak om gaat ook is aangegeven en gewaardeerd met een 8 op een schaal van 1 -13, beperkt kan worden door het aanbrengen van een borging dan wel anderszins.

Verdachte is door de Inspectie voorgehouden dat in de RI&E is opgenomen dat een preventiemedewerker is benoemd in zijn bedrijf en dat die de arbeidsrisico’s in het bedrijf kent en weet hoe ze te voorkomen. Daarop heeft verdachte verklaard dat hij dat in principe zelf doet en dat er niet iemand is met de taak van een verkapte Arbo coördinator. Omdat verdachte zelf een vinger aan de pols houdt, heeft hij zelf de functie van arbocoördinator. Hij hoopt dus op de hoogte te zijn van alle veiligheidsrisico’s in het bedrijf. Hij heeft ook verklaard dat er binnen zijn bedrijf geen personeelsvertegenwoordiging of ondernemingsraad is, terwijl in de RI&E staat dat het plan van aanpak wel besproken is met de ondernemingsraad dan wel een personeelsvertegenwoordiging. Getuige heeft verklaard dat hij niet weet of bedrijf in het bezit is van een RI&E en plan van aanpak.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bedrijf, hoewel zij daartoe wettelijk verplicht was, heeft nagelaten voldoende toezicht te houden op de in de praktijk door de werknemers verrichte werkzaamheden, daarover voorlichting te geven en een op de praktijk gericht RI&E en plan van aanpak in te vullen en daarover overleg te voeren met (een vertegenwoordiging van) de werknemers. Dat verdachte bij het invullen van de RI&E hulp heeft gehad van een adviseur van de MetaalUnie doet aan het voorgaande niet af. Datzelfde geldt voor het bestaan van een gebruiksaanwijzing van de schaarhoogwerker waarin wel is opgenomen dat werkzaamheden tussen de scharen alleen mogen worden uitgevoerd als de borgpen is gebruikt. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat die gebruiksaanwijzing bedoeld is voor de gebruiker.

Het hof acht het aannemelijk dat, indien bedrijf de hiervoor genoemde verplichtingen wél had nagekomen, de in de praktijk ontstane werkwijze van het niet borgen bij de uitvoering van kleine(re) klussen, zoals de reparatie die slachtoffer verrichtte aan het nooddaalventiel, minder makkelijk had kunnen ontstaan of voortbestaan. Naar het oordeel van het hof heeft bedrijf nagelaten de hiervoor beschreven verplichtingen van de Arbowetgeving -in het bijzonder de voorlichtings- en toezichtsverplichtingen- na te komen. Ook in zoverre heeft bedrijf geen doeltreffende maatregelen getroffen om de door slachtoffer verrichte werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende.

Het beroep dat de raadsman heeft gedaan op de door hem aangehaalde arresten gaat in de onderhavige zaak niet op, nu de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen door bedrijf juist niet zijn voorgeschreven. De in de onderneming van bedrijf ten tijde van het ongeval gangbare werkwijze, die derhalve gebrekkig was, bracht juist gevaar met zich mee.

Met betrekking tot de door getuige afgelegde verklaring overweegt het hof nog als volgt. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat getuige nog niet langere tijd binnen de onderneming van bedrijf werkzaam was niet met zich brengt dat de door hem afgelegde verklaring over wat hij heeft waargenomen met betrekking tot het ongeval en de manier waarop binnen het bedrijf werd gewerkt, ongeloofwaardig en onbetrouwbaar is. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van getuige te twijfelen.

Opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat, naar analogie van het leerstuk van voorwaardelijk opzet, niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat een bepaalde situatie bewust is of werd aanvaard, zoals de rechtbank heeft gedaan. Nergens blijkt uit dat bedrijf de gevaarzettende of gevaarvolle situatie bewust heeft genegeerd dan wel dat zij bewust geen actie heeft ondernomen om de situatie te verbeteren. De verboden gedraging kan daarmee niet aan bedrijf worden toegerekend.

Het hof is van oordeel dat bedrijf wist dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer van haar werknemers te verwachten was door het achterwege blijven van doeltreffende maatregelen. Binnen de rechtspersoon waren diverse (leidinggevende) functionarissen bekend met het knelgevaar bij werkzaamheden aan de schaarhoogwerker. Zoals eerder overwogen waren onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen om het knelgevaar weg te nemen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Voorts heeft verdachte tegenover de inspectie verklaard dat het gevaar, bij het niet gebruiken van de borgpen bij service en onderhoud en het laten zakken van de werkbak is dat degene die het onderhoud verricht, bekneld raakt. Verder staat, zoals hiervoor al is overwogen, in de RI&E van bedrijf opgenomen dat er een latent gevaar bestaat dat lichaamsdelen bekneld raken tussen het schaarmechanisme of tussen de schaar en de onderwagen met als gevolg onder meer de dood/ernstig letsel, waarbij het risico daarop is gewaardeerd met een ‘8’ op een schaal van 1 tot en met 13”. Daarmee staat vast dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers te verwachten was. Niettemin liet bedrijf de werkzaamheden in kwestie verrichten.

Toerekening aan bedrijf als rechtspersoon

Het hof is, met de rechtbank, op basis van al het voorgaande van oordeel dat de verboden gedraging ook aan bedrijf kan worden toegerekend. Daartoe leidt ook de beoordeling van de één of meer van de navolgende omstandigheden waaronder van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon sprake zal kunnen zijn en die in het voorgaande zijn vermeld.

Ad 1. Het hof stelt vast dat chef werkplaats, werkzaam in de onderneming van bedrijf, aan slachtoffer de opdracht had gegeven om werkzaamheden te verrichten aan het defecte ventiel van de nooddaalvoorziening van de schaarhoogwerker, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit.

Ad 2 en 3. De hoofdactiviteit van bedrijf bestaat uit het repareren, ontwikkelen en bouwen van machines (waaronder schaarhoogwerkers) ten behoeve van de boomkwekerij. Het repareren van een schaarhoogwerker past dus binnen de normale bedrijfsvoering van bedrijf en is de rechtspersoon dienstig geweest in het bedrijf van de rechtspersoon.

Ad 4. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat -zoals uit de bewijsoverwegingen blijkt- bedrijf erover vermocht te beschikken of de gedraging -kort gezegd: de situatie waarvan zij redelijkerwijs had moeten weten dat deze gevaarlijk was- al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Door bedrijf is niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van gevaar. Zo was er binnen de onderneming van bedrijf onvoldoende aandacht besteed aan de RI&E, nu deze niet was ondertekend en het bijbehorende plan van aanpak in het geheel niet was ingevuld, terwijl een plan van aanpak wel deel van een RI&E dient uit te maken. Voorts zijn geen instructies met betrekking tot veiligheid gegeven aan slachtoffer en werd, ten tijde van het ongeval, geen toezicht op slachtoffer uitgeoefend. slachtoffer werd er ook niet op gewezen dat hij van een borgpen gebruik had moeten maken. Nu door bedrijf onvoldoende doeltreffende maatregelen zijn genomen om het gevaar te voorkomen, heeft zij niet die zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de verboden gedraging.

Per saldo is het hof van oordeel dat de bijdrage die bedrijf heeft geleverd aan de verboden gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is verricht en dat deze dient te worden toegerekend aan bedrijf.

Feitelijke leiding geven

Van feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen kan onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris -hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden- maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de zojuist bedoelde functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.

Het hof acht bij toepassing van deze maatstaven op grond van de vermelde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte door met eigen wetenschap van het gevaar achterwege te laten dat doeltreffende beveiligingsmaatregelen werden getroffen -waartoe hij als bestuurder, toezichthouder en arbocoördinator zonder meer bevoegd en redelijkerwijs gehouden was- bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bedrijf arbeid liet verrichten zonder doeltreffende veiligheidsmaatregelen te treffen terwijl bedrijf wist dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer van haar werknemers te verwachten was. Verdachte wordt daarmee geacht opzettelijk de verboden gedragingen te hebben bevorderd.

Bewezenverklaring

Niet naleven van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet (oud), begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Het hof merkt ten aanzien van de strafoplegging allereerst het volgende op. Het hof heeft geconstateerd dat het strafbaar feit van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet ten tijde van het feit een misdrijf opleverde, met een maximale strafbedreiging van twee jaar gevangenisstraf en een geldboete van de vierde categorie. Als gevolg van een wetswijziging levert het feit thans, als het feit opzettelijk is begaan, een misdrijf op en wordt het bedreigd met een strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf en een geldboete van de vierde categorie. In het andere geval -als het feit niet opzettelijk is begaan- is er sprake van een overtreding, met een maximale strafbedreiging van één jaar hechtenis en geldboete van de vierde categorie. In dit geval zou daarmee sprake zijn van een verhoging van het maximum van de vrijheidsstraf als het feit opzettelijk is begaan (van twee jaar naar zes jaar) terwijl de geldboetecategorie dezelfde is gebleven, maar -in het andere geval- van een voor de verdachte gunstiger maximum van de vrijheidsstraf (van twee jaar gevangenisstraf naar één jaar hechtenis) terwijl de geldboetecategorie dezelfde is gebleven. Voor de strekking van deze wijziging verwijst het hof naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2011-212, 33 207, nr. 3, p. 49).

Bij toepassing van de rechtspraak van de Hoge Raad voor dit soort gevallen, acht het hof op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen bewezen dat het feit opzettelijk is begaan. Dat betekent dat de nieuwe strafbepaling voor verdachte niet gunstiger is, zodat het hof de oude strafbepaling toepast. Overigens zou het hof niet tot een andere strafoplegging zijn gekomen als het anders was.

bedrijf, het bedrijf van verdachte, heeft nagelaten om doeltreffende maatregelen te nemen conform artikel 32 van de Arbowet. Het gevaar heeft zich in die zin verwezenlijkt dat een werknemer, ten tijde van het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan een nooddaalventiel van een schaarhoogwerker, met zijn hoofd bekneld is geraakt tussen de werkbak en het onderstel en daardoor is komen te overlijden. Dit zal bij de nabestaanden van het slachtoffer onvoorstelbaar veel leed hebben veroorzaakt.

bedrijf is in ernstige mate tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar werknemers bij het uitvoeren van de aan hen opgedragen werkzaamheden. bedrijf heeft zowel in dit geval als in het algemeen niet alleen nagelaten voldoende toezicht te houden op de werkzaamheden en de daarmee verband houdende gevaren voor de werknemers op de werkvloer, maar ook om daarover voldoende voorlichting te geven en de RI&E daarop toe te spitsen. Het bij de RI&E behorende plan van aanpak was in het geheel niet ingevuld, noch werd over beide overleg gevoerd met (een deel van) de werknemers. Met name deze laatste punten zijn een essentieel onderdeel voor het voeren van een goed arbeidsomstandighedenbeleid. Werknemers moeten erop kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met hun werkzaamheden te waarborgen.

Als enig bestuurder, mede-toezichthouder en arbocoördinator was verdachte verantwoordelijk voor het naleven van deze verplichtingen, hetgeen hij heeft nagelaten.

Het hof heeft -anders dan de rechtbank- echter niet de indruk gekregen dat verdachte onverschillig tegenover het ongeval staat noch dat hij weinig blijk heeft gegeven van verantwoordelijkheidsgevoel.

Lees hier de volledige uitspraak.

De betrokken rechtspersoon wordt voor het niet naleven van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet (oud) veroordeeld tot een geldboete van 18.000 euro.

Verdachte heeft nagelaten om doeltreffende maatregelen te nemen conform artikel 32 van de Arbowet. Het gevaar heeft zich in die zin verwezenlijkt dat een werknemer, ten tijde van het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan een nooddaalventiel van een schaarhoogwerker, met zijn hoofd bekneld is geraakt tussen de werkbak en het onderstel en daardoor is komen te overlijden. Dit zal bij de nabestaanden van het slachtoffer onvoorstelbaar veel leed hebben veroorzaakt.

Verdachte is in ernstige mate tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar werknemers bij het uitvoeren van de aan hen opgedragen werkzaamheden. Verdachte heeft zowel in dit geval als in het algemeen niet alleen nagelaten voldoende toezicht te houden op de werkzaamheden en de daarmee verband houdende gevaren voor de werknemers op de werkvloer, maar ook om daarover voldoende voorlichting te geven en de RI&E daarop toe te spitsen. Het bij de RI&E behorende plan van aanpak was in het geheel niet ingevuld, noch werd over beide overleg gevoerd met (een deel van) de werknemers. Met name deze laatste punten zijn een essentieel onderdeel voor het voeren van een goed arbeidsomstandighedenbeleid. Werknemers moeten erop kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met hun werkzaamheden te waarborgen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^