Werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden ter zake valsheid in geschrifte en het doen van onjuiste belastingaangiftes

Rechtbank Gelderland 26 november 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:4814

Op 26 oktober 2009 is door de Belastingdienst Oost kantoor Almelo een boekenonderzoek ingesteld bij bedrijfsnaam 6 (waaronder bedrijfsnaam 1 en bedrijfsnaam 2) en verdachte in zijn hoedanigheid van eenmanszaak. Aanleiding voor het boekenonderzoek was dat door bedrijfsnaam 6 over de te controleren jaren alleen maar negatieve aangiften omzetbelasting werden aangeleverd. Tijdens het boekenonderzoek is een tweetal vermoedelijk fictieve goederenstromen vastgesteld in de eenmanszaak van verdachte. Door de FIOD is vervolgens een opsporingsonderzoek gestart tegen verdachte en de aan hem gelieerde rechtspersonen.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en heeft die in zijn op schrift gestelde requisitoir toegelicht.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte onder druk en bedreiging heeft meegewerkt aan het opmaken en verwerken van diverse valse facturen. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat een andere beweegreden voor het opmaken en het verwerken van de valse facturen was om een hogere omzet te genereren teneinde het door de bank verstrekte krediet te behouden dan wel te kunnen verhogen.

De raadsvrouw heeft een en ander verwoord zoals weergegeven in de door haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verschillende verklaringen en bevindingen zijn hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven.

Met betrekking tot feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • De verklaring van verdachte tegenover zowel de FIOD als tegenover de meervoudige kamer van de rechtbank.
  • De zich in het dossier bevindende valse facturen zoals die in de debiteuren-, inkoop-, verkoop- en bedrijfsadministratie van verdachte en de aan hem gelieerde rechtspersonen zijn opgenomen en verwerkt.
  • De verklaringen van getuigen namens de bedrijven die zijn genoemd in de tenlastelegde facturen.

Met betrekking tot feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • De verklaring van verdachte tegenover de FIOD.
  • De verklaring van (mede)verdachte tegenover de FIOD.
  • De aangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2006 tot en met juni 2007 ten name van verdachte, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken juli 2007 tot en met december 2009 ten name van de fiscale eenheid bedrijfsnaam 6 en bedrijfsnaam 1.
  • De bevindingen met betrekking tot voornoemde aangiften omzetbelasting.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat - op zichzelf genomen - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden zou zijn. Echter in het voordeel van verdachte kan worden gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte als natuurlijk persoon geprofiteerd heeft van zijn frauduleuze handelswijze. Verdachte en zijn gezin hebben thans een levensstijl die zich op bijstandsniveau bevindt. Verdachte en zijn echtgenote zijn beiden in dienst bij een diervoederbedrijf, waar zij beiden trachten hun privéschulden aan de ING Bank en de Belastingdienst in te lossen. De rechtbank houdt ook rekening met de justitiële documentatie van verdachte d.d. 22 augustus 2012 waarop behalve na te noemen vonnis een tweetal betaalde transacties uit 2001 en 2011 prijkt. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte oude feiten worden verweten - overigens zonder dat door de rechtbank wordt geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn - en houdt de rechtbank, gelet op een door de Duitse rechter opgelegd vonnis van 2 juni 2010 ter zake de Duitse fiscaal strafrechtelijke pendant van de onderhavige strafzaak, rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding een forse onvoorwaardelijke werkstraf alsmede een eveneens forse voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. De rechtbank gaat ervan uit dat een dergelijke straf voldoende effectief zal zijn om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden om strafbare feiten op met name fiscaal gebied te plegen.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een werkstraf voor de duur van tweehonderdenveertig uur opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF