Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen: geen sprake van beroepsmatig rechtsbijstand verlenen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “Voor het motorrijtuig van 3500 of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 8 maart 2013 met het voertuig met het kenteken.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Overijssel genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld.

Door de toepassing van de verbalisantcode 404040 is niet vast te stellen dat de sanctie is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV (ECLI:NL:GHARL:2014:1236).

Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is op- gelegd, niet in stand kan blijven.

Artikel 20d, vierde lid, juncto artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, WAHV verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) van overeen- komstige toepassing. Derhalve zal het hof het kostenverzoek beoordelen aan de hand van de genoemde regeling.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten be- stuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

  1. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
  2. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
  3. reis- en verblijfkosten van een partij,
  4. verletkosten van een partij,
  5. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
  6. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van in- komen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt.

Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechts- bijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet spra- ke is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hogere straf in hoger beroep voor verduistering verzekeringsgeld en witwassen

Voor verduistering van verzekeringsgelden en witwassen van die gelden is een 69-jarige man in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Dit heeft het gerechtshof Amsterdam vandaag beslist. Tevens heeft het hof zijn gevangenneming gelast. De rechtbank veroordeelde de verdachte wegens oplichting en witwassen tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde hoger beroep in. De verzekeringsgelden waren bestemd voor slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de Westfriese Flora in 1999.

Hogere straf

Het OM eiste in hoger beroep een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf van 200 uur. De door de rechtbank opgelegde en de door het OM gevorderde straffen doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof komt dan ook tot oplegging van een hogere straf waarbij tevens rekening is gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude.

Verduistering

Tijdens de 66e Westfriese Flora in Bovenkarspel in februari 1999 ontsnapte nevel uit de whirlpool van de rechtspersoon van de verdachte. Een aantal bezoekers werd tijdens het bezoek besmet met de legionellabacterie. De besmetting kostte 32 mensen het leven en maakte ruim 200 mensen ziek. De verdachte ontkent dat de ontsnapte nevel uit zijn whirlpool de oorzaak is geweest van de legionellabesmetting. Tijdens de Flora was de verdachte verzekerd voor het risico van aansprakelijkheid bij een schadeverzekeringsmaatschappij. De verzekeraar stelde € 453.780,- beschikbaar ten gunste van de nabestaanden en slachtoffers en maakte dit bedrag vermeerderd met een vergoeding voor kosten rechtsbijstand en rentevergoeding, in totaal € 577.724,11, aan hem over. De verdachte vindt dat er naar zijn oordeel niets te bewijzen valt en keert daarom niet uit aan de nabestaanden en slachtoffers. Hij wendt het geld aan in strijd met de met de verzekeraar gemaakte afspraken. Het hof is van oordeel dat hij zich door het toe-eigenen van het overgemaakte geld schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Witwassen

Vrijwel onmiddellijk nadat hij het geld van de verzekeraar heeft ontvangen, heeft hij het totale bedrag in delen naar andere aan hem toebehorende bankrekeningen overgeboekt. In de periode vanaf november 2002 heeft hij deze bedragen vervolgens diverse keren tussen zijn bankrekeningen bij verschillende banken heen en weer geboekt en privéuitgaven en opnames verricht. Uiteindelijk blijkt dat het oorspronkelijke geldbedrag afkomstig van de verzekeraar, nadat dit is vermengd met privégelden of gelden van verschillende aan de verdachte toebehorende bedrijven, niet meer op enig te achterhalen rekening aanwezig is. Hij heeft  ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat het totale geldbedrag weg is en dat geen enkele uitkering is gedaan aan slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de West-Friese Flora in 1999.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om het overgemaakte geldbedrag veilig te stellen door dit via zijn rekeningen over te boeken en uitgaven en opnamen te doen. Hij heeft hij dit geldbedrag niet slechts voorhanden gehad, maar zijn gedragingen waren (kennelijk) ook gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de herkomst van dit geldbedrag. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Print Friendly and PDF ^

Ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van de minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:2758 (gepubliceerd op 6 juni 2014)

Het betreft hier een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen een op 14 december 2004 gelegd beslag.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 26 september 2002 is erflater overleden. Bij testament heeft erflater zijn minderjarig kind als enig erfgenaam aangewezen. Na een daartoe strekkend verzoek van wettelijk vertegenwoordigster is door de Rechtbank te Maastricht bij beschikking van 24 september 2003 vastgesteld dat erflater ook de vader is van haar kind (klager). Op grond daarvan is in de “akte van erfrecht en volmacht” van 3 februari 2004, opgemaakt door de notaris, opgenomen dat de beide kinderen ieder voor de helft erfgenaam van erflater zijn.

Erflater heeft een vermogen van 874.874,99 euro nagelaten. Dit bedrag staat op een derdengeldrekening van voornoemde notaris. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het vermogen van erflater een criminele herkomst heeft. Op grond daarvan heeft het op 14 december 2004 ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster van ieder van de beide minderjarige kinderen onder de notaris strafvorderlijk beslag doen leggen. Het openbaar ministerie heeft daartoe gesteld dat de beide wettelijke vertegenwoordigsters zich door aanvaarding van de erfenis schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr. Het beslag is gelegd met het oog op een eventuele op te leggen verbeurdverklaring, geldboete of maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in of naar aanleiding van een strafzaak tegen de wettelijke vertegenwoordigsters.

De beoordeling

Het gaat hier om een beslag in de zin van artikel 94 Sv dat is gelegd onder een notaris ten laste van de wettelijke vertegenwoordigster op een vordering die de minderjarige erfgenaam op de notaris heeft tot betaling van het geldbedrag dat hem uit hoofde van zijn erfdeel toekomt, met het oog op de mogelijke verbeurdverklaring in een tegen de wettelijke vertegenwoordigster in te stellen strafprocedure, alsmede om een beslag in de zin van artikel 94a Sv. In het geval dat een derde/niet-beslagene – hier de minderjarige klager – zich daartegen keert, stellende dat het zijn vordering is, dient de rechter die over het beslag heeft te oordelen, na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als rechthebbende van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt. Indien dat het geval is, dient het vorderingsrecht van de klager te worden gerespecteerd.

Dat is slechts anders als zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr of een van de gevallen genoemd in artikel 94a, derde en vierde lid Sv.

Gelet op de tekst van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv is bepalend op welk moment klager geacht kan worden de nalatenschap van zijn vader te hebben verkregen en voorts of hij op dat moment, kort gezegd, bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat deze nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Het moment van verkrijging van de nalatenschap door klager moet naar het oordeel van het hof worden gesteld op 24 september 2003. Dit is de datum van de beschikking van de rechtbank Maastricht waarbij in het kader van een vaderschapsaktie door de rechtbank is bepaald dat erflater de vader van klager is. Door deze uitspraak heeft klager erfrechtelijke aanspraken op de nalatenschap van erflater verworven. Dat deze aanspraken krachtens bepalingen van erfrecht terugwerken tot de datum van overlijden van erflater doet aan deze verwerving op 24 september 2003 niet af.

Ter zitting van het hof is klager gehoord. Uit hetgeen hij het hof heeft verklaard omtrent zijn bekendheid/wetenschap met de herkomst van de door hem ontvangen erfenis noch uit andere processtukken is af te leiden dat hij voor 24 september 2003 bekendheid c.q. wetenschap had of kon hebben dat de nalatenschap of delen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a Sr en de artikelen 94, tweede lid en artikel 94a, derde en vierde lid Sv niet kan worden voldaan dient het beklag gegrond te worden verklaard en dient klagers erfdeel in de nalatenschap van zijn vader aan klager te worden teruggegeven.

Het hof verklaart het beklag gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

De verdachte heeft in een periode van ruim twaalf maanden twee ton gestolen van zijn werkgever, een scholengemeenschap

Gerechtshof Den Haag 6 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1870

De verdachte is op 1 november 2006 in dienst getreden van de Openbare Scholengemeenschap A, ressorterend onder Stichting B in de functie van hoofd administratie en beheerde de financiële boekhouding van de school. De verdachte was tezamen met de aangever C, een adjunct-directeur van de school, geautoriseerd tot het doen van overboekingen en betalingen.

De school had vijf bankrekeningen, waaronder een Postbankrekening, een rekening bij de Bank der Nederlandse Gemeenten (BNG) en een rekening bij de Fortisbank met nummer nummer bankrekening. In de periode van 3 januari 2007 tot en met 16 februari 2008 is met de bankpas nummer 017, toebehorende aan de adjunct-directeur en behorende bij de rekening van de Fortisbank, een bedrag van € 206.850,- gepind van de Fortis bankrekening van de school. In totaal is 159 keer gepind, bijna iedere keer een bedrag van € 1.250,- per opname.

De verdachte heeft vanaf de Postbankrekening en de BNG-rekening bedragen, telkens tussen 9.500 en 25.000 euro, overgeboekt naar de Fortis-rekening.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de pinpas met nummer 017 en het briefje waarop de daarbij behorende pincode stond op enig moment in de kluis van de school heeft gezien, vloeit voort dat hij toegang heeft gehad tot deze pinpas en daarbij behorende pincode.

Voorts constateert het hof dat de adressen waar de pinopnames hebben plaatsgevonden, onder andere in Spijkenisse, Ridderkerk, Rhoon, Rotterdam en Middelburg, passen bij locaties waar de verdachte in zijn privéleven kwam, te weten zijn woonplaats gemeente U, het adres van zijn schoonouders aan de adres V in de gemeente W en in de periode van 4 tot en met 23 augustus 2007 zijn vakantie-adres in provincie X, alsmede bij de route van zijn woonplaats gemeente U naar de school in gemeente Y.

Bovendien blijkt uit de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte in de periode van 3 januari 2007 tot en met 1 maart 2008 dat deze gegevens overeenkomsten vertonen met de locaties waar de pinopnames hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van de verdachte op die locaties geen enkele keer uitsluiten. Daarbij hecht het hof bijzondere waarde aan de opnames die in gemeente Z hebben plaatsgevonden, in een periode waarin de verdachte in provincie X op vakantie was, waarbij opvalt dat op de voorlaatste dag van de vakantie is gepind in gemeente V, welk gegeven verklaarbaar is gezien de verklaring van de verdachte dat hij vóór het einde van de vakantie een keer op en neer is gereden naar huis om alvast spullen weg te brengen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het patroon van de overschrijvingen van de BNG-rekening en de Postbankrekening naar de Fortis-rekening correspondeert met het patroon van de pinopnames.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen bedragen kon overboeken zonder goedkeuring van de adjunct-directeur, vindt naar het oordeel van het hof alleen daarom al geen steun in het dossier, nu de verdachte zelf ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij op eigen initiatief de BNG-rekening heeft afgeroomd naar de Fortis-rekening en dat de adjunct-directeur hier achteraf goedkeuring voor heeft gegeven. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op deze verklaring is teruggekomen, kan hieraan niet afdoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de adjunct-directeur heeft verklaard dat deze overschrijvingen (en de pinopnames) zonder zijn goedkeuring zijn geschied.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts aangevoerd dat andere personen niet kunnen worden uitgesloten als pleger van het tenlastegelegde feit. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier evenwel geen aanknopingspunten voor de stelling dat andere personen dan de verdachte het ten laste gelegde hebben begaan.

Voorts heeft de verdediging in aanvulling op de pleitnotities nog betoogd dat de verdachte een alibi heeft voor de pintransactie op 14 september 2007, omdat hij die dag van 14.00 uur tot 15.30 uur een overleg had met dhr. betrokkene D. Het hof acht niet aannemelijk dat dit overleg is doorgegaan, gelet op de verklaring van de getuige getuige E, inhoudende dat dit gesprek wel gepland was, maar niet tussen deze tijdstippen heeft kunnen plaatsvinden aangezien dhr. betrokkene D op deze tijdstippen andere bezigheden had.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte zonder dat hij daartoe was gerechtigd pinopnames heeft verricht.

Bewezenverklaring

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt taxateur wegens het valselijk opmaken en afleveren van een taxatierapport. Verwerping verweer specialis artikel 69 lid 4 AWR.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4319

Ontvankelijkheid OM

De verdediging heeft betoogd dat gelet op artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor feit 2 (het hof begrijpt: het ten laste gelegde feit na en/of) nu er sprake is van – kort gezegd - het gebruik maken van een vals stuk dat onder meer zou dienen als grondslag voor de overdrachtbelasting.

Het hof overweegt hieromtrent dat het vierde lid van artikel 69 AWR bepaalt dat strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Sr is uitgesloten indien een feit zowel valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR, als onder die van artikel 225, twee lid, Sr. Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid, AWR. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.

Feiten

De belastingdienst heeft in het kader van de landelijke actie “Nokvorst” uit de kadastergegevens aangaande aan- en verkopen vastgoed een opvallende transactie door betrokkene 1 geselecteerd voor onderzoek vanwege een hoog prijsverschil. Het betreft de juridische verkrijging door betrokkene 1 in privé op 21 april 2005 van percelen grond aan de adres in de ‘locatie’ te plaats waarbij die grond werd gewaardeerd op € 2.200.000 en de verkoop ervan op 29 december 2005 aan een besloten vennootschap van betrokkene 1 voor een bedrag van € 8.260.000.

Op verzoek of in opdracht van betrokkene 1 is ten aanzien van de bovengenoemde percelen een aantal taxatierapporten opgemaakt en wel op 1 juli 2003, 13 april 2005, 1 december 2005 en 2 december 2005.

In het taxatierapport d.d. 1 juli 2003, opgemaakt door onder andere verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 7.620.000.

In het – in de tenlastelegging genoemde – taxatierapport d.d. 13 april 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 2.200.000.

In het taxatierapport d.d. 1 december 2005, opgemaakt door betrokkene 2 van bedrijf (bij welke onderneming deze opdracht via verdachte was bin- nengekomen), is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.260.000.

In het taxatierapport d.d. 2 december 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.285.000.

De rechtbank en de advocaat-generaal zijn van oordeel dat verdachte het taxatierapport vals heeft opgemaakt, omdat de waarde van € 2.200.000 te laag is, gelet op de waarden in de andere rapporten en gelet op het feit dat een waardestijging vanaf 2003 in de lijn der verwachting zou liggen, gezien de stand van zaken in het besluitvormingsproces inzake de realisering van bouwmogelijkheden op de grond in de locatie op dat moment.

De verdediging heeft betoogd dat de verschillen tussen de rapporten verklaarbaar zijn omdat andere uitgangspunten zijn gehanteerd. De rapporten van juli 2003 en december 2005 betreffen taxaties onder bijzondere aannames, uitgaande van een toekomstig (bebouwings)scenario. De taxatie van 13 april 2005 is de enige taxatie waarin reëel naar de waarde van het perceel op die datum is gekeken, aldus de verdediging.

Met de verdediging gaat het hof er van uit dat de taxaties van juli 2003 en december 2005 taxaties onder bijzondere aannames betreffen, waarbij bepaalde risico’s zijn geëlimineerd. Dat betekent in casu dat in die rapporten ervan uit is gegaan dat op het perceel zeker bebouwing gaat plaatsvinden en wel binnen een bepaalde termijn. Het hof gaat er - eveneens met de ver- dediging - van uit dat het taxatierapport van 13 april 2005 een waardering naar de waarde in het economisch verkeer is zonder eliminatie van bedoelde risico’s.

Het hof is echter anders dan de verdediging van oordeel dat, ook als er van wordt uitgegaan dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, de waarde genoemd in het rapport van 13 april 2005 on- verklaarbaar laag is. Het enorme verschil tussen de door verdachte gedane taxaties van € 2.200.000 op 13 april 2005 en € 8.285.000 op 2 december 2005 kan niet uitsluitend worden verklaard door de eliminatie van de risico’s in het rapport van 2 december 2005. De percelen moeten naar het oordeel van het hof in april 2005 aanzienlijk meer waard zijn geweest dan € 2.200.000. Dat wordt bevestigd door het taxatierapport van de belastingdienst van 16 januari 2009. In dat rapport is de waarde in het economisch verkeer van de percelen per 21 april 2005 geschat op € 6.800.000. Dat is naar het oordeel van het hof een meer realistische waardering van de percelen grond. Het vorenstaande kan, in samenhang bezien met de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen, tot geen andere conclusie leiden dan dat waarde van € 2.200.000, opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en dat het rapport in zoverre opzettelijk valselijk is opgemaakt.

Bewezenverklaring

  • valsheid in geschrift
  • opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van taxateur opzettelijk een taxatierapport valselijk opgemaakt. In dat rapport is een waarde van de in de tenlastelegging genoemde percelen opgenomen die veel lager is dan de werkelijke waarde. Verdachte wist dat zijn taxatierapport gebruikt zou worden door de notaris voor de juridische levering aan betrokkene 1 en ter bepaling van de hoogte van de overdrachtsbelasting. Mede door toedoen van verdachte is de belastingdienst benadeeld voor een bedrag in de orde van grootte van € 250.000 aan overdrachtsbelasting. Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zowel in een (register)- taxateur als in taxatierapporten moet kunnen worden gesteld. Het hof rekent dat verdachte zwaar aan. In beginsel zou een dergelijk handelen moeten leiden tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis- straf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^