Vancouver onderzoek: medeplegen opzettelijke schending ambtsgeheim politieambtenaar

Gerechtshof Amsterdam 9 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4851

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen/geldbedragen beslist tot teruggave aan de verdachte, teruggave aan de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland dan wel de Nationale Recherche en bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 23 december 2009 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het gerechtshof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. Voorts heeft het hof ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen/geldbedragen beslist tot teruggave aan de verdachte, teruggave aan de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland dan wel de Nationale Recherche en bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

De advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld – kennelijk uitsluitend gericht tegen de vrijspraak van het de verdachte onder 2 (primair en subsidiair) ten lastegelegde .

De Hoge Raad  heeft bij arrest van 12 juli 2011 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen – het cassatieberoep van de advocaat-generaal was kennelijk uitsluitend gericht tegen de vrijspraak van het de verdachte onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde -, en de strafzaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair cumulatief 1e tot en met 15e gedachtestreepje ten laste gelegde en dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 2 primair cumulatief 16e en 17e gedachtestreepje ten laste gelegde, respectievelijk het Acroniemfeit (oktober 2005) en het Scenariofeit (januari 2006), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd, indien het hof van oordeel is dat het beslag in hoger beroep nog aan de orde is, dat over het beslag zal worden beslist conform de beslissing van het hof bij arrest van 23 december 2009.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdediging is in hoger beroep naar voren gebracht dat er in het onderzoek Vancouver sprake is geweest van een groot aantal vormverzuimen. Die gestelde verzuimen moeten volgens de verdediging hetzij op zichzelf, hetzij door stapeling leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft daarnaast een aantal uitgangspunten en gezichtspunten geformuleerd, die volgens de verdediging in samenhang met die vormverzuimen moeten worden bekeken en ook leiden tot de eindconclusie van niet-ontvankelijkheid(slotconclusie A). Subsidiair is aangevoerd dat die vormverzuimen moeten leiden tot bewijsuitsluiting (slotconclusie B).

Meer subsidiair is aangevoerd dat er nader onderzoek zal moeten plaatsvinden, door het doen horen van getuigen (Q en mr. R), het alsnog bijvoegen van de historische printgegevens inzake S (slotconclusie C) en toevoeging aan het dossier van het keuringsrapport van TNO ITSEF BV van 30 december 2005. Tevens heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht tot het als getuige doen horen van T, U, V en W, de opsteller van het keuringsrapport van TNO ITSEF BV, de bij het inzetten (beluisteren) van het technisch middel betrokken verbalisanten, de overige personen die betrokken zijn bij bedoelde goedkeuring, inzet en controle van het technisch middel en tot toevoeging aan het dossier van alle stukken verband houdende met de goedkeuring, inzet en controle van het technisch middel.

Voorts heeft de verdediging bij schrijven van 24 juni 2013 verzocht tot toevoeging aan het dossier van de (volledige) journaals in de zaken Amandel en Vancouver.

Nog meer subsidiair is vrijspraak bepleit (slotconclusie D) en een beroep gedaan op schending van de redelijke termijn (slotconclusie E).

Oordeel van het hof

  • Het ontbreken van voldoende verdenking

Het hof is van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden bestaan om eind 2003 E te kunnen aanmerken als verdachte van betrokkenheid bij het verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie. Tegelijkertijd betekende dat haast vanzelfsprekend dat er ook een verdenking bestond tegen één of meer politiefunctionarissen waarvan E – ook nog in 2003 – deze informatie ontving, waarbij in het bijzonder kon worden gedacht aan een politiefunctionaris die betrokken was bij onderzoek(en) naar de zogenoemde Hollandse netwerken.

Het hof is van oordeel dat de verdenking jegens E in februari 2005 nog steeds aanwezig was en toen ook voldoende verdenking bestond dat A de politiefunctionaris kon zijn van wie E vertrouwelijke politie-informatie omtrent Hollandse netwerken ontving.

  • Geheimhoudersgesprekken

De verdediging heeft ten verwere aangevoerd dat de rechter-commissaris de officier van justitie ten onrechte heeft gemachtigd tot de voeging bij de processtukken van de schriftelijke verslagen, houdende de inhoud van door de verdachte E met zijn advocaat gevoerde telefoongesprekken. De inhoud van die gesprekken is bovendien in het gehouden opsporingsonderzoek voor sturing van de richting daarvan gebruikt.

Weliswaar heeft de rechtbank in het vonnis waarvan beroep terecht geconcludeerd dat die telefoongesprekken als geheimhoudersgesprekken hebben te gelden, de gronden waarop de rechtbank zulks heeft geconcludeerd zijn onjuist. Immers, niet als maatstaf heeft te gelden of het voor de officier van justitie en de rechter-commissaris niet zonder meer en op voorhand evident duidelijk kon zijn dat de gesprekken moesten worden aangemerkt als geheimhoudersgesprekken. De maatstaf moet zijn, dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat er niet sprake is van een geheimhoudersgesprek. Getoetst aan die maatstaf hadden de officier van justitie en de rechter-commissaris er van meet af aan van uit behoren te gaan dat het in casu om geheimhoudersgesprekken ging.

  • Lekken vanuit Vancouver naar de media

Uit het Utrechtse onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van de aangifte van officier van justitie mr. R en teamleider Y is nooit gebleken dat er daadwerkelijk door politie of justitie zou zijn gelekt. Dit onderzoek heeft niet geleid tot een concrete verdenking in de richting van een concrete verdachte. Dit kan dan ook niet meewegen bij een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

  • Beschadiging raadsman mr. Meijering in tweede aanleg

De verdediging heeft aanstoot genomen aan de bespreking van de rol van mr. Meijering bij de feiten die aan de verdachten E en A waren ten laste gelegd in het in 2009 door de advocaat-generaal gehouden requisitoir. De verdediging verbindt daar de conclusie aan dat dit een vormverzuim oplevert, dat zou moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Deze uitlatingen zijn gedaan in het requisitoir, bij de bespreking van de vraag of de inhoud van de geheimhoudersgesprekken voor het bewijs kon worden gebruikt. Nu er geen sprake is van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is er om die reden al geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

  • Onjuist informeren inzake Amandel onderzoek

Door de verdediging is aangevoerd dat door het openbaar ministerie misleidende informatie zou zijn gegeven over de aard van het door het BIO (Bureau Interne Onderzoeken) gestarte onderzoek Amandel en ten aanzien van de vraag of dit onderzoek deel zou hebben uitgemaakt van het onderzoek Vancouver. De verdediging wijst naar opmerkingen van het openbaar ministerie, waarin gesteld wordt dat de map met het BIO onderzoek tot het onderzoek Vancouver zou hebben behoord.

De ontbrekende tapgesprekken zijn aan het procesdossier Vancouver toegevoegd. Met de verdediging is het hof van oordeel dat het op zichzelf beschouwd opmerkelijk is dat het journaal abrupt stopt (halverwege de pagina), maar mede gelet op het feit dat inmiddels de tapgesprekken voorhanden zijn van de periode nadat het journaal stopt, acht het hof voeging van het volledige journaal niet noodzakelijk.

  • Onjuist informeren met betrekking tot de aangifte door het openbaar ministerie ter zake van lekken naar de media

De verdediging heeft betoogd dat door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg weliswaar is gesteld dat er ter zake van het naar de pers uitlekken van uit het Vancouver-onderzoek afkomstige informatie door hem aangifte is gedaan bij zijn collega van het Utrechtse parket, vervolgens kan niet anders dan worden vastgesteld dat de officier van justitie de verdediging en de rechtbank verkeerd heeft ingelicht. Niet alleen omdat die aangifte in weerwil van een bevel van de rechtbank nimmer aan het onderhavige dossier is toegevoegd, maar ook omdat is gebleken dat die aangifte een proces-verbaal van bevindingen (onder meer over het eerste door het College van procureurs-generaal afgewezen scenario) inhoudt, in welk proces-verbaal volgens de mededeling van de met het onderzoek belaste officier van justitie GG is gerelateerd over een geheel ander onderwerp, aldus de verdediging.

Het hof vermag niet in te zien dat hetgeen door de verdediging hierover naar voren is gebracht met het ter zake ingestelde onderzoek ertoe leidt dat de verdachte(n) E en/of A in enig belang zijn geschaad, met gevolg dat het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging zou hebben verloren.

  • Onrechtmatig gebruik van de artikelen 50 en 30 Sv

Door de verdediging is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging voorts gegrond op de stelling dat de officier van justitie door het ongemotiveerd geven van de op de artikelen 50 en 30 Sv gegronde bevelen misbruik heeft gemaakt van de hem ingevolge die bepalingen toekomende bevoegdheden, met gevolg dat het vrij en onbelemmerd functioneren van de verdediging geweld is aangedaan.

Ten aanzien van de verdachte A overweegt het hof dat er in zijn zaak geen sprake is van enig belang dat is geschonden, nu het het beletten van het vrije verkeer tussen de verdachte E en de door hem gekozen raadsman betreft. Het verweer van de raadsman in zijn zaak gaat hierom reeds niet op.

Met betrekking tot de door de verdediging gewraakte onthouding van stukken op grond van artikel 30, tweede lid, Sv overweegt het hof, dat niet is gebleken dat aan de verdachte E of aan diens (toegevoegde) raadsman stukken zijn onthouden. Voor zover aan de gekozen raadsman (of diens waarnemer) voorafgaand aan 21 januari 2006 stukken zijn onthouden, vloeit dit voort uit het hiervoor besproken bevel ex artikel 50, tweede lid, Sv. Dit punt behoeft dan ook geen nadere beoordeling en beslissing.

  • Met alle geweld willen horen van de raadsman in eigen strafzaak tegen cliënt

De verdediging heeft aangevoerd dat door de (langdurig volgehouden) wens van het openbaar ministerie om de raadsman van de verdachte E als getuige in de strafzaak tegen de verdachten E, A en F te doen horen, er een onaanvaardbare processuele druk op de verdediging is uitgeoefend waardoor deze in de uitoefening daarvan is belemmerd.

In casu geldt, dat de officier van justitie reeds vóórdat de advocaat zich stelde als raadsman van de verdachte E, aan hem duidelijk heeft gemaakt dat hij die advocaat wilde doen horen als getuige in – onder meer – de strafzaak van die verdachte E. Dit is ook aan de verdachte E bekend geworden. Aangenomen moet worden dat de verdachte E, door te volharden bij de door hem gemaakte en te respecteren keuze om door deze advocaat als gekozen raadsman te worden bijgestaan, ook dit aspect heeft aanvaard. In elk geval is niet gebleken dat de verdachte E in de door de raadsman geschetste gang van zaken aanleiding heeft gezien zijn keuze te herzien, terwijl uit het (blijven) verlenen van rechtsbijstand door de raadsman moet worden afgeleid dat hij geen met het oog op het voeren van de verdediging onaanvaardbare belemmering heeft ondervonden. Het verweer snijdt derhalve om die reden ook geen hout.

  • Onaanvaardbare risico’s en onjuist informeren rond inzet scenario

Door de verdediging is onder verwijzing naar hetgeen hierover in de eerste pleitnota (pag. 88 tot en met 90) ter terechtzittingen in eerste aanleg van 15 en 16 januari 2008 is opgemerkt gesteld dat het scenario onaanvaardbare risico’s met zich mee heeft gebracht.

Het scenario zoals dat uiteindelijk is ingezet, is ter goedkeuring voorgelegd aan het College van Procureurs-generaal (het College). De keuze van de informatie in het proces-verbaal dat aan de verdachte A is meegegeven, is uitgebreid besproken en juist op de verdachten E en A toegesneden. De veronderstelling, zoals door de verdediging bij herhaling naar voren gebracht, dat het onderzoek feitelijk op raadsman Meijering was gericht blijkt niet uit het strafdossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Niet gebleken is dat er opsporingsmiddelen tegen hem zijn ingezet en hij is nadrukkelijk door justitie niet als verdachte aangemerkt. In dit verband wordt ook nog verwezen naar de brief van het College aan de Landelijk Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten van 17 november 2009, welke ter terechtzitting van 18 oktober 2013 door de advocaat-generaal is overgelegd en waarin zulks wordt bevestigd. Dat de naam van de raadsman wel regelmatig voorkomt in de schriftelijke bescheiden rondom de inzet van het scenario kan worden verklaard door het feit dat bekend was dat de (mede)verdachte E sedert geruime tijd werd bijgestaan door raadsman Meijering alsmede door de omstandigheid dat deze raadsman beroepsmatig betrokken was geweest bij de rechtshulp aan meerdere personen waarvoor de politie in het kader van het Vancouver-onderzoek professionele belangstelling had.

  • Onrechtmatige inzet Landsmeer-OVC-middel & Onvoldoende transparantie bij het Landsmeer-OVC-middel

De verdediging heeft primair betoogd dat de inzet van het OVC-middel (het tijdens het strafgeding zogenoemde “Landsmeer OVC-middel”, hierna ook te noemen: het technische hulpmiddel) onrechtmatig is geweest, hetgeen dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Subsidiair wordt verzocht alle vruchten die voort zijn gekomen uit dit middel uit te sluiten van het bewijs.

Het hof ziet geen noodzaak om – tegen de opvatting van de Hoge Raad in – nader onderzoek naar de technische aspecten van het hulpmiddel te gelasten. Het verzoek tot een dergelijk onderzoek door middel van getuigen en voeging van het TNO-keuringsrapport wordt afgewezen, zoals ook al door het hof is beslist ter zitting van 3 juli 2013.

  • Onjuist en onvolledig uitwerken onderzoeksbevindingen

De verdediging heeft gesteld dat de rijksrecherche opgenomen gesprekken en verhoren van de verdachte E onjuist dan wel onvolledig heeft uitgewerkt, waarbij in het bijzonder is gewezen op het met een technisch hulpmiddel in de auto van de verdachte E opgenomen gesprek met diens raadsman, en voorts op het verhoor van de verdachte E op 20 januari 2006.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat waar het de oorzaken van het ontstaan van deze verzuimen betreft weliswaar moet worden gesproken van een ernstige tekortkoming, van enig boos opzet van de kant van de rijksrecherche en/of het openbaar ministerie om de verdachten in hun verdediging te benadelen is niet gebleken. Daarbij komt dat de verzuimen zijn hersteld, in zoverre dat thans geen misverstand meer bestaat over hetgeen door de verdachte E is verklaard en hetgeen is opgenomen. Bij die stand van zaken kan hetgeen door de verdediging is aangevoerd op zichzelf niet leiden tot enige sanctie voorzien in artikel 359a Sv, laat staan voor de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zodat het hof dit onderdeel van het verweer reeds daarom verwerpt.

  • Onjuist informeren door officier van justitie

Het hof stelt vast dat de verdediging waar het om het verweer betreffende het onjuist informeren door de officier van justitie gaat, nagenoeg louter onderdelen opsomt die ook reeds in andere bouwstenen van het verweer aan de orde zijn gekomen waarover door het hof aldaar is of zal worden beslist. Derhalve behoeft het hof op deze plaats op deze onderdelen van het verweer geen beslissing te geven. Het door de verdediging genoemde “alarm-mailtje” in het Acroniem-onderzoek is na onderzoek door het openbaar ministerie in het dossier Vancouver gevoegd. Uit niets blijkt dat hierover bewust onjuiste informatie door het openbaar ministerie is verstrekt, derhalve is er geen sprake van enig vormverzuim.

  • Vernietigen blocnotes

Naar het oordeel van het hof is er in de strafzaak tegen de verdachte E geen sprake van enig belang dat ten aanzien van de verdachte E is geschonden, nu het vernietigen van blocnotes een eventueel vormverzuim met betrekking tot de strafzaak van de verdachte A betreft die in de strafzaak van de verdachte E geen rol speelt. Het betroffen immers blocnotes van de verdachte A. Het verweer van de verdediging in de strafzaak tegen de verdachte E gaat hierom reeds niet op.

Niet is aannemelijk geworden dat deze blocnotes enig betekenis hebben voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing.

Het voorgaande voert tot de beslissing dat het hof dit onderdeel van het verweer verwerpt.

  • Ongeoorloofde methode van verhoor

De verdediging heeft gesteld dat op ongeoorloofde wijze is ondervraagd en dat die constatering mede dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft daarbij gewezen op een opmerking van een functionaris van de rijksrecherche in het op 18 januari 2006 gehouden verhoor van de verdachte E, op het onjuist voorhouden door de rijksrecherche in een verhoor van de verdachte F van 19 januari 2006 en op het door de officier van justitie bij de rechter-commissaris misleidend ondervragen van de verdachte F.

Het hof verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het bedoelde verhoor van de verdachte E van 18 januari 2006 overweegt het hof dat niet zonder meer valt in te zien waarom de door de rijksrechercheur gemaakte opmerking omtrent de veiligheid van de verdachte E ongeoorloofd zou zijn en dat in ieder geval niet aannemelijk is geworden dat deze opmerking slechts gemaakt zou zijn met het doel de verdachte E, niettegenstaande het door hem in dat verhoor gedane beroep op zijn zwijgrecht, te bewegen tot het afleggen van een verklaring. Reeds daarom kan hetgeen ter zake is aangevoerd niet leiden tot of bijdragen aan de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Met betrekking tot het verhoor van de verdachte F geldt dat – nog daargelaten of in dat verhoor inderdaad bewust onjuiste informatie is voorgehouden – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit in de strafzaak tegen de verdachte(n) E en/of A tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden; gesteld noch gebleken is immers dat de verdachte(n) E en/of A daardoor in zijn/hun belangen zou(den) zijn geschaad.

Met betrekking tot het door de officier van justitie bij de rechter-commissaris ondervragen van de verdachte F is het hof van oordeel dat – nog daargelaten of de officier van justitie de verdachte F inderdaad misleidend heeft ondervraagd – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit in de strafzaak tegen de verdachte(n) E en/of A tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden; gesteld noch gebleken is immers dat de verdachte(n) E en/of A daardoor in zijn/hun belangen zou(den) zijn geschaad.

  • Weerhouden verdediging onderzoek printgegevens S

De verdediging heeft gesteld dat zij doordat zij is weerhouden van de aanvankelijk door de rechtbank geboden mogelijkheid inzage te krijgen in de printgegevens van een journalist, namelijk S, in de verdediging is geschaad omdat zij daardoor niet heeft kunnen toetsen vanuit welke hoek er naar S informatie is gelekt. Dit zou volgens de verdediging mede dienen te leiden tot de conclusie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent dat het, naar aanleiding van het door de verdediging gedane verzoek om toevoeging aan het dossier van bedoelde printgegevens, ter terechtzitting van 3 juli 2013 reeds gemotiveerd heeft beslist dat het daarbij geen verdedigingsbelang aanwezig achtte. Het hof verwijst, wat de motivering betreft, naar het proces-verbaal van genoemde terechtzitting. Thans is niets nieuws aangedragen op grond waarvan die beslissing zou moeten worden herzien. De verdediging is naar het oordeel van het hof derhalve niet geschaad door het niet kunnen inzien van de printgegevens, met als gevolg dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot het gegeven dat zij tot die gegevens geen toegang heeft gehad, niet kan leiden tot het oordeel dat daardoor inbreuk is gemaakt op de eerder in dit arrest bedoelde beginselen, nog daargelaten dat moeilijk valt in te zien dat hiermee sprake zou kunnen zijn van enig aan de opsporing dan wel vervolging toe te rekenen verzuim. Het verweer wordt verworpen. Voorts is na de terechtzitting van 18 oktober 2013 nog een faxbericht ingekomen van mr. Van Kleef, inhoudende informatie. Als dit faxbericht met informatie als een nieuw verzoek gezien zou moeten worden overweegt het hof nog dat meermalen door het hof is aangegeven dat verzoeken om getuigen te doen horen middels de raadsman gedaan dienen te worden. Dit was bij de verdediging en de verdachten E en A bekend. Het hof ziet dit ingekomen faxbericht dan ook niet als een nieuw gedaan verzoek.

Conclusie

Het hof ziet in de vastgestelde verzuimen en tekortkomingen geen grond het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze ook in samenhang/stapeling bezien niet leiden tot de vaststelling dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Ook overigens leveren de door het hof vastgestelde tekortkomingen niet feiten of omstandigheden op, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van rechercheur van de Nationale Recherche schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie aan een ander te verstrekken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF