Verzoek tegemoetkoming in de kosten voor rechtskundige hulp op basis van artikel 69a lid 1 Besluit algemene rechtspositie politie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6831

Feiten

Na terugwijzing door de Hoge Raad is bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 17 september 2012 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde en is verzoeker vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt OM en verdediging

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de kosten van rechtsbijstand, nu het aannemelijk is dat die kosten niet op een andere manier vergoed zijn. Daarbij heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de kosten die door raadsman van verzoeker in eerste aanleg, in rekening zijn gebracht maar gedeeltelijk zijn onderbouwd en dat de reistijd slechts voor de helft voor vergoeding in aanmerking komt. Voor het overige heeft de advocaat-generaal gepersisteerd bij het eerdere schriftelijke advies.

De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het verzoek en heeft daarbij – conform hetgeen in de door haar overgelegde pleitnotities is vermeld – aangevoerd dat verzoeker de kosten van rechtsbijstand niet vergoed heeft gekregen door zijn werkgever. Tevens heeft zij aangevoerd dat de kosten die verzoeker heeft gemaakt voor juridisch advies van naam wel degelijk betrekking hadden op de zaak van verzoeker. Verzoeker heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij heeft getracht de kosten van rechtskundige hulp vergoed te krijgen van zijn werkgever. Daarop is echter afwijzend beslist, tegen welke beslissing verzoeker naar zijn zeggen vruchteloos bezwaar heeft gemaakt. Hij kan deze beslissingen niet overleggen; wellicht bevinden ze zich in dossiers bij raadsman. De raadsvrouw heeft daarbij tevens een brief overgelegd van de politie afdeling HRM aan verzoeker, gedateerd 5 februari 2013, met als onderwerp ‘Uw verzoek om tegemoetkoming rechtskundige hulp’ (volgens verzoeker ingediend in het kader van het onderhavige verzoek, maar met gelijkluidende beslissing als op zijn eerdere verzoek in de strafzaak). Verzoeker heeft zelf nog aangevoerd dat de verklaring van de anonieme getuige in het belang van de waarheidsvinding is opgemaakt en dat derhalve de kosten die hij daarvoor heeft moeten maken voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.

Daarnaast heeft raadsman als voormalig raadsman van verzoeker aangevoerd dat hij de specificatie die betrekking heeft op de bij verzoeker voor rechtsbijstand in rekening gebrachte bedragen slechts gedeeltelijk kan overleggen wegens automatiseringsproblemen. De door raadsman in het dossier verrichte studietijd is derhalve niet in de specificatie betrokken. Bij brief van 2 augustus 2013 heeft raadsman het hof bericht dat de dossiers betreffende verzoeker reeds bleken opgeschoond en dat hij geen afwijzende beslissing (meer) heeft aangetroffen over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand aan verzoeker. Vervolgens is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar daar heeft zij geen gebruik van gemaakt.

Beoordeling

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Artikel 69a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) bepaalt dat indien een politieambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, het bevoegde gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toekent, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld of grof nalatig is geweest.

Tijdens de behandeling van het verzoek in raadkamer en ondersteund door voornoemde brief van 5 februari 2013 die door de raadsvrouw in raadkamer aan het hof is overgelegd, is voldoende gebleken dat verzoeker een verzoek heeft gedaan om een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp als bedoeld in artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie. Tevens acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat op dit verzoek afwijzend is beslist en dat aan verzoeker geen financiële tegemoetkoming in de kosten voor rechtskundige hulp is verstrekt, nu – als er al sprake zou zijn van een door verzoeker gepleegde onrechtmatige daad – deze door hem gepleegd zou zijn tijdens de uitoefening van de politietaak, zoals dat uitdrukkelijk in genoemde bepaling als voorwaarde voor vergoeding is opgenomen.

Naar het oordeel van het hof heeft verzoeker getracht om via de bepaling van artikel 69a BARP een tegemoetkoming te verkrijgen in de kosten voor rechtskundige hulp en heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn verzoek is afgewezen. Nu verzoeker geen vergoeding voor die door hem ten behoeve van de onderhavige strafzaak gemaakte kosten heeft ontvangen en overigens voldoende aannemelijk is dat hij die kosten heeft gemaakt is het onderhavige verzoek van verzoeker ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor toewijzing vatbaar.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman/raadsvrouw niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman/raadsvrouw en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman/raadsvrouw gedeclareerde tijd of het door hem/haar gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag van € 51.268,77 (inclusief BTW), zoals door de raadsvrouw in het verzoekschrift met specificatie (naar instantie en advocaat) is verzocht.

De gevraagde reiskosten van verzoeker voor de verhoren en voor het bijwonen van de behandelingen van de zaak door de rechtbank en het gerechtshof te Arnhem zijn eveneens voor toewijzing vatbaar. Toegewezen kan worden een bedrag van € 207,82.

Tevens komen de kosten die verzoeker heeft gemaakt in het kader van het horen van de anonieme getuige voor toewijzing in aanmerking, nu deze kosten ten laste van verzoeker zijn gekomen en het aanwenden van deze kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Toegewezen kan worden een bedrag van € 3.206,06.
Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift en het tegelijkertijd ingediende verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering worden toegewezen € 550 (inclusief BTW).

Conclusie

Het hof kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 55.232,65 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het Hof wijst het verzoek ex artikel 591a Sv af en stelt dat niet is gebleken kosten voor verzoeker zijn voorgeschoten onder de verplichting tot terugbetaling

Gerechtshof ’s-Gravenhage 20 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5223

Bij brief van 11 mei 2011 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd omdat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt (sepotcode 01).

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 19 juni 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoekschrift verzocht hem op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 62.936,60 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, alsmede een bedrag van € 540,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen in raadkamer van het onderhavige verzoekschrift.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2011 het verzoek afgewezen omdat de bij het verzoekschrift gevoegde declaraties ter zake van kosten rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker telkens op naam zijn gesteld van en zijn ingediend bij B.V. en die declaraties ook zijn voldaan door B.V., terwijl niet is gebleken dat B.V. deze kosten voor verzoeker heeft voorgeschoten onder de verplichting van verzoeker tot terugbetaling van dat voorschot, zodat er –aldus de rechtbank- geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de kosten voor rechtsbijstand metterdaad en direct ten laste van verzoeker zijn gekomen.

Namens verzoeker is op 19 juni 2012 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 29 november 2012 in raadkamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat-generaal mr. Strack.

Verzoeker en diens advocaat mr. Dorsman zijn –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof kennis genomen van de appelschriftuur van verzoeker van 18 juni 2012, waarin wordt bepleit dat –hoewel de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak tegen verzoeker bij de vennootschap (naar het hof begrijpt: B.V.) zijn gefactureerd en ook door deze vennootschap zijn voldaan- het onvergoed blijven van de kosten van rechtsbijstand onaanvaardbaar is, nu de gemaakte kosten voor rechtsbijstand feitelijk ten laste van het vermogen van verzoeker zijn gekomen nu verzoeker enig aandeelhouder van die vennootschap is.

Naar het oordeel van het hof miskent deze stelling dat in een situatie als de onderhavige -reeds op basis van de daarvoor geldende civielrechtelijke en fiscale wettelijke bepalingen- een strikte scheiding geldt tussen de vermogensrechtelijke positie van verzoeker privé en die van de vennootschap. Derhalve kan niet worden gezegd dat kosten die door de vennootschap zijn gedragen moeten worden geacht ook ten laste te zijn gekomen van verzoeker in privé.

Nu ook in hoger beroep niet is gebleken dat voor verzoeker een onvoorwaardelijke verplichting bestaat tot terugbetaling van het totaalbedrag van de declaraties in zijn strafzaak aan de vennootschap en ook niet dat verzoeker zelf enige betaling in verband met kosten van rechtsbijstand in zijn strafzaak heeft verricht, heeft de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep het hof niet tot andere beschouwingen en beslissingen gebracht dan die van de eerste rechter.

Het hoger beroep moet derhalve worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof legt bepaling over opslag “brand- of explosiegevaarlijke stoffen” uit tegen de achtergrond van de totstandkomingsgeschiedenis van het vergunningsvoorschrift

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4215

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon’ veroordeeld tot een geldboete van EUR 2.000.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij op 7 september 2010 in de gemeente Maastricht, terwijl aan bedrijf door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan die vergunning, immers bevond zich in strijd met voorschrift G.2. onder f. brandbaar materiaal binnen een strook van 40 meter breed onder de hoogspanningslijn.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen (pag. V-1), in samenhang met de bijbehorende foto F3, onvoldoende bewijs levert voor het begaan van het ten laste gelegde feit, omdat daaruit niet blijkt dat sprake is van brandbaar materiaal. De enkele vaststelling dat bouw- en sloopafval was opgeslagen is daartoe onvoldoende, omdat dergelijk afval niet per definitie ook brandbaar materiaal is. In dat kader is door de verdediging als definitie van brandbare stoffen gehanteerd “stoffen die met lucht (zuurstof) kunnen reageren onder vlamverschijnselen, ook nadat een eventuele ontstekingsbron is weggenomen”. Bovendien noemt het betreffende vergunningvoorschrift zelf bouw- en sloopafval niet als aparte categorie brandbaar materiaal, aldus de verdediging.

Tevens heeft de verdediging gewezen op de uitspraak van de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, van 24 juli 2013 (201206839/1/A4), waarin het hoger beroep werd behandeld van verdachte tegen aan haar opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van (onder meer) voorschrift G.2.f, waarin de Raad van State in de visie van de verdediging erg voorzichtig is in zijn oordeel. In dat verband is gewezen op de volgende overweging uit die uitspraak: ‘De redactie van voorschrift G2 sluit niet uit dat onder brandgevaarlijke stoffen in onderdeel f van voorschrift G2 mede worden verstaan de brandbare materialen, bedoeld in de aanhef van dit voorschrift’.

Het hof heeft volgens de verdediging echter een eigen verantwoordelijkheid bij de uitleg van vergunningvoorschrift G.2.f. en verzoekt het hof die uitlegt dan ook te geven.

Het hof overweegt het volgende.

Het besluit van 25 januari 2005 van Gedeputeerde Staten van Limburg houdt in dat zij bij dat besluit hebben beslist op de op 23 juli 2004 namens bedrijf ingediende aanvraag van een revisievergunning voor de inrichting. Bij dit besluit is de vergunning verleend aan bedrijf In de bij de vergunning gevoegde voorschriften is onder onderdeel G (dossierpagina’s 34 en 35) een aantal veiligheidsvoorschriften opgenomen.

Onder G.2. zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot:

‘Opslagcompartimenten van hout of andere brandbare materialen (onderstreping hof) als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’

G.2. onder f luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen (onderstreping hof) (…).

Het hof stelt voorop dat voorschriften die worden verbonden aan een vergunning, zo ook het hiervoor genoemde voorschrift, in beginsel dienen te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de aanvraag van deze vergunning.

In dat verband heeft het hof met betrekking tot verdachte acht geslagen op het volgende.

Tegen de namens verdachte op 23 juli 2004 ingediende aanvraag van een revisievergunning heeft Essent Netwerk Limburg B.V. (hierna: Essent) bedenkingen ingebracht (dossierpagina 19). Essent zou vanwege de aanwezigheid van een hoogspanningslijn in verband met de mogelijke gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening in de vergunning willen zien opgenomen, dat: “in de 40 meter brede strook (…) geen brand- of explosiegevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen. Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel.”

Naar het oordeel van Gedeputeerde Staten was deze bedenking van Essent terecht. Gedeputeerde Staten heeft daartoe het volgende overwogen:

“Vanwege de aanwezigheid van de hoogspanningslijn dient vanwege de gevaren voor personen en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsvoorziening een 40 meter brede strook vrij te blijven van de opslag van brand- of explosiegevaarlijke stoffen. Het betreft dan in ieder geval de opslag van afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, kleding en textiel (onderstreping hof). Een dergelijk voorschrift zal aan de vergunning worden toegevoegd.”

Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde bedenking en de overweging daaromtrent van Gedeputeerde Staten duidelijk blijkt wat de oorsprong is van het voorschrift G.2.f en eveneens wat de strekking is van dat voorschrift. Deze strekking sluit blijkens de specificatie opgenomen in de hierboven weergegeven passages niet aan bij de door de verdediging gehanteerde definitie van het begrip brandbare stoffen.

Bij Besluit van 14 november 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg beslist op een volgende namens bedrijf ingediende aanvraag voor een veranderingsvergunning (dossierpagina’s 45 tot en met 65). Met betrekking tot deze aanvraag is namens bedrijf 2 (een in de nabijheid van verdachte gelegen bedrijf) de zienswijze ingebracht, dat voorschrift G.2.f niet realiseerbaar is vanwege de afstand tot de hoogspanningslijnen en de te vergunnen opslagcapaciteiten, zodat de aanvraag zou moeten worden afgewezen (dossierpagina 58, onder 11).

Gedeputeerde Staten heeft daaromtrent als volgt overwogen (dossierpagina 61, onder Ad. 11):

“ (…) is het wel degelijk mogelijk uitvoering te geven aan voorschrift G.2.f. Binnen een strook van 40 meter mag namelijk geen brandbaar materiaal opgeslagen worden. Daarbuiten mag (…) opslag vanbrandbaar materiaal (onderstreping hof) plaatsvinden.”

Het besluit van 14 november 2006 houdt onder meer in dat het voorschrift G.2., zoals dat was opgenomen in de meergenoemde vergunning van 25 januari 2005, werd vervangen door een nieuw voorschrift G.2.

Dat voorschrift luidt in het besluit van 14 november 2006 als volgt:

G.2. ‘Opslagcompartimenten van hout of andere brandbare materialen (onderstreping hof) als afvalhout, houten pallets, papier, karton, kunststof, papierrejects, kleding en textiel.’

(…)

f. ‘Onder de hoogspanningslijn dient een strook van ten minste 40 meter breed vrij te blijven van de opslag vanbrand- of explosiegevaarlijke stoffen (onderstreping hof) (…).

Het hof heeft met de raadsman vastgesteld dat de tekst van voorschrift G.2. aanhef en onder f. in beide vergunningen gelijkluidend is.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de bovenbeschreven totstandkomingsgeschiedenis van voorschrift G.2.f, waaruit naar het oordeel van het hof de strekking duidelijk blijkt van dat voorschrift, is het hof dan ook van oordeel dat het te dezen toepasselijke voorschrift G.2.f. van de veranderingsvergunning uit 2006, niet anders kan worden uitgelegd, dan dat onder het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ de brandbare materialen vallen zoals die worden genoemd in de aanhef van G.2. Het hof is tevens van oordeel dat het niet anders kan dan dat ook voor verdachte voldoende duidelijk was wat wel en niet opgeslagen mocht worden binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn.

Dat het ‘Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route’ (kortweg ADR; het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) andere definities gebruikt, waarop de verdediging heeft gewezen, doet aan het voorgaande niet af. Het hof is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot een ander oordeel.

Nu verdachte een mengvorm van materialen waaronder een of meer van de in aanhef van G.2. genoemde materialen op een hoop had opgeslagen binnen een strook van 40 meter onder de hoogspanningslijn, is het hof van oordeel dat daarmee sprake was van brandbaar materiaal – dat zoals zojuist overwogen valt onder de werking van voorschrift G.2.f. – dat op die plaats in strijd met voorschrift G.2.f was opgeslagen.

Voorts overweegt het hof dat uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal van politie, blijkt dat de verdachte bekend was met de destijds vigerende vergunning van 14 november 2006 en de vergunning van 25 januari 2005. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het ten laste gelegde feit geen overtreding van vergunningvoorschrift G.2.f. oplevert. Immers, ten laste gelegd is de opslag van brandbare materialen, terwijl het vergunningvoorschrift spreekt over brand- of explosiegevaarlijke stoffen, hetgeen iets wezenlijks anders is. Het onderscheid tussen deze beide stoffen kan dan ook niet zonder strijd met het legaliteitsbeginsel te komen worden weggepoetst. Voorts heeft de raadsman betoogd dat er sprake zou zijn van schending van het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in – onder meer – art. 1 van het wetboek van strafrecht.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals het hof onder het opschrift ‘bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ heeft overwogen moet het voorschrift G.2.f. zo worden uitgelegd dat ‘brandbare materialen’ onderdeel uitmaken van het containerbegrip ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’. Het proces-verbaal inhoudende dat er ‘brandbaar materiaal’ is aangetroffen kan daarom worden gebruikt – en wordt daartoe ook gebruikt – voor het bewijs dat er ‘brand- of explosiegevaarlijke stoffen’ ter plaatse werden aangetroffen.

Dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit kan opleveren treft daarom geen doel.

Gelet op de tekst van bepaling G.2 aanhef en onder f en de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van het voorschrift G.2.f acht het hof, anders dan de raadsman, geen strijd met het legaliteitsbeginsel (het lex certa beginsel) aanwezig.

Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 2.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank op een verzoek ex art. 591a Sv en kent aan appellant een lagere vergoeding toe dan is verzocht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6595

Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 11 mei 2012 is appellant vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het inleidend verzoekschrift houdt in dat verzocht wordt om een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de schade die appellant tengevolge van tijdverzuim door de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft geleden en in de kosten van de raadsvrouw, in totaal ter hoogte van € 64.276,34 inclusief BTW, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van dit verzoekschrift.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist dat aan appellant wordt toegekend een vergoeding ten bedrage van € 16.282 en is het verzoek voor het overige afgewezen.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.

Door en namens appellant is als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de opgevoerde kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk gemaakte kosten zijn en dat deze kosten noodzakelijk waren voor het behalen van het uiteindelijke resultaat. Voor het overige hebben appellant en zijn raadsvrouw volhard bij hetgeen in het inleidend verzoekschrift is aangevoerd en verzocht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en tot vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand ter hoogte van € 10,000.=. De advocaat-generaal acht deze vergoeding, gelet ook op vergelijkbare zaken, redelijk. Het verzoek tot vergoeding van schade ten gevolge van tijdverzuim dient naar het oordeel van de advocaat-generaal te worden afgewezen.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman of raadsvrouw.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door tijdverzuim daadwerkelijk inkomstenderving heeft geleden wegens het bijwonen van de mini-instructie en de behandeling van de zaak door de politierechter in de rechtbank te Utrecht zodat die gevraagde vergoeding zal worden afgewezen.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman/raadsvrouw niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan appellant een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman/raadsvrouw en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman/raadsvrouw gedeclareerde tijd of het door hem/haar gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. De zaak was naar aard juridisch noch feitelijk complex. Evenmin had deze een bijzonder omvang.

Dat brengt het hof tot het oordeel dat de gedeclareerde tijd bovenmatig geacht moeten worden. Hierbij is in het bijzonder gelet op de door de raadsvrouw in rekening gebrachte hoeveelheid voorbereidingstijd. Voorts is ook door twee advocaten tegelijkertijd aan de zaak gewerkt en zijn voor beide advocaten de volledige uren in rekening gebracht tegen een hoog uurtarief . Daarnaast komt overeenkomstig het beleid van het hof de gedeclareerde reistijd slechts voor de helft voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal gelet op het voorgaande tot een lagere vergoeding komen dan gevorderd en op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag van € 15.000 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan, nu het verzoekschrift in twee instanties is behandeld, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 810 (inclusief BTW).

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 15.810.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen: de beslissing om verdachte te vervolgen was niet in strijd met de Richtlijnen AAFD

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4220

Verdachte is ter zake van:

  • opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, en
  • ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven

veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vervolging;
  • subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;
  • meer subsidiair dat er geen reden is voor oplegging van een gevangenisstraf.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet is voldaan aan de Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen van fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten, aangezien het nadeel minder dan € 125.000,00 bedraagt en geen sprake is van een uitzondering die toch een vervolging rechtvaardigt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het deze zaak betreffend Pre-weeg document houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“2. Weegcriteria voor de specifieke BOD

Toets ATV-richtlijn

Cat Bedrag, fiscaal nadeel Toelichting
I In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan € 125.000. OB nadeel € 113.050

Aspecten Toelichting
7 Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring, mogelijk Zie hieronder

Middels de aangifte omzetbelasting over het 1e kwartaal van 2011 werd € 113.271 teruggevraagd. Dit is niet uitbetaald. In deze aangifte werd € 113.050,- geclaimd m.b.t. de vermoedelijk valse factuur t.n.v. [bedrijf 3]. Nu de teruggaaf is geblokkeerd, is een aanslag niet mogelijk. Ook het opleggen van een boete is niet mogelijk.”

De Richtlijnen AAFD (Stcrt. 2011, nr. 11782) houden – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: “De Richtlijnen AAFD zijn geschreven om de inzet van het strafrecht te concentreren op die zaken die een maatschappelijk effect hebben (bijvoorbeeld gevallen waarin de rechtsorde in ernstige mate is geschokt). Deze richtlijnen leiden er dus toe dat de fiscale, douane en/of toeslagenfraudezaken met minder of geen maatschappelijk effect vaker bestuurlijk zullen worden afgedaan. In deze richtlijnen wordt, op grond van de omvang van het fiscaal nadeel, aangegeven of in beginsel voor bestuurlijke - dan wel strafrechtelijke afdoening wordt gekozen. Afhankelijk van de in hoofdstuk 5 beschreven aspecten wordt in het tripartiete overleg (TPO) besloten welke afdoening voor een concrete zaak is aangewezen.

(…)

Vervolgingsrichtlijnen

(…)

Hierbij gelden inzake fiscale, toeslag- en douanedelicten de volgende criteria:

Categorie I

In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan € 125.000. Ten minste één van de overige aspecten (hoofdstuk 5) is aan de orde.

(…)

5.

Het nadeel en de overige aspecten

(…)

Overige aspecten

(…)

7.

Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring, mogelijk

Fiscale fraude en fraude met toeslagen kan in het merendeel van de gevallen met een bestuurlijke boete worden bestraft. Dit geldt echter niet voor het gros van de douanezaken. In dergelijke gevallen zal dus eerder moeten worden gekozen voor een strafrechtelijke afhandeling. Dat is ook het geval wanneer een (mede)dader niet met een bestuurlijke boete kan worden gestraft terwijl het wel wenselijk is om deze dader een sanctie op te leggen.”

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de beslissing om verdachte te vervolgen niet in strijd was met de Richtlijnen AAFD.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewijsoverwegingen

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte bestrijdt dat hij kennis had van de valsheid van deze documenten, terwijl evenmin blijkt dat hij deze documenten heeft vervalst. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep komt – zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • in oktober 2010 heeft verdachte, toen hij buiten het kantoor van een bedrijf stond te wachten op een transport, betrokkene 1 ontmoet;
  • betrokkene 1 werkte voor het Nederlandse bedrijf (bedrijf 3);
  • verdachte heeft in maart 2011 via betrokkene 1 7.000 toners gekocht van bedrijf 3 voor een bedrag van € 708.050,00 inclusief BTW, welk bedrag verdachte contant voldaan heeft;
  • om de toners te kunnen kopen heeft het Hongaarse bedrijf (bedrijf 6), welk bedrijf de toners van verdachte heeft gekocht, € 602.000 voorgeschoten;
  • voorts heeft verdachte een bedrag van € 120.000 geleend van een Amerikaans bedrijf, welk bedrag verdachte contant heeft ontvangen in zijn woning.

De door de verdachte geschetste gang van zaken is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Enerzijds heeft het hof daarbij acht geslagen op de hiervoor weergegeven verklaring van getuige 3. Anderzijds komt het hof de wijze waarop verdachte betrokkene 1 zou hebben ontmoet, de wijze waarop verdachte de beschikking zou hebben gekregen over het geld om de toners aan te schaffen en de wijze van betaling als onaannemelijk voor. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken kunnen aan het vorenstaande niet afdoen.

Het hof houdt het er gelet op het vorenstaande voor dat de door verdachte gestelde aankoop en levering van 7.000 toners niet heeft plaatsgevonden. Gelet daarop wist verdachte ook dat de onder 2. genoemde stukken vals waren, zodat het niet anders kan zijn dan dat hij de stukken opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar heeft laten stellen bij de Belastingdienst door bedrijf 2 en bedrijf 4.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte een feit heeft gepleegd dat ertoe strekte dat te weinig belasting werd betaald. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • als verdachte de aangifte had gedaan en als de Belastingdienst het bedrag van € 113.000,00 aan BTW-voorheffing aan verdachte had uitgekeerd, er niet te weinig belasting zou zijn geheven, maar door de Staat te veel belasting zou zijn terugbetaald;
  • de interne organisatie van de Belastingdienst ervoor heeft gezorgd dat er geen BTW-voorheffing aan verdachte is uitbetaald, zodat er geen nadeel is opgetreden en de situatie van te weinig belasting heffen zoals bedoeld in artikel 69 AWR zich niet voordoet.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De Memorie van Toelichting bij de wet houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in: “Voor de goede orde zij nog opgemerkt, dat de heffing van te weinig belasting, zoals in de huidige en de voorgestelde tekst opgenomen, niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft begaan. Van belang is de mogelijkheid of – in dit voorstel – de waarschijnlijkheid, dat over het geheel genomen te weinig belasting wordt geheven. Hiervan kan bij voorbeeld ook sprake zijn, indien de verboden gedragingen ertoe leiden, dat ten onrechte teruggave van belasting wordt gedaan aan een derde.”

Daarnaast wordt in de voornoemde Richtlijnen AAFD, onder 5 (Het nadeel en de overige aspecten), p. 5, nader uiteengezet dat onder ‘nadeel’ wordt verstaan “het bedrag aan belasting dat vermoedelijk door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven indien de inspecteur de aangifte van belanghebbende had gevolgd, (…)”.

Het hof overweegt dat met de zinsnede “indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven” is beoogd het onjuist doen van de belastingaangifte als misdrijf strafbaar te stellen, indien door die gedraging de te geringe heffing naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk is. Daarbij wordt met objectieve omstandigheden gedoeld op een van buitenaf waarneembare eigenschap van de gestelde gedraging.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is naar het oordeel van het hof in een geval als het onderhavige, dat zich daardoor kenmerkt dat in de aangifte een te hoog bedrag aan voorbelasting en dientengevolge een te hoog bedrag aan terug te vragen belasting wordt opgegeven en dat ter onderbouwing van de aangifte valse stukken ter beschikking zijn gesteld naar redelijke verwachting waarschijnlijk dat over het geheel genomen te weinig belasting wordt geheven. Aldus strekte het onjuist doen van aangifte en het beschikbaar stellen van valse stukken ertoe dat te weinig belasting wordt geheven.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op: Ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat door het onder 2. bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van stukken als de onderhavige is verstoord;
  • de mate waarin het vertrouwen dat de fiscale overheid in aangiftes als de onderhavige mag stellen door het onder 1. bewezen verklaarde is geschonden;
  • de mate waarin door het bewezen verklaarde aan de Staat fiscaal nadeel zou worden toegebracht, te weten tot een bedrag van ruim € 113.000,00.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 juli 2013, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een benadelingsbedrag van € 130.000,00.

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een benadelingsbedrag van € 70.000,00 tot € 125.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 9 maanden dan wel een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Anderzijds heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^