Belastingfraude met overdracht van effectenportefeuille en valselijk opgemaakte geconsolideerde jaarrekening

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:348

Verdachte heeft in 2001 zijn privé effectenportefeuilles overgedragen aan Safe BV, een dochteronderneming van een holding waarvan verdachte directeur/enig aandeelhouder was. Verdachte heeft hierbij in strijd met de waarheid een andere datum van overdracht vermeld waardoor hij en de holding belastingtechnisch een zeer groot voordeel konden genieten. Om deze constructie sluitend te maken heeft hij de geconsolideerde jaarstukken van de holding valselijk opgemaakt. Verdachte is daarbij tegen de adviezen van zijn banken, adviseurs en accountants ingegaan. Strafrechtelijk gezien heeft verdachte met deze handelwijze belastingfraude en valsheid in geschrift gepleegd.

In het proces-verbaal van de FIOD-ECD is berekend dat verdachte door de onjuiste aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting in totaal € 1.180.054 te weinig belasting heeft betaald.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege:

Ad a (het onjuist verbaliseren van de ING-tapes en het bewust aanleveren door het openbaar ministerie van een incompleet dossier)

De verdediging stelt op grond van hetgeen in het preliminair verweer ter terechtzitting van 21 november 2012 is aangevoerd en in de pleitnota is herhaald, dat met betrekking tot de ING tapes sprake is van een bewust onjuiste verbalisering. Niet alleen is de verbalisering met betrekking tot de uitwerking onjuist maar bovendien blijkt het relaas omtrent de bemoeienis van de officier van justitie onjuist te zijn. Daarnaast stelt de verdediging dat door de FIOD zeer relevante telefoongesprekken van verdachte met een medewerker van de ING niet zijn uitgewerkt en voor verdachte relevant ontlastend materiaal buiten het proces-verbaal van de FIOD is gehouden.

Daarnaast stelt de verdediging dat controle door de verdediging of door de FIOD alle voor verdachte relevante en ontlastende stukken aan het dossier zijn toegevoegd, niet meer mogelijk nu een deel van de bewijsmiddelen is geretourneerd dan wel spoorloos is verdwenen.

Oordeel Hof

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier en met name het proces-verbaal, zoals bij de aanvang van het hoger beroep aan het hof is overgelegd, niet geheel voldeed aan de eisen die daaraan uit het oogpunt van waarheidsvinding gesteld mogen worden. Het hof denkt hierbij aan het niet volledig uitwerken van de ING-tapes en het geven van een samenvatting van één van de gesprekken (23 maart 2001) uit de ING-tapes die niet (geheel) overeenkwam met de inhoud van dat gesprek.

Echter, anders dan door de verdediging betoogd, leidt dit naar het oordeel van het hof niet tot een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bij de regiezitting van het hof in deze zaak op 21 november 2012 heeft de verdediging het hof gewezen op de onvolkomenheden in het procesdossier. Bij tussenarrest van 5 december 2012 heeft het hof gelast dat de alle ING-tapes verbatim dienen te worden uitgewerkt. Voorts is de verdediging in staat gesteld om getuigen omtrent de gang van zaken met betrekking tot de verkrijging en uitwerking van de ING-tapes te horen. Alle tapes en de verbatim uitwerking daarvan maken nu onderdeel uit van het dossier. Zo er al sprake zou zijn van schending van strafvorderlijke voorschriften in het vooronderzoek, dan is verdachte daardoor niet in zijn belang geschaad nu deze gebreken in hoger beroep zijn hersteld.

Het is het hof niet gebleken noch is anderszins aannemelijk geworden dat door de FIOD bewust bescheiden aan het dossier zijn achtergehouden.

De feiten en omstandigheden die de verdediging aanvoert voor het standpunt dat de uitwerking van de ING-tape van 23 maart 2001 bewust valselijk is opgemaakt, kunnen naar het oordeel van het hof die conclusie niet staven. Het hof is het voorts niet gebleken dat de onjuistheden in de uitwerking van de gesprekken doelbewust zijn gemaakt. Dit onderdeel van het verweer wordt verworpen.

Door de verdediging is voorts gesteld dat controle of door de FIOD alle voor verdachte relevante en ontlastende stukken aan het dossier zijn toegevoegd niet meer mogelijk is nu een deel van de bewijsmiddelen is geretourneerd dan wel spoorloos is verdwenen. Dat door de retournering van bescheiden mogelijk ontlastend materiaal niet in het dossier is opgenomen kan in beginsel niet worden uitgesloten, maar naar het oordeel van het hof heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de door de raadsman bedoelde bescheiden van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de uitwerking van de telefoontapes van de ING door de FIOD op belangrijke onderdelen niet juist is weergegeven, zodat deze weergave ter zijde dient te worden gesteld.

Het hof verwerpt dit verweer. Ook door het hof zijn deze tapes beluisterd. Met de verdediging is het hof eens, dat de weergave van de gesprekken op sommige onderdelen niet (geheel) overeenkomt met hetgeen op de tapes besproken wordt, maar het betreffen afwijkingen die zeker niet cruciaal zijn voor het bewijs en welke onjuiste weergaven mede te verklaren zijn door de kwaliteit van de tapes en de wijze waarop de gesprekken tussen verdachte en de medewerker van ING zijn gevoerd.

Ad b. (schending van het nemo teneteur beginsel)

De verdediging stelt zich, onder verwijzing naar hetgeen in het preliminair verweer ter terechtzitting van 21 november 2012 is aangevoerd en onder verwijzing naar het arrest Chambaz van het EHRM van 5 april 2012, op het standpunt dat de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte te vervolgen volledig is gebaseerd op de resultaten van een op artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gebaseerd onderzoek van belastingaangiften. Zonder van de op grond van dat artikel verkregen gegevens en verklaringen gebruik te maken, had tegen verdachte geen rechtmatige verdenking kunnen ontstaan.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de aldus onrechtmatig in het onderzoek ingebrachte bescheiden van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Oordeel Hof

De stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie op grond van informatie verkregen op de voet van artikel 47 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen niet tot vervolging mag overgaan, vindt geen steun in de wet. In gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, mag wilsafhankelijk materiaal niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

Het hof kan niet geheel uitsluiten dat het strafrechtelijk onderzoek dat tegen verdachte is opgestart voor een gering deel is gebaseerd op materiaal dat afhankelijk van de wil van verdachte is verkregen. Het hof is echter op basis van de processtukken, het onderzoek ter terechtzitting en de daarbij door de verdediging ingebrachte bescheiden van oordeel dat het strafrechtelijk onderzoek niet uitsluitend of grotendeels is gestart op basis van wilsafhankelijk materiaal.

Het hof wijst er hierbij op dat door verdachte zelf, voorafgaand aan het strafrechtelijk onderzoek, vrijwillig stukken zijn gestuurd aan de Belastingdienst.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet gesteld kan worden dat doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak, zodat een niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie niet aan de orde is.

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat door de belastingplichtige onder dwang is verstrekt. Daarnaast blijkt uit het dossier dat veel bescheiden bij derden zijn opgevraagd of door verdachte zelf of namens verdachte door zijn accountants/adviseurs vrijwillig aan de belastingdienst zijn overgelegd.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het mogelijk verstrekken van wilsafhankelijk materiaal dient te leiden tot bewijsuitsluiting, zoals ook door de verdediging subsidiair is betoogd.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Ter terechtzitting van 21 november 2012 heeft de verdediging het betoog van bewijsuitsluiting voor het eerst aan de orde gesteld. Op verzoek van het hof heeft de verdediging vervolgens op 18 december 2012 een lijst overgelegd van stukken die naar het oordeel van de verdediging van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Op 21 november 2012 heeft de verdediging ook verzocht om toevoeging van de stukken uit de fiscale procedure. Bij tussenarrest van 5 december 2012 heeft het hof de stukken uit de fiscale procedure aan het dossier toegevoegd.

Het hof heeft de lijst van 18 december 2012 vergeleken met de door de verdediging ingebrachte fiscale stukken. Uit deze vergelijking blijkt dat behoudens het in lijst genoemde verslag van 28 januari 2005 tussen vertegenwoordigers van de belastingdienst en verdachte en getuige 2, alle andere genoemde bescheiden deel uitmaken van het door verdachte vrijwillig in het proces ingebrachte fiscale stukken. Zo al het door de verdediging genoemde materiaal van bewijs zou moeten worden uitgesloten is het nadien door de verdediging zelf weer in het geding gebracht. Deze bescheiden zijn voor het bewijs bruikbaar.

Ad c. (schending van het gelijkheidsbeginsel en willekeur)

De verdediging stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar hetgeen in het preliminair verweer ter terechtzitting van 21 november 2012 is aangevoerd, dat door de beslissing van het openbaar ministerie de zaken tegen de adviseurs van verdachte wegens gebrek aan bewijs te seponeren en de zaak tegen verdachte te vervolgen het gelijkheidsbeginsel is geschonden en is gehandeld in strijd met het verbod op willekeur. Dit klemt des te meer nu het openbaar ministerie niet bereid is gebleken om ter terechtzitting verantwoording over deze beslissingen af te leggen.

Oordeel Hof

Het is aan het openbaar ministerie om binnen de gegeven beleidsvrijheid – daargelaten de voor rechtstreeks belanghebbenden bestaande beklagmogelijkheden van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering – te beslissen of strafvervolging al dan niet opportuun is. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Het is het hof in het kader van de vervolging van verdachte niet gebleken van enige strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het is op zichzelf denkbaar dat de accountants en (een of meer van) de overige adviseurs strafrechtelijk waren vervolgd (waarbij het hof uitdrukkelijk in het midden laat of er door die personen wel of niet strafbare feiten zijn gepleegd nu daarnaar door het hof geen onderzoek is gedaan), maar hun positie is gezien in het geheel van feiten en omstandigheden anders dan die van verdachte. Het was ook verdachte die een direct aanzienlijk financieel belang had bij de tenlastegelegde feiten. Nu er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, kan niet gezegd worden dat het openbaar ministerie door verdachte wel te vervolgen en zijn adviseurs niet, gehandeld heeft in strijd met het verbod op willekeur. Het verweer wordt verworpen.

Ad d. (schending van het informele verschoningsrecht van de accountant en de belastingadviseur)

De verdediging stelt hiertoe dat de belastingdienst inzage had in de navolgende documenten:

  • een interne notitie van getuige 1 van een telefoongesprek met verdachte (bijlage D-12);
  • een aantekening van getuige 1 op een e-mailbericht van getuige 2 (bijlage D-16); deze heeft hij met pen op het e-mailbericht gezet naar aanleiding van een telefoongesprek met verdachte, aldus getuige 1;
  • een persoonlijke aantekening van getuige 1 op bijlage D-13.

Naar het oordeel van de verdediging had de belastingdienst geen inzage mogen nemen in bovenstaande documenten, nu de belastingdienst in strijd met het informele verschoningsrecht van de belastingadviseur/accountant heeft gehandeld door deze personen niet de gelegenheid te geven een afweging te maken of het verschoningsrecht van toepassing is op de gevraagde bescheiden. De genoemde documenten waarop de Belastingdienst het vermoeden van het plegen van een strafbaar feit heeft gebaseerd vallen onder voornoemd informeel verschoningsrecht. Dat betekent dat de Belastingdienst deze bescheiden niet ter inzage had mogen vragen althans deze niet voor haar onderzoek en daarmee de vaststelling van een verdenking had mogen gebruiken.

Oordeel Hof

Vooropgesteld dient te worden dat het informele verschoningsrecht van de accountant en de belastingadviseur geen basis vindt in de wet. De verdediging heeft zijn verweer gestoeld op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2005 waarin het volgende wordt overwogen:

“Dat het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play zich ertegen verzet dat een inspecteur van zijn bevoegdheid ex artikel 47 AWR gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren. Deze overweging geldt ook voor de onderdelen van die geschriften die met dat doel gegevens van feitelijke of beschrijvende aard bevatten.”

De verdediging stelt vervolgens dat het aan de belastingadviseur zelf is om te beoordelen of dit verschoningsrecht van toepassing is op de gevraagde bescheiden.

Uitgangspunt in deze zaak is dat belastingplichtigen op grond van artikel 47 AWR gegevens en inlichtingen dienen te verstrekken welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Als de Belastingdienst die gegevens bij de belastingadviseur opvraagt is dat daarom niet in strijd met het fair play beginsel. De Belastingdienst krijgt daardoor immers geen andere gegevens dan de belastingplichtige zelf had behoren te verstrekken. Van strijd met het fair play beginsel kan wel sprake zijn als de Belastingdienst inzage zou vorderen in correspondentie tussen de belastingplichtige en de belastingadviseur voor zover daarin zaken worden besproken als de verschillende opties die de belastingplichtige ten dienste staan, de toelaatbaarheid en eventuele risico's van bepaalde keuzes, de jegens de Belastingdienst te volgen strategie etc. etc. Hiervan is het hof niet gebleken.

Door de belastingdienst is op 23 januari 2006 aan Ernst & Young gevraagd om de controledossiers van de openbare accountants. Dat vervolgens door Ernst &Young kennelijk weloverwogen is besloten naast de controledossiers ook de adviesstukken aan de belastingdienst over te leggen, is de verantwoordelijkheid van Ernst & Young. Indien uit de inhoud van die dossiers vervolgens feiten kunnen worden afgeleid ten voordele of nadele van verdachte, is dat voor risico van Ernst & Young en leidt dat er niet toe dat het zogeheten informele verschoningsrecht is geschonden.

Overigens is het hof van oordeel dat de door de raadsman bedoelde stukken niet onder het zogeheten informele verschoningsrecht vallen.

Het hof verwerpt het verweer

Bewezenverklaring

  1. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
  2. feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
  3. valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, gelet op de persoon van verdachte, diens fysieke toestand en diens leeftijd, zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een gevangenisstraf of werkstraf niet mogelijk is. De advocaat-generaal heeft daarom een geldboete van € 10.000 gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt dat bij een bewezenverklaring van één of meer van de tenlastegelegde feiten oplegging van een (onvoorwaardelijk) gevangenisstraf geen passende straf is. Een veroordeling zonder oplegging van straf of maatregel is passend en afdoende. Mocht het hof dit een onvoldoende bestraffing vinden, dan pleit de verdediging voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gekoppeld aan een geldboete.

Gelet op de ernst van de feiten ziet het hof anders dan de verdediging geen aanleiding voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank Arnhem heeft verdachte bij vonnis van 26 november 2009 een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hof acht, gelet op de veroordelingen in soortgelijke feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden geheel onvoorwaardelijk passend en geboden. Echter gelet op de persoon van de verdachte, met name zijn fysieke gesteldheid en in het bijzonder zijn zeer ernstige ziekte, de ouderdom van verdachte, het feit dat verdachte first offender is en de ouderdom van de zaak, is het hof van oordeel dat oplegging van een al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf of een werkstraf thans niet meer in de rede ligt.

Het hof kiest daarom voor oplegging van een geldboete. Naar het oordeel van het hof doet de eis van de advocaat-generaal geen recht aan de ernst van de feiten. Het hof zoekt bij het vaststellen van de hoogte van de geldboete aansluiting bij het door de rechtbank Den Haag in de fiscale zaak (overigens niet onherroepelijk) vastgestelde belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang ter hoogte van € 1.750.000, over welk bedrag door verdachte ten onrechte geen inkomstenbelasting is betaald. Indien van een dergelijk bedrag wordt uitgegaan, zou de fiscale boete (indien niet strafrechtelijk wordt vervolgd) in de orde van grootte liggen van 50% tot 100% van het ontdoken bedrag aan belasting. Dat zou voor wat betreft de inkomstenbelasting fiscaal ruwweg alleen al een boetebedrag opleveren in de orde van grootte van € 250.000 tot € 500.000, terwijl dan nog geen rekening is gehouden met het opleggen van een boete in verband met het fiscale nadeel met betrekking tot de vennootschapsbelasting.

Het hof acht alles afwegende een geldboete van € 250.000 als afdoening van de zaak passend en geboden.

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon ten onrechte de term “accountancy” op haar briefpapier heeft gebruikt

Gerechtshof Den Haag 20 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:47

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte rechtspersoon ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.800,- met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte rechtspersoon is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Verweren

Door de raadsvrouw is namens de verdachte rechtspersoon ter terechtzitting in hoger beroep, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Primair stelt de verdediging met een beroep op het bepaalde in artikel 70 Wetboek van Strafrecht dat het recht op strafvervolging is verjaard en dat het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Met het voeren van de naam Account–Service is immers begonnen in 1989. Het “onrechtmatig” titelgebruik is gedurende 22 jaren gedoogd. Nu geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden, is er sprake van verjaring na ommekomst van een periode van 6 jaar vanaf 1989, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verdachte rechtspersoon van rechtsvervolging ontslagen dient te worden. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de beroepsgroep (het hof begrijpt: van registeraccountants en accountants-administratieconsulenten) door handhaving van het verbod te verlangen een concurrent uitschakelt hetgeen maatschappelijk niet acceptabel is. Handhaving van het verbod betekent voor de verdachte rechtspersoon schade en dat is een zwaarwegend belang, en dat geldt niet voor de beroepsgroep wanneer de verdachte rechtspersoon de bedoelde naam blijft voeren.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het beroep op verjaring dient te worden verworpen. Het strafbare feit als ten laste gelegd moet worden gezien als een voortdurend delict. Van verjaring kan slechts sprake zijn voor zover het de periode betreft langer geleden dan 3 jaar voordat de vervolging een aanvang heeft genomen. Nu als pleegperiode in de tenlastelegging is opgenomen de periode van 14 september 2011 tot en met 19 september 2011, kan van verjaring geen sprake zijn. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Van ontslag van rechtsvervolging kan slechts sprake zijn ingeval een bewezen verklaard feit niet strafbaar is of ingeval een dader niet strafbaar is. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan het hof geen onderbouwing vinden waarom op een van deze beide gronden tot ontslag van rechtsvervolging als hiervoor bedoeld zou moeten worden overgegaan. Het beroep op ontslag van rechtsvervolging dient dan ook te worden verworpen.

Bewijsoverweging

Niet ter discussie staat dat de verdachte rechtspersoon in de naam de bewoordingen “account-service” hanteert en dat de naam “Account-Service [naam rechtspersoon]” is vermeld in het kantoorpand op de in de tenlastelegging aangeduide plekken, dat deze naam vermeld is op de in de tenlastelegging aangeduide bescheiden en als handelsnaam is vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Tevens kan worden vastgesteld dat het briefpapier van de verdachte rechtspersoon onder de hiervoor omschreven benaming vermeldt: “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie”.

Tenslotte staat vast dat bij de verdachte rechtspersoon geen personen werkzaam waren die ingeschreven waren in de registers als bedoeld in de Wet Accountants-Administratieconsulenten en de Wet op de Registeraccountants.

Artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten verbiedt, tenzij men ingeschreven is in een van de beide hiervoor genoemde registers, om de naam accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren dan wel zich zodanig te gedragen dat daardoor bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is.

Onder verwijzing naar HR 25-1-2000 LJN AA4576 stelt het hof vast dat de aanduiding “accountancy” zozeer overeenstemt met en associaties wekt met de benaming “accountant” dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is en dat daaraan niet kan afdoen dat de Engelstalige term accountancy een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook mogen worden verricht door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming accountant te voeren.

Dit betekent dat de op het briefpapier opgenomen vermelding “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie” een overtreding van het in artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten neergelegde verbod inhoudt.

Naar het oordeel van het hof geldt dit niet ten aanzien van de in de benaming van de verdachte rechtspersoon opgenomen bewoordingen “account-service”. Deze bewoordingen staan naar het oordeel van het hof te ver af van de term accountant om te kunnen concluderen dat bij het publiek de hiervoor omschreven indruk moet worden gewekt. Ten aanzien van dat onderdeel dient dan ook vrijspraak te volgen.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op: Handelen in strijd met het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vancouver onderzoek: medeplegen opzettelijke schending ambtsgeheim politieambtenaar

Gerechtshof Amsterdam 9 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4851

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen/geldbedragen beslist tot teruggave aan de verdachte, teruggave aan de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland dan wel de Nationale Recherche en bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 23 december 2009 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het gerechtshof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. Voorts heeft het hof ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen/geldbedragen beslist tot teruggave aan de verdachte, teruggave aan de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland dan wel de Nationale Recherche en bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

De advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld – kennelijk uitsluitend gericht tegen de vrijspraak van het de verdachte onder 2 (primair en subsidiair) ten lastegelegde .

De Hoge Raad  heeft bij arrest van 12 juli 2011 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen – het cassatieberoep van de advocaat-generaal was kennelijk uitsluitend gericht tegen de vrijspraak van het de verdachte onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde -, en de strafzaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair cumulatief 1e tot en met 15e gedachtestreepje ten laste gelegde en dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 2 primair cumulatief 16e en 17e gedachtestreepje ten laste gelegde, respectievelijk het Acroniemfeit (oktober 2005) en het Scenariofeit (januari 2006), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd, indien het hof van oordeel is dat het beslag in hoger beroep nog aan de orde is, dat over het beslag zal worden beslist conform de beslissing van het hof bij arrest van 23 december 2009.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdediging is in hoger beroep naar voren gebracht dat er in het onderzoek Vancouver sprake is geweest van een groot aantal vormverzuimen. Die gestelde verzuimen moeten volgens de verdediging hetzij op zichzelf, hetzij door stapeling leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft daarnaast een aantal uitgangspunten en gezichtspunten geformuleerd, die volgens de verdediging in samenhang met die vormverzuimen moeten worden bekeken en ook leiden tot de eindconclusie van niet-ontvankelijkheid(slotconclusie A). Subsidiair is aangevoerd dat die vormverzuimen moeten leiden tot bewijsuitsluiting (slotconclusie B).

Meer subsidiair is aangevoerd dat er nader onderzoek zal moeten plaatsvinden, door het doen horen van getuigen (Q en mr. R), het alsnog bijvoegen van de historische printgegevens inzake S (slotconclusie C) en toevoeging aan het dossier van het keuringsrapport van TNO ITSEF BV van 30 december 2005. Tevens heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht tot het als getuige doen horen van T, U, V en W, de opsteller van het keuringsrapport van TNO ITSEF BV, de bij het inzetten (beluisteren) van het technisch middel betrokken verbalisanten, de overige personen die betrokken zijn bij bedoelde goedkeuring, inzet en controle van het technisch middel en tot toevoeging aan het dossier van alle stukken verband houdende met de goedkeuring, inzet en controle van het technisch middel.

Voorts heeft de verdediging bij schrijven van 24 juni 2013 verzocht tot toevoeging aan het dossier van de (volledige) journaals in de zaken Amandel en Vancouver.

Nog meer subsidiair is vrijspraak bepleit (slotconclusie D) en een beroep gedaan op schending van de redelijke termijn (slotconclusie E).

Oordeel van het hof

  • Het ontbreken van voldoende verdenking

Het hof is van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden bestaan om eind 2003 E te kunnen aanmerken als verdachte van betrokkenheid bij het verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie. Tegelijkertijd betekende dat haast vanzelfsprekend dat er ook een verdenking bestond tegen één of meer politiefunctionarissen waarvan E – ook nog in 2003 – deze informatie ontving, waarbij in het bijzonder kon worden gedacht aan een politiefunctionaris die betrokken was bij onderzoek(en) naar de zogenoemde Hollandse netwerken.

Het hof is van oordeel dat de verdenking jegens E in februari 2005 nog steeds aanwezig was en toen ook voldoende verdenking bestond dat A de politiefunctionaris kon zijn van wie E vertrouwelijke politie-informatie omtrent Hollandse netwerken ontving.

  • Geheimhoudersgesprekken

De verdediging heeft ten verwere aangevoerd dat de rechter-commissaris de officier van justitie ten onrechte heeft gemachtigd tot de voeging bij de processtukken van de schriftelijke verslagen, houdende de inhoud van door de verdachte E met zijn advocaat gevoerde telefoongesprekken. De inhoud van die gesprekken is bovendien in het gehouden opsporingsonderzoek voor sturing van de richting daarvan gebruikt.

Weliswaar heeft de rechtbank in het vonnis waarvan beroep terecht geconcludeerd dat die telefoongesprekken als geheimhoudersgesprekken hebben te gelden, de gronden waarop de rechtbank zulks heeft geconcludeerd zijn onjuist. Immers, niet als maatstaf heeft te gelden of het voor de officier van justitie en de rechter-commissaris niet zonder meer en op voorhand evident duidelijk kon zijn dat de gesprekken moesten worden aangemerkt als geheimhoudersgesprekken. De maatstaf moet zijn, dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat er niet sprake is van een geheimhoudersgesprek. Getoetst aan die maatstaf hadden de officier van justitie en de rechter-commissaris er van meet af aan van uit behoren te gaan dat het in casu om geheimhoudersgesprekken ging.

  • Lekken vanuit Vancouver naar de media

Uit het Utrechtse onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van de aangifte van officier van justitie mr. R en teamleider Y is nooit gebleken dat er daadwerkelijk door politie of justitie zou zijn gelekt. Dit onderzoek heeft niet geleid tot een concrete verdenking in de richting van een concrete verdachte. Dit kan dan ook niet meewegen bij een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

  • Beschadiging raadsman mr. Meijering in tweede aanleg

De verdediging heeft aanstoot genomen aan de bespreking van de rol van mr. Meijering bij de feiten die aan de verdachten E en A waren ten laste gelegd in het in 2009 door de advocaat-generaal gehouden requisitoir. De verdediging verbindt daar de conclusie aan dat dit een vormverzuim oplevert, dat zou moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Deze uitlatingen zijn gedaan in het requisitoir, bij de bespreking van de vraag of de inhoud van de geheimhoudersgesprekken voor het bewijs kon worden gebruikt. Nu er geen sprake is van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is er om die reden al geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

  • Onjuist informeren inzake Amandel onderzoek

Door de verdediging is aangevoerd dat door het openbaar ministerie misleidende informatie zou zijn gegeven over de aard van het door het BIO (Bureau Interne Onderzoeken) gestarte onderzoek Amandel en ten aanzien van de vraag of dit onderzoek deel zou hebben uitgemaakt van het onderzoek Vancouver. De verdediging wijst naar opmerkingen van het openbaar ministerie, waarin gesteld wordt dat de map met het BIO onderzoek tot het onderzoek Vancouver zou hebben behoord.

De ontbrekende tapgesprekken zijn aan het procesdossier Vancouver toegevoegd. Met de verdediging is het hof van oordeel dat het op zichzelf beschouwd opmerkelijk is dat het journaal abrupt stopt (halverwege de pagina), maar mede gelet op het feit dat inmiddels de tapgesprekken voorhanden zijn van de periode nadat het journaal stopt, acht het hof voeging van het volledige journaal niet noodzakelijk.

  • Onjuist informeren met betrekking tot de aangifte door het openbaar ministerie ter zake van lekken naar de media

De verdediging heeft betoogd dat door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg weliswaar is gesteld dat er ter zake van het naar de pers uitlekken van uit het Vancouver-onderzoek afkomstige informatie door hem aangifte is gedaan bij zijn collega van het Utrechtse parket, vervolgens kan niet anders dan worden vastgesteld dat de officier van justitie de verdediging en de rechtbank verkeerd heeft ingelicht. Niet alleen omdat die aangifte in weerwil van een bevel van de rechtbank nimmer aan het onderhavige dossier is toegevoegd, maar ook omdat is gebleken dat die aangifte een proces-verbaal van bevindingen (onder meer over het eerste door het College van procureurs-generaal afgewezen scenario) inhoudt, in welk proces-verbaal volgens de mededeling van de met het onderzoek belaste officier van justitie GG is gerelateerd over een geheel ander onderwerp, aldus de verdediging.

Het hof vermag niet in te zien dat hetgeen door de verdediging hierover naar voren is gebracht met het ter zake ingestelde onderzoek ertoe leidt dat de verdachte(n) E en/of A in enig belang zijn geschaad, met gevolg dat het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging zou hebben verloren.

  • Onrechtmatig gebruik van de artikelen 50 en 30 Sv

Door de verdediging is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging voorts gegrond op de stelling dat de officier van justitie door het ongemotiveerd geven van de op de artikelen 50 en 30 Sv gegronde bevelen misbruik heeft gemaakt van de hem ingevolge die bepalingen toekomende bevoegdheden, met gevolg dat het vrij en onbelemmerd functioneren van de verdediging geweld is aangedaan.

Ten aanzien van de verdachte A overweegt het hof dat er in zijn zaak geen sprake is van enig belang dat is geschonden, nu het het beletten van het vrije verkeer tussen de verdachte E en de door hem gekozen raadsman betreft. Het verweer van de raadsman in zijn zaak gaat hierom reeds niet op.

Met betrekking tot de door de verdediging gewraakte onthouding van stukken op grond van artikel 30, tweede lid, Sv overweegt het hof, dat niet is gebleken dat aan de verdachte E of aan diens (toegevoegde) raadsman stukken zijn onthouden. Voor zover aan de gekozen raadsman (of diens waarnemer) voorafgaand aan 21 januari 2006 stukken zijn onthouden, vloeit dit voort uit het hiervoor besproken bevel ex artikel 50, tweede lid, Sv. Dit punt behoeft dan ook geen nadere beoordeling en beslissing.

  • Met alle geweld willen horen van de raadsman in eigen strafzaak tegen cliënt

De verdediging heeft aangevoerd dat door de (langdurig volgehouden) wens van het openbaar ministerie om de raadsman van de verdachte E als getuige in de strafzaak tegen de verdachten E, A en F te doen horen, er een onaanvaardbare processuele druk op de verdediging is uitgeoefend waardoor deze in de uitoefening daarvan is belemmerd.

In casu geldt, dat de officier van justitie reeds vóórdat de advocaat zich stelde als raadsman van de verdachte E, aan hem duidelijk heeft gemaakt dat hij die advocaat wilde doen horen als getuige in – onder meer – de strafzaak van die verdachte E. Dit is ook aan de verdachte E bekend geworden. Aangenomen moet worden dat de verdachte E, door te volharden bij de door hem gemaakte en te respecteren keuze om door deze advocaat als gekozen raadsman te worden bijgestaan, ook dit aspect heeft aanvaard. In elk geval is niet gebleken dat de verdachte E in de door de raadsman geschetste gang van zaken aanleiding heeft gezien zijn keuze te herzien, terwijl uit het (blijven) verlenen van rechtsbijstand door de raadsman moet worden afgeleid dat hij geen met het oog op het voeren van de verdediging onaanvaardbare belemmering heeft ondervonden. Het verweer snijdt derhalve om die reden ook geen hout.

  • Onaanvaardbare risico’s en onjuist informeren rond inzet scenario

Door de verdediging is onder verwijzing naar hetgeen hierover in de eerste pleitnota (pag. 88 tot en met 90) ter terechtzittingen in eerste aanleg van 15 en 16 januari 2008 is opgemerkt gesteld dat het scenario onaanvaardbare risico’s met zich mee heeft gebracht.

Het scenario zoals dat uiteindelijk is ingezet, is ter goedkeuring voorgelegd aan het College van Procureurs-generaal (het College). De keuze van de informatie in het proces-verbaal dat aan de verdachte A is meegegeven, is uitgebreid besproken en juist op de verdachten E en A toegesneden. De veronderstelling, zoals door de verdediging bij herhaling naar voren gebracht, dat het onderzoek feitelijk op raadsman Meijering was gericht blijkt niet uit het strafdossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Niet gebleken is dat er opsporingsmiddelen tegen hem zijn ingezet en hij is nadrukkelijk door justitie niet als verdachte aangemerkt. In dit verband wordt ook nog verwezen naar de brief van het College aan de Landelijk Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten van 17 november 2009, welke ter terechtzitting van 18 oktober 2013 door de advocaat-generaal is overgelegd en waarin zulks wordt bevestigd. Dat de naam van de raadsman wel regelmatig voorkomt in de schriftelijke bescheiden rondom de inzet van het scenario kan worden verklaard door het feit dat bekend was dat de (mede)verdachte E sedert geruime tijd werd bijgestaan door raadsman Meijering alsmede door de omstandigheid dat deze raadsman beroepsmatig betrokken was geweest bij de rechtshulp aan meerdere personen waarvoor de politie in het kader van het Vancouver-onderzoek professionele belangstelling had.

  • Onrechtmatige inzet Landsmeer-OVC-middel & Onvoldoende transparantie bij het Landsmeer-OVC-middel

De verdediging heeft primair betoogd dat de inzet van het OVC-middel (het tijdens het strafgeding zogenoemde “Landsmeer OVC-middel”, hierna ook te noemen: het technische hulpmiddel) onrechtmatig is geweest, hetgeen dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Subsidiair wordt verzocht alle vruchten die voort zijn gekomen uit dit middel uit te sluiten van het bewijs.

Het hof ziet geen noodzaak om – tegen de opvatting van de Hoge Raad in – nader onderzoek naar de technische aspecten van het hulpmiddel te gelasten. Het verzoek tot een dergelijk onderzoek door middel van getuigen en voeging van het TNO-keuringsrapport wordt afgewezen, zoals ook al door het hof is beslist ter zitting van 3 juli 2013.

  • Onjuist en onvolledig uitwerken onderzoeksbevindingen

De verdediging heeft gesteld dat de rijksrecherche opgenomen gesprekken en verhoren van de verdachte E onjuist dan wel onvolledig heeft uitgewerkt, waarbij in het bijzonder is gewezen op het met een technisch hulpmiddel in de auto van de verdachte E opgenomen gesprek met diens raadsman, en voorts op het verhoor van de verdachte E op 20 januari 2006.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat waar het de oorzaken van het ontstaan van deze verzuimen betreft weliswaar moet worden gesproken van een ernstige tekortkoming, van enig boos opzet van de kant van de rijksrecherche en/of het openbaar ministerie om de verdachten in hun verdediging te benadelen is niet gebleken. Daarbij komt dat de verzuimen zijn hersteld, in zoverre dat thans geen misverstand meer bestaat over hetgeen door de verdachte E is verklaard en hetgeen is opgenomen. Bij die stand van zaken kan hetgeen door de verdediging is aangevoerd op zichzelf niet leiden tot enige sanctie voorzien in artikel 359a Sv, laat staan voor de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zodat het hof dit onderdeel van het verweer reeds daarom verwerpt.

  • Onjuist informeren door officier van justitie

Het hof stelt vast dat de verdediging waar het om het verweer betreffende het onjuist informeren door de officier van justitie gaat, nagenoeg louter onderdelen opsomt die ook reeds in andere bouwstenen van het verweer aan de orde zijn gekomen waarover door het hof aldaar is of zal worden beslist. Derhalve behoeft het hof op deze plaats op deze onderdelen van het verweer geen beslissing te geven. Het door de verdediging genoemde “alarm-mailtje” in het Acroniem-onderzoek is na onderzoek door het openbaar ministerie in het dossier Vancouver gevoegd. Uit niets blijkt dat hierover bewust onjuiste informatie door het openbaar ministerie is verstrekt, derhalve is er geen sprake van enig vormverzuim.

  • Vernietigen blocnotes

Naar het oordeel van het hof is er in de strafzaak tegen de verdachte E geen sprake van enig belang dat ten aanzien van de verdachte E is geschonden, nu het vernietigen van blocnotes een eventueel vormverzuim met betrekking tot de strafzaak van de verdachte A betreft die in de strafzaak van de verdachte E geen rol speelt. Het betroffen immers blocnotes van de verdachte A. Het verweer van de verdediging in de strafzaak tegen de verdachte E gaat hierom reeds niet op.

Niet is aannemelijk geworden dat deze blocnotes enig betekenis hebben voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing.

Het voorgaande voert tot de beslissing dat het hof dit onderdeel van het verweer verwerpt.

  • Ongeoorloofde methode van verhoor

De verdediging heeft gesteld dat op ongeoorloofde wijze is ondervraagd en dat die constatering mede dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft daarbij gewezen op een opmerking van een functionaris van de rijksrecherche in het op 18 januari 2006 gehouden verhoor van de verdachte E, op het onjuist voorhouden door de rijksrecherche in een verhoor van de verdachte F van 19 januari 2006 en op het door de officier van justitie bij de rechter-commissaris misleidend ondervragen van de verdachte F.

Het hof verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het bedoelde verhoor van de verdachte E van 18 januari 2006 overweegt het hof dat niet zonder meer valt in te zien waarom de door de rijksrechercheur gemaakte opmerking omtrent de veiligheid van de verdachte E ongeoorloofd zou zijn en dat in ieder geval niet aannemelijk is geworden dat deze opmerking slechts gemaakt zou zijn met het doel de verdachte E, niettegenstaande het door hem in dat verhoor gedane beroep op zijn zwijgrecht, te bewegen tot het afleggen van een verklaring. Reeds daarom kan hetgeen ter zake is aangevoerd niet leiden tot of bijdragen aan de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Met betrekking tot het verhoor van de verdachte F geldt dat – nog daargelaten of in dat verhoor inderdaad bewust onjuiste informatie is voorgehouden – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit in de strafzaak tegen de verdachte(n) E en/of A tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden; gesteld noch gebleken is immers dat de verdachte(n) E en/of A daardoor in zijn/hun belangen zou(den) zijn geschaad.

Met betrekking tot het door de officier van justitie bij de rechter-commissaris ondervragen van de verdachte F is het hof van oordeel dat – nog daargelaten of de officier van justitie de verdachte F inderdaad misleidend heeft ondervraagd – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit in de strafzaak tegen de verdachte(n) E en/of A tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden; gesteld noch gebleken is immers dat de verdachte(n) E en/of A daardoor in zijn/hun belangen zou(den) zijn geschaad.

  • Weerhouden verdediging onderzoek printgegevens S

De verdediging heeft gesteld dat zij doordat zij is weerhouden van de aanvankelijk door de rechtbank geboden mogelijkheid inzage te krijgen in de printgegevens van een journalist, namelijk S, in de verdediging is geschaad omdat zij daardoor niet heeft kunnen toetsen vanuit welke hoek er naar S informatie is gelekt. Dit zou volgens de verdediging mede dienen te leiden tot de conclusie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent dat het, naar aanleiding van het door de verdediging gedane verzoek om toevoeging aan het dossier van bedoelde printgegevens, ter terechtzitting van 3 juli 2013 reeds gemotiveerd heeft beslist dat het daarbij geen verdedigingsbelang aanwezig achtte. Het hof verwijst, wat de motivering betreft, naar het proces-verbaal van genoemde terechtzitting. Thans is niets nieuws aangedragen op grond waarvan die beslissing zou moeten worden herzien. De verdediging is naar het oordeel van het hof derhalve niet geschaad door het niet kunnen inzien van de printgegevens, met als gevolg dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot het gegeven dat zij tot die gegevens geen toegang heeft gehad, niet kan leiden tot het oordeel dat daardoor inbreuk is gemaakt op de eerder in dit arrest bedoelde beginselen, nog daargelaten dat moeilijk valt in te zien dat hiermee sprake zou kunnen zijn van enig aan de opsporing dan wel vervolging toe te rekenen verzuim. Het verweer wordt verworpen. Voorts is na de terechtzitting van 18 oktober 2013 nog een faxbericht ingekomen van mr. Van Kleef, inhoudende informatie. Als dit faxbericht met informatie als een nieuw verzoek gezien zou moeten worden overweegt het hof nog dat meermalen door het hof is aangegeven dat verzoeken om getuigen te doen horen middels de raadsman gedaan dienen te worden. Dit was bij de verdediging en de verdachten E en A bekend. Het hof ziet dit ingekomen faxbericht dan ook niet als een nieuw gedaan verzoek.

Conclusie

Het hof ziet in de vastgestelde verzuimen en tekortkomingen geen grond het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze ook in samenhang/stapeling bezien niet leiden tot de vaststelling dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Ook overigens leveren de door het hof vastgestelde tekortkomingen niet feiten of omstandigheden op, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van rechercheur van de Nationale Recherche schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie aan een ander te verstrekken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft samen met zijn mededaders zonder vergunning als effectenbemiddelaar opgetreden

Gerechtshof Den Haag 18 december 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4947

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat het fonds danwel de onderneming bedrijfsnaam daadwerkelijk heeft bestaan en dat de aan de beleggers aangeboden ‘shares’ daadwerkelijk waardepapieren betroffen, zodat de aan de beleggers verstrekte ‘shares’ niet als effecten in de zin van de Wte 1995 kwalificeren en niet gezegd kan worden dat verdachte en/of (een van) zijn medeverdachte(n) door te handelen als in de dagvaarding omschreven als effectenbemiddelaar in de zin van artikel 7 Wte 1995 werkzaam is/zijn geweest.

Het openbaar ministerie is tegen deze vrijspraak in hoger beroep gekomen.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte bepleit dat de dagvaarding niet goed is opgesteld nu niet is gedetermineerd wat een ‘share’ is.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. De bestanddelen van de verweten gedraging zijn opgenomen in de tenlastelegging. Voorts is, in een feitelijke omschrijving, door de steller van de tenlastelegging vastgelegd waaruit het aanbieden en/of verrichten en/of aanbieden van diensten zou hebben bestaan. Een uitleg over wat wettelijk gezien onder ‘share(s)’ moet worden verstaan, past niet in een tenlastelegging, maar is juist inzet van het juridisch debat. Ook overigens heeft de verdachte op geen enkel moment, alsook niet ter terechtzitting in hoger beroep, blijk gegeven niet te weten waartegen hij zich in casu diende te verweren en hebben hij en zijn raadsman de verdediging gevoerd zonder dat van enig misverstand omtrent - de grondslag van - de tenlastelegging is gebleken.

Bevoegdheid van de economische kamer

De raadsman heeft betoogd dat de economische kamer van de rechtbank zich – na de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde – niet bevoegd had dienen te verklaren nu na die vrijspraak niet langer sprake was van samenhang met één of meer economische delicten.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit artikel 39 van de Wet op de economische delicten volgt dat de economische kamers bevoegd zijn te beslissen over zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met één of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met één of meer van die economische delicten. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de economische kamer bevoegd is op grond van de onderhavige tenlastelegging, ongeacht de hieruit voortvloeiende bewezenverklaringen en/of vrijspraken. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ontvankelijkheid OM

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van feit 1, nu het onder 1 ten laste gelegde bij het ontbreken van opzet als een overtreding dient te worden gekwalificeerd, zodat dit feit gelet op het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht verjaard zou zijn.

Het hof overweegt te dien aanzien dat het recht tot strafvordering niet is vervallen nu het onder 1 ten laste gelegde, waarover hierna meer, naar het oordeel van het hof opzettelijk is begaan en mitsdien als een misdrijf dient te worden gekwalificeerd. Dat de verdachte het ten laste gelegde opzettelijk heeft begaan blijkt onder meer uit zijn verklaring ten overstaan van de Fiod op 29 maart 2006, waarin hij verklaart te hebben geweten dat er geen vergunning aanwezig was voor het bemiddelen in effecten. Voor kleurloos opzet als bedoeld in het economisch strafrecht (dus waarbij het opzet niet (ook) op het niet naleven van wettelijke verplichtingen hoeft te zijn gericht), is dit naar het oordeel van het hof voldoende.

Er is geen sprake van een veranderd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de door de verdachte gepleegde gedraging. Het handelen in strijd met artikel 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 zoals tenlastegelegd, is thans verboden op grond van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht.

Het openbaar ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging van het onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet boven gerede twijfel komen vast te staan dat de verdachte wetenschap had van het feit dat de in de tenlastelegging genoemde personen via bedrijfsnaam werden opgelicht. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) met oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen de in de tenlastelegging genoemde personen door een bedrieglijk middel heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte zich de hiervoor bedoelde geldbedragen die hij anders dan door misdrijf onder zich heeft gehad, opzettelijk wederrechtelijk zou hebben toegeëigend. Ten slotte kan niet worden bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan voornoemde gedragingen. Dit betekent dat de verdachte van het hem onder 2 primair, subsidiair, meer en meest subsidiair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen feit 1

In de tijdens de tenlastegelegde periode geldende Wet toezicht effectenverkeer 1995 werd onder effecten verstaan: aandelenbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants en soortgelijke waardepapieren (artikel 1 onder a Wte).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Wte 1995 was het ten tijde van de tenlastegelegde periode verboden om “zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten”. Met dit toezicht op het effectenverkeer beoogde de wetgever (onder meer) beleggers en spaarders te beschermen tegen malafide aanbiedingen, onvoldoende informatie en ondeskundig optreden.

Bedrijfsnaam bood haar cliënten termijncontracten – “shares” genoemd – aan die (op termijn) recht gaven op een deel van het rendement dat werd behaald op door de investeringsmaatschappij bedrijfsnaam aangekochte objecten. bedrijfsnaam ontving vermogen (de inleg) van de cliënten ten behoeve van de investeringen door bedrijfsnaam. De cliënten ontvingen een ‘share’ dat door bedrijfsnaam uitgegeven zou zijn, ter grootte van de inleg. De inleg zou na de looptijd van drie jaar gegarandeerd zijn. Het uitsluitend, of nagenoeg uitsluitend, oogmerk van de cliënten betrof het door de belegging realiseren van een positief financieel rendement naast de gegarandeerde inleg. Gelet hierop en gezien de doelstelling van artikel 7 voornoemd moet geoordeeld worden dat bedrijfsnaam als effectenbemiddelaar diensten aanbood of verrichtte. Daaraan doet niet af dat het fonds of bedrijfsnaam niet daadwerkelijk hebben bestaan, de ‘shares’ niet daadwerkelijk waardepapieren betroffen of de ontvangen gelden niet (alle) daadwerkelijk door bedrijfsnaam zijn geïnvesteerd, nu bedrijfsnaam wel aan haar cliënten heeft gecommuniceerd dat de betaalde inleggelden zouden worden geïnvesteerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van september 2003 tot en met april 2004 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar in Nederland diensten heeft aangeboden en/of verricht, door het (telkens) aanbieden en/of verkopen van share(s) in het "[fonds]" ([bedrijfsnaam]) aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11];

Strafoplegging

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Oplichting door een samenweefsel van verdichtsels

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2

Verdachte heeft diverse leugens verteld, telkens met de bedoeling om het slachtoffer, een hoogbejaarde alleenstaande vrouw, te bewegen tot afgifte van geld. Het hof beziet deze leugens in hun onderlinge samenhang. De leugens hadden gemeen dat hij geld nodig had voor normale levensbehoeften (om boodschappen te kunnen doen, dan wel omdat zijn vriendin ziek was) of om met de kinderen naar een pretpark of een weekendje weg te kunnen gaan, terwijl het geld in werkelijkheid bedoeld was en gebruikt werd voor het kopen van drugs. Met deze leugens heeft verdachte ingespeeld op het gevoel en de goedheid van het slachtoffer en haar bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Verdachte heeft zelf verklaard dat als het slachtoffer had geweten dat hij van het geld drugs zou gaan kopen, zij het geld niet had gegeven. Daarnaast heeft verdachte, als onderdeel van deze leugens, het slachtoffer voorgespiegeld dat hij het geld zou terugbetalen en haar daartoe een bankafschrift van zijn toenmalige vriendin getoond.

Het hof veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^