Notaris veroordeeld voor valsheid in geschrift vanwege onjuist dateren overeenkomst met het oog op (voorkoming van) beslaglegging door de fiscus

Gerechtshof Arnhem 21 december 2012, LJN BY8274 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een koop-verkoopovereenkomst te antedateren. Dit document diende er toe om aan te tonen dat de inventaris van het bedrijf 1 B.V. op 1 oktober 2004 zou zijn verkocht aan bedrijf 2 B.V. i.o., waardoor inbeslagname door de belastingdienst niet meer mogelijk zou zijn en de Staat derhalve benadeeld zou worden.

In de koop-verkoopovereenkomst staat zowel onder artikel 1 als onder artikel 2 bij levering resp. betaling vermeld dat dat ‘heden’ heeft plaatsgevonden. Hier had naar de verklaring van verdachte 1 oktober 2004 moeten staan.

Ook is de overeenkomst gesloten met bedrijf 2 B.V. i.o. Voor de omstandigheid dat hier nog een B.V. in oprichting wordt genoemd en niet de B.V. heeft verdachte geen verklaring kunnen geven. Het hof is echter van oordeel dat áls verdachte daadwerkelijk per ongeluk het document geantedateerd heeft op 1 oktober 2004, hij had opgenomen bedrijf 2 B.V. en niet bedrijf 2 B.V. i.o. Op 29 november 2004 was de B.V. immers door hem opgericht. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte bewust opgenomen dat de B.V. nog in oprichting was en dat het de bedoeling was dat de overeenkomst op 1 oktober 2004 opgemaakt en getekend zou zijn. Evenmin had hij in geval van een enkele vergissing ten aanzien van de ondertekening bij levering en betaling ‘heden’ ingevuld, maar de datum die aan hem was medegedeeld, te weten 1 oktober 2004.

Dit, in samenhang bezien met de incorrecte datum van ondertekening, maakt dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat verdachte opzettelijk het document valselijk heeft opgemaakt. Er is sprake van een samenloop van te veel feiten en omstandigheden waardoor van slechts een kennelijke verschrijving of vergissing zoals door verdachte is gesteld geen sprake kan zijn.

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitleg van het begrip “verstrekken” van gegevens in art. 126nd Sv in het licht van de Wet bescherming persoonsgegevens

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 december 2012, LJN BY7595 Na een overval op een boekwinkel is verbalisant met twee collega’s naar winkels in de omgeving van de boekhandel gegaan om te vragen of er mogelijk camerabeelden waren van de overval of van de dader. Bij de Kruidvat en een restaurant waren camerabeelden van een man die volledig voldeed aan het door slachtoffer gegeven signalement.

De camerabeelden van Kruidvat werden getoond in een televisie-uitzending van Bureau Brabant, van Omroep Brabant, op maandag 16 januari 2012. Op dinsdag 17 januari 2012 heeft verdachte zelf contact opgenomen met de Politie Brabant Zuid-Oost. Hij gaf aan de hele dag door personen uit zijn omgeving te zijn aangesproken dat hij wel erg veel leek op de camerabeelden welke vertoond waren tijdens de televisie-uitzending van Bureau Brabant.

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de camerabeelden van het Kruidvat - anders dan met betrekking tot de beelden van het restaurant - geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv is gedaan.

Het hof stelt voorop dat beeldmateriaal, gelet op art. 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens onder het bereik van die wet valt, en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de officier van justitie niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan verstrekking van dat beeldmateriaal (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.6 en HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.4).

Indien echter degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden van een bewakingscamera deze beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft verstrekt, althans dat die persoon niet door de politie is gevraagd om op vrijwillige basis deze beelden aan de politie te verstrekken, is geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv vereist (vgl. HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.5)

Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad is er aldus sprake van een gesloten stelsel van bevoegdheden, hetgeen erop neerkomt dat - behoudens verstrekking uit eigen beweging door degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden - gebruik moet worden gemaakt van de door art. 126nd Sv toegekende bevoegdheid de beelden te vorderen.

De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat aan een verzoek tot afgifte van beelden die zijn vastgelegd door middel van - kort gezegd - een beveiligingscamera, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 126nd Sv ten grondslag dient te liggen (HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.4).

Ten aanzien van de vraag of aan een verzoek van de politie aan een derde tot het ter plaatse mogen bekijken van dergelijke camerabeelden eveneens een vordering ex art. 126nd Sv ten grondslag dient te liggen, overweegt het hof dat aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te mogen bekijken - evenals aan een verzoek tot het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden, bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd - een vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 126nd Sv ten grondslag moet liggen. Een dergelijke vordering is echter niet vereist indien degene die verantwoordelijk is voor de beelden, die beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond.

In dit geval heeft de filiaalleidster van de winkel de beelden niet uit eigen beweging getoond, maar op initiatief van de politie. Het ontbreken van een vordering ex art. 126nd Sv levert daarom een vormverzuim ex art. 359a Sv op. Dit leidt echter niet tot bewijsuitsluiting.

"Op grond van artikel 1, onder n, Wbp omvat het ‘verstrekken van persoonsgegevens’ (elke vorm van) het bekendmaken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens. Derhalve is niet alleen het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden (bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd) aan een ander een vorm van verstrekken, maar ook het een ander kennis laten nemen van de persoonsgegevens door deze te tonen aan de ander.

Nu artikel 126nd, eerste lid, Sv een vordering van de officier van justitie verlangt voor het verstrekken van bepaalde vastgelegde gegevens, moet in beginsel aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te bekijken, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126nd, eerste lid, Sv ten grondslag liggen.

Dit lijkt omslachtig in een geval als het onderhavige, waarin de politie een buurtonderzoek is begonnen meteen na een overval en zij zich snel wil oriënteren of beveiligingscamera’s in de buurt van de overval bruikbare beelden bevatten ten behoeve van de opsporing. Voor spoedeisende gevallen (“bij dringende noodzaak”) echter voorziet artikel 126nd, vierde lid, Sv in de mogelijkheid dat de vordering door de officier van justitie mondeling wordt gegeven; in een zodanig geval wordt de vordering achteraf op schrift gesteld en binnen drie dagen na de mondelinge vordering verstrekt aan degene tot wie de vordering is gericht.

Een vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv is, zoals hiervoor overwogen, niet vereist indien (de filiaalleidster van) het Kruidvat de beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant blijkt dat hij zich in het kader van een (buurt)onderzoek naar de overval heeft gewend tot de filiaalleidster van het Kruidvat met de vraag of er een camera in het pand aanwezig was die zicht had op de openbare weg voor het Kruidvat. Nadat verbalisant aan de filiaalleidster had medegedeeld dat er zojuist een overval in de straat had plaatsgevonden en dat het mogelijk was dat de overvaller op de camera’s van het Kruidvat te zien was, heeft de filiaalleidster de beelden getoond die waren gemaakt tussen twee door verbalisant genoemde tijdstippen.

Weliswaar heeft verbalisant de beveiligingsbeelden vrijwillig aan de politie getoond, dat wil zeggen zonder dat de politie dwang in de vorm van strafvorderlijke bevoegdheden heeft toegepast, maar onder de genoemde omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [B] dit uit eigen beweging (op eigen initiatief, spontaan) heeft gedaan. Er was immers sprake van een situatie waarin een opsporingsonderzoek gaande was en de met opsporing belaste instantie op zoek was naar informatie en zich met dat doel tot [B] heeft gericht. Het initiatief tot het tonen van de beelden is in het onderhavige geval dan ook uitgegaan van de politie.

Uit het voorgaande volgt dat aan het verzoek van de politie tot mogen bekijken van de camerabeelden van het Kruidvat een vordering ex artikel 126nd Sv ten grondslag hadden dienen te liggen. Nu een dergelijke vordering niet is gedaan, is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv."

De raadsman heeft hieraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting verbonden. Het hof gaat hier niet in mee:

Voor zover de raadsman het oog heeft gehad op een schending van het door art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat een schending van dat recht niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.7). In de onderhavige zaak heeft bovendien ter relativering van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te gelden dat de beveiligingsbeelden zijn gemaakt in een winkel, zijnde een plaats waarvan algemeen bekend is dat daar opnamen met beveiligingscamera’s plegen te worden gemaakt, derhalve een plaats waar de verdachte bezwaarlijk erop heeft kunnen rekenen dat hij daar onbevangen zichzelf kon zijn. De inbreuk op de privacy is daardoor beperkt.

Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Politieagent veroordeeld wegens valsheid in geschrift en het als ambtenaar opzettelijk geld, dat hij in zijn bediening onder zich had, verduisteren

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 december 2012, LJN BY7597 Verdachte, een politieagent, wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk voor het plegen van valsheid in geschrift en het als politieagent verduisteren van geïncasseerde geldboetes van door hem uitgeschreven bekeuringen. Verdachte was door de rechtbank vrijgesproken.

Verdachte heeft in de periode van 12 april 2009 t/m 19 september 2009 beschikkingen/bekeuringen uitgeschreven. Hierbij werd de volgende handelwijze gebruikt:

  • de bekeuringen zijn uitgeschreven door een motoragent;
  • de bekeuringen werden uitgeschreven aan personen die reden met/op een voertuig met een buitenlands kenteken;
  • op de bekeuringen werd als verbalisantnummer “2258” vermeld (met uitzondering van een bekeuring waarop wel het verbalisantnummer van verdachte is vermeld);
  • op de bekeuringen werd het vakje ambtseed aangekruist (m.u.v. van een bekeuring waar ambtsbeloft is aangekruist);
  • op de bekeuringen werd als team vermeld “teambenaming 1” (m.u.v. twee bekeuringen aan waarop “teambenaming 2” is vermeld);
  • de bekeurden betaalden de bekeuring contant en wanneer zij niet voldoende geld bij zich hadden werden zij verwezen naar de dichtstbijzijnde pinautomaat;
  • op de bekeuring werd in het vakje “Betaald bedrag” het bedrag vermeld dat door de bekeurden was voldaan;
  • de bekeurden kregen de geelgekleurde doorslag van de bekeuring uitgereikt;
  • de bekeuringen zijn niet in het daartoe bestemde systeem van de politie geregistreerd, noch heeft er afdracht van de geïnde geldbedragen plaatsgevonden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing verzoek ex artikel 591a Sv: geen helder en inzichtelijk beeld gegeven in verrichtingen raadsman

Gerechtshof Arnhem 17 december 2012, LJN BY7526 Het hof is ten aanzien van de gevraagde kosten voor rechtsbijstand van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij zijn declaraties in strafzaken zodanig inricht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, een helder en inzichtelijk beeld geven van zijn verrichtingen als raadsman.

Daarvan is in dit geval bij de declaraties van de raadsman geen sprake. Het hof beschikt niet over urenspecificaties en een einddeclaratie. Bij het verzoekschrift zijn enkele facturen en voorschotnota’s gevoegd, die, blijkens de stukken, kennelijk ook betrekking hebben op andere juridische werkzaamheden dan alleen de strafzaak.

Naar het oordeel van het hof kunnen de declaraties van de raadsman dan ook geen deugdelijke basis bieden voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman. Het hof heeft onvoldoende houvast om met betrekking tot de werkzaamheden van de raadsman tot toewijzing van een vergoeding in de kosten van de raadsman te komen. Het verzoek zal derhalve in zo verre worden afgewezen.

Overigens merkt het hof op dat, zelfs indien het hof wel de beschikking zou hebben gehad over de urenspecificaties, het nog maar de vraag is het verzoek toewijsbaar zou zijn geweest, nu uit de stukken blijkt dat de kosten zijn voldaan door een B.V., en niet is gebleken dat de kosten van de raadsman daadwerkelijk ten laste van appellant zijn gekomen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften en de omstandigheid dat het verzoekschrift door twee instanties is behandeld, de vergoeding voor de kosten verbonden aan het indienen en de behandeling van het verzoekschrift dient te worden gesteld op € 810 (inclusief BTW).

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrifte en het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 december 2012, LJN BY7470 Het Hof veroordeelt de verdachte ter zake van feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 45.000,00.

De rechtspersoon heeft ter zake van gefingeerde leveringen van auto’s opzettelijk aftrek van voorbelasting in haar aangiften omzetbelasting geclaimd waar zij geen recht op had. Aan de valse facturen aan de rechtspersoon lagen geen daadwerkelijke leveringen ten grondslag, zodat ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de omzetbelasting (zoals deze toen luidde) de gefactureerde omzetbelasting niet in aftrek kon komen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Celstraf en boete voor piloot die onbevoegd Boeing 737 vliegt

Een Zweedse piloot is voor het jarenlang een vliegtuig besturen zonder geldig bewijs van bevoegdheid een straf opgelegd van € 2000 en een ontzegging van de bevoegdheid aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel voor de duur van 24 maanden. Voor het voorhanden hebben van een vals bewijs van bevoegdheid is hem een gevangenisstraf opgelegd van 90 dagen waarvan 74 voorwaardelijk en een geldboete van € 2000.

Het gerechtshof Amsterdam heeft dat vandaag uitgesproken.

Vals bewijs

De Zweedse piloot heeft op 2 maart 2010 op Schiphol een vals bewijs van bevoegdheid om een vliegtuig te besturen, een Zweedse 'flight crew licence', voorhanden gehad en aan opsporingsambtenaren getoond. Ook heeft hij heeft jarenlang als gezagvoerder van een Boeing 737 gevlogen zonder dat hij daarvoor een geldig bewijs van bevoegdheid had.

Ernstige feiten

Met het oog op de veiligheid van het luchtvaartverkeer, passagiers en medebemanningsleden is het van groot belang dat vertrouwen kan worden gesteld in een bewijs om een vliegtuig te besturen. De verdachte heeft dit vertrouwen door zijn handelen in ernstige mate geschonden.

Ook heeft hij de strikte regelgeving voor het luchtvaartverkeer, die mede ziet op de veiligheid van de luchtvaart, willens en wetens met de voeten getreden hetgeen het hof de verdachte kwalijk neemt.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte tracht een nieuw bestaan op te bouwen en een blanco strafblad in Nederland heeft. Verder heeft het hof rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep.

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Cel- en werkstraffen voor ambtelijke corruptie en omkoping in Limburg

In hoger beroep zijn vandaag zes verdachten van ambtelijke corruptie en omkoping in Limburg veroordeeld tot (deels voorwaardelijke) celstraffen variërend van 12 maanden tot twee jaar. Daarnaast kregen twee verdachten een werkstraf opgelegd. Het gaat om ambtenaren van diverse gemeenten en de provincie Limburg en om twee directieleden en een medewerker van het bouwbedrijf Janssen de Jong Infra BV die de giften, al dan niet op uitdrukkelijk verzoek van de ambtenaren, verstrekten. Ook de echtgenote van een ambtenaar werd veroordeeld wegens medeplichtigheid. Eén ambtenaar is vrijgesproken.

Omkoping door medewerkers bouwbedrijf

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de 39-jarige regiomanager van het bouwbedrijf van 1 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 ambtenaren van de gemeenten Stein, Maastricht, Heerlen en Nuth en de provincie Limburg heeft omgekocht. Volgens het hof staat vast dat de man de ambtenaren geld gaf en gratis werkzaamheden in privéwoningen en tuinen van die ambtenaren uitvoerde. Daarnaast betaalde hij een babyborrel evenals een volledig verzorgde vliegreis, diners, toegangskaarten voor concerten en voetbalwedstrijden en uitstapjes zoals kleiduivenschieten en quadrijden.

De 52-jarige voormalige directeur van het bouwbedrijf heeft in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 januari 2009 twee ambtenaren van de gemeenten Stein en Maastricht omgekocht met geld en een volledig verzorgde vliegreis naar de grand prix in Monaco en een volledig verzorgd bezoek aan een concert van Robbie Williams.

Een 33-jarige medewerker van het bouwbedrijf kocht in de periode van 1 januari 2005 tot 1 augustus 2007 een ambtenaar van de provincie Limburg om met diverse gratis verbouwingswerkzaamheden aan de privéwoning van de betreffende ambtenaar.

Vertrouwen burger geschaad

Het hof oordeelt dat door het omkopen van ambtenaren het vertrouwen van de burger in de overheid ernstig is geschaad. De mannen hebben door het omkopen van ambtenaren de wegenbouwmarkt verstoord, hun bedrijf op oneerlijke wijze voordeel verschaft en daarmee andere aannemers benadeeld.

Het hof legt de regiomanager een celstraf op van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De directeur wordt veroordeeld tot een celstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De medewerker van het bouwbedrijf krijgt een werkstraf van 150 uur opgelegd.

Omgekochte ambtenaren

De omgekochte ambtenaren in deze zaak hebben door hun handelen de integriteit van de overheid ernstig aangetast. Door het aannemen van de giften hebben ze het in hen gestelde vertrouwen beschaamd en hebben ze hun positie misbruikt ten behoeve van hun privébelang.

Een provincieambtenaar krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden voor de duur van 4 jaar. Daarnaast moet hij de provincie Limburg een schadevergoeding betalen van 19.450 euro. Het hof acht het wettig en overtuigend bewezen dat de man gratis werkzaamheden ontving aan zijn huis en tuin en een gratis kraamborrel kreeg.

De echtgenote van de provincieambtenaar krijgt een werkstraf opgelegd van 200 uur en een voorwaardelijke celstraf van drie maanden. Het hof veroordeelt haar voor medeplichtigheid, omdat zij zelf actief betrokken was bij het verstrekken van de opdrachten en het plannen van de gratis verrichte bouwwerkzaamheden aan de woning.

Drie ambtenaren van de gemeenten Maastricht, Heerlen en Nuth zijn ieder veroordeeld tot celstraffen van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk. Een ambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen krijgt een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De ambtenaren zijn daarnaast voor jaren uit hun recht ontzet om een ambt te bekleden.

Eerdere uitspraken rechtbank

De rechtbank 's-Hertogenbosch veroordeelde op 21 januari 2011 de regiomanager en de ex-directeur van het bouwbedrijf tot respectievelijk 24 maanden waarvan 10 voorwaardelijk en 12 maanden waarvan zes voorwaardelijk. De medewerker werd door de rechtbank vrijgesproken. Vier ambtenaren werden veroordeeld tot celstraffen van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk en 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De echtgenote van de provincieambtenaar werd veroordeeld tot een werkstraf (240 uur) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden voor medeplegen en één ambtenaar werd vrijgesproken.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Kan een bij de politie afgelegde verklaring door een niet-aangehouden verdachte, die niet is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, worden gebezigd in de ontnemingszaak?

Gerechtshof Leeuwarden 20 december 2012, LJN BY6910 Vordering

De officier van justitie heeft gevorderd de ontneming van veroordeelde van een bedrag van € 280.274.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op datzelfde bedrag en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Salduz-verweer

Door de raadsman is ter zitting van het hof gesteld, dat de verklaringen van veroordeelde, afgelegd bij de politie, niet kunnen worden gebruikt bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat hoewel veroordeelde niet was aangehouden, hij zich ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevond. Veroordeelde is voorafgaand aan de verhoren niet gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Wanneer veroordeelde wel een advocaat had gesproken, dan had hij zich hoogstwaarschijnlijk op zijn zwijgrecht beroepen en had hij deze verklaringen niet afgelegd. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Nu er voor het overige niets is waar de soortgelijke feiten als die in de bewezenverklaring aannemelijk mee gemaakt kunnen worden, dient de vordering in zijn geheel te worden afgewezen, aldus de raadsman.

Beoordeling Hof

Het hof stelt met betrekking tot de feiten het volgende vast.

Op 2 september 2010 omstreeks 14:00 uur bevindt verbalisant zich op het perceel van veroordeelde ter controle van bepalingen in de Opiumwet. Veroordeelde is op dat moment niet thuis. De verbalisant neemt telefonisch contact op met veroordeelde en deelt hem mede dat hij ter controle een schuur op het perceel van veroordeelde wil controleren. Veroordeelde deelt telefonisch mede hoe de deur van de schuur kan worden geopend en ook deelt veroordeelde mede dat verbalisant daar ongeveer 500 stuks hennepplanten zal aantreffen. Tevens geeft veroordeelde aan dat hij ergens in Twente aan het werk is maar dat hij naar verbalisant toe zal komen. Om 15:40 uur komt veroordeelde ter plaatse. Kort daarna verleent hij de verbalisanten toegang tot zijn woonhuis. Ook daar worden hennepplanten aangetroffen. Na overleg wordt veroordeelde nog in de gelegenheid gesteld om te douchen waarna veroordeelde met de verbalisant mee naar het politiebureau gaat, om als verdachte te worden gehoord. Diezelfde dag nog legt veroordeelde op het politiebureau twee verklaringen af, die kort gezegd inhouden dat veroordeelde gedurende een aantal jaren hennep heeft geteeld.

Het hof stelt vast dat veroordeelde niet de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste noch tweede verhoor aangaande zijn betrokkenheid bij de hennepplantages een advocaat te raadplegen. Voorts stelt het hof vast dat veroordeelde niet was aangehouden.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of veroordeelde zich bij het afleggen van de verklaringen in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond.

In casu was er sprake van een betrapping op heterdaad. Veroordeelde, die op dat moment reeds werd aangemerkt als verdachte, is evenwel niet aangehouden in de zin van art. 53 Sv. Wanneer in een geval van betrapping op heterdaad de politie ervoor kiest om een verdachte niet aan te houden maar de verdachte wel aan een verhoor te onderwerpen op het politiebureau, dient de politie zich er van te vergewissen dat het voor die verdachte duidelijk is dat er op dat moment geen sprake is van een zodanige (dreigende) vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking dat het voor verdachte niet mogelijk is om zich aan het verhoor te onttrekken. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat veroordeelde op de hoogte was of kon zijn van de omstandigheid dat hij zich desgewenst aan het verhoor had kunnen onttrekken juist nu er sprake was van een betrapping op heterdaad en de verdachte in de veronderstelling mocht verkeren dat er niets anders opzat dan mee te gaan naar het politiebureau voor verhoor, hetzij vrijwillig hetzij daartoe gedwongen na te zijn aangehouden. Het hof houdt het er dan ook voor dat veroordeelde verontschuldigbaar in het ongewisse was van zijn specifieke strafprocessuele positie als niet-aangehouden verdachte. Dit maakt dat veroordeelde zich onder deze omstandigheden bij het afleggen van zijn verklaringen in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond. Veroordeelde had in dit geval op die grond derhalve gewezen moeten worden op zijn recht om een advocaat te raadplegen.

Indien een aangehouden verdachte niet wordt gewezen op zijn recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor een advocaat te raadplegen, levert dat een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv dat, na een daartoe strekkend verweer in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van die bewuste verhoren. Nu veroordeelde zich in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond, zal het hof de verklaringen van veroordeelde, afgelegd ten overstaan van de politie op 2 september 2010 dan ook uitsluiten voor het bewijs.

Voor het overige is uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen noch uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wederrechtelijk verkregen voordeel door onder meer ambtelijke omkoping

Gerechtshof 's-Gravenhage 17 december 2012, LJN BY6877 Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage is de veroordeelde, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd en medeplegen van valsheid in geschrift, veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het OM heeft in eerste aanleg de ontneming gevorderd van een bedrag van € 101.107,21.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft deze vordering toegewezen en het te ontnemen bedrag gesteld op € 101.107,21.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 101.106,91.

Het hof ziet echter – anders dan de advocaat-generaal - in het feit dat sprake is van navorderingsaanslagen die tegen een hoger tarief zijn belast dan zij op het moment van terugbetaling van het wederrechtelijk voordeel, wanneer de veroordeelde een lager inkomen zal hebben, kunnen worden teruggevorderd, aanleiding het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen.

Ook de overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding tot matiging.

Het hof legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nederland hoeft drie Congolese getuigen niet van Internationaal Strafhof over te nemen

Het gerechtshof in Den Haag heeft vandaag bepaald dat de Staat drie Congolezen, die in detentie zitten bij het Internationaal Strafhof, niet hoeft over te nemen in Nederlandse vreemdelingenbewaring. Dit is de uitkomst van het kort geding dat de Congolezen tegen de Staat hadden aangespannen. Drie personen, onderdanen van de Democratische Republiek Congo, zitten vanaf maart 2011 als getuigen gedetineerd bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Daarvóór zaten zij gedetineerd in Congo op verdenking van (oorlogs)misdrijven. Nadat de getuigenverhoren voor het ICC waren afgelopen, hebben de drie in Nederland asiel aangevraagd. Op twee van de drie asielaanvragen is inmiddels een afwijzende beslissing genomen. In afwachting van een definitieve beslissing op hun asielaanvragen wil het ICC hen niet naar Congo terugsturen.

De drie getuigen hebben in kort geding gevorderd (kort gezegd) om de Staat te veroordelen hen over te nemen, zodat zij niet langer bij het ICC vast zitten maar in Nederlandse vreemdelingenbewaring komen. Volgens de drie zitten zij thans in een uitzichtloze positie. De voorzieningenrechter heeft in eerste aanleg deze vordering toegewezen. De Staat was het met deze beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof.

Het gerechtshof is mede op basis van een recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tot een andere beslissing gekomen. Het hof oordeelt dat de drie getuigen hun detentie niet voor de Nederlandse rechter kunnen aanvechten, omdat zij niet onder de rechtsmacht van Nederland vallen. Het feit dat zij thans in detentie verkeren is het gevolg van het feit dat zij in Congo gedetineerd waren. De Nederlandse rechter kan niet beslissen over de rechtmatigheid van die detentie. Volgens het hof is ook geen sprake van een uitzichtloze situatie. Naar verwachting zal aan hun detentie door het ICC een einde komen nadat definitief over hun asielaanvragen is beslist.

 

Print Friendly and PDF ^