Wrakingsverzoek omdat rechter ter zitting heeft aangegeven dat hij een van de verdachten kent uit een eerdere strafzaak

Rechtbank Noord-Nederland 30 september 2013,ECLI:NL:RBNNE:2013:6445

Mr. W.Chr. de Roos heeft namens A op de zitting van 30 september 2013 een verzoek tot wraking ingediend van mr. E.W. van Weringh als jongste lid van de meervoudige strafkamer die de strafzaken onder parketnummers 18/670149-12 en 18/670150-12 tegen A en B behandelt. Mr. P. van Jaarsveld heeft zich namens B bij dit wrakingsverzoek aangesloten.

Op 30 september 2013 zijn de verzoeken van A en B tot wraking behandeld ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank. Ter zitting hebben mrs. De Roos en Van Jaarsveld hun verzoeken toegelicht. Mr. Van Weringh heeft aangegeven dat hij niet berust in de wrakingsverzoeken en heeft zijn standpunt ter zitting mondeling toegelicht. Voorts is de officier van justitie gehoord.

Na beraad in raadkamer heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Het standpunt van A en B

Door de wijze waarop mr. Van Weringh zijn vragen aan A inleidde heeft mr. Van Weringh er volgens mr. De Roos blijk van gegeven niet onpartijdig te zijn. Mr. Van Weringh verwees namelijk naar een eerdere zaak van A, die is behandeld door de meervoudige kamer waarvan mr. Van Wering voorzitter was. De strekking van de inleiding door mr. Van Weringh was volgens mr. De Roos “Denk erom, ik ken je van de vorige zaak”. Mr. Van Weringh heeft hierdoor laten blijken dat hij conclusies met betrekking tot de onderhavige zaak trekt uit het vorige dossier.

Mr. Van Jaarsveld heeft zich bij het wrakingsverzoek van mr. De Roos aangesloten, stellende dat uit de door mr. Van Weringh gebruikte woorden “nog steeds” (de schijn van) vooringenomenheid moet worden afgeleid. Mr. Van Jaarsveld had deze bewoordingen graag opgenomen gezien in het proces-verbaal dat door de meervoudige strafkamer is opgemaakt naar aanleiding van het verzoek tot wraking. Aangezien de meervoudige strafkamer daartoe niet was genegen, heeft mr. Van Jaarsveld de wrakingskamer verzocht de behandeling van de wrakingsverzoeken aan te houden teneinde een uitgebreider proces-verbaal te laten opmaken door de meervoudige strafkamer.

Het standpunt van mr. Van Weringh

Mr. Van Weringh stelt met verbazing te hebben kennisgenomen van de wrakingsverzoeken. Hij heeft inderdaad als voorzitter van een meervoudige strafkamer geoordeeld over een eerdere zaak van A. In het dossier van de onderhavige zaak is veelvuldig verwezen naar deze eerdere zaak. Ter zitting van de meervoudige strafkamer heeft hij niet meer gedaan dan citeren uit het onderhavige dossier en [A] vragen daarop te reageren. Ter inleiding van die vraag heeft hij inderdaad gememoreerd dat hij de vorige zaak kende. Woorden als “denk erom” en “nog steeds” heeft hij niet gebruikt, aldus mr. Van Weringh.

De beoordeling

Alvorens inhoudelijk op de wrakingsverzoeken in te gaan dient de rechtbank te beslissen op het verzoek van mr. Van Jaarsveld om de behandeling van die wrakingsverzoeken aan te houden teneinde de meervoudige strafkamer in de gelegenheid te stellen de behandeling van de strafzaken te heropenen en een uitgebreider proces-verbaal op te stellen.

De rechtbank wijst dit verzoek tot aanhouding en terugverwijzing naar de meervoudige strafkamer af. Van een griffier kan niet worden verlangd dat al hetgeen ter zitting wordt besproken letterlijk wordt vastgelegd. Bovendien heeft mr. Van Jaarsveld zelf ook aangegeven niet meer exact te kunnen reproduceren wat er is gezegd, zodat er altijd een verschil van mening zal blijven bestaan over wat er nu precies is gezegd. De rechtbank zal daarom hierna een inhoudelijk oordeel geven over de wrakingsverzoeken.

Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

Uit hetgeen ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank is besproken is het volgende gebleken:

  • mr. Van Weringh heeft, uit eigen beweging, aangegeven dat hij verdachte A kende vanuit een eerder dossier;
  • mr. Van Weringh heeft aan verdachte A een vraag gesteld naar aanleiding van de inhoud van het huidige dossier, waaruit door mr. Van Weringh is voorgelezen.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat mr. Van Weringh een eerdere zaak van verdachte A heeft behandeld, en dat ook A ter zitting heeft meegedeeld, onvoldoende is om de schijn van partijdigheid te wekken. Het gaat erom of door de persoonlijke instelling van mr. Van Weringh de vrees van partijen van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De door mr. De Roos tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek genoemde woorden “denk erom” zijn, zo deelde mr. De Roos desgevraagd mee, niet door mr. Van Weringh gebezigd. Andere feiten of omstandigheden waar deze vrees op is gebaseerd, zijn gesteld noch gebleken.

Mr. Van Jaarsveld stelt dat mr. Van Weringh de woorden “nog steeds” zou hebben gebezigd. Mr. Van Weringh heeft het gebruik van die woorden ontkend. Wat daar verder van zij, ook al zouden deze woorden zijn gebruikt dan leveren deze naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende objectivering op om van vooringenomenheid te kunnen spreken.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat mr. Van Weringh jegens A een vooringenomenheid koestert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Het wrakingsverzoek zoals geformuleerd door mr. De Roos zal, gezien het vorenstaande, worden afgewezen. Dit geldt ook voor het door mr. Van Jaarsveld geformuleerde verzoek, dat een afgeleide is van het verzoek van mr. De Roos.

De conclusie is dan ook dat beide wrakingsverzoeken worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF