Vrijwillig afstand van aanwezigheidsrecht? HR verduidelijkt: vermoeden vrijwillig afstand gedaan van aanwezigheidsrecht & mogelijkheid achteraf vaststellen dat aan aanwezigheidsrecht tekort is gedaan

Hoge Raad 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128

De verdachte is bij arrest van 22 december 2015 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week.

Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van een mutatie rapport van de politie van het Basisteam Arnhem-Noord, opgemaakt op 22 december 2015 te 12.22 uur. Daaruit blijkt dat de verbalisanten op 22 december 2015 te 10.54 uur een melding kregen over een verwarde man in een trein die aan kwam op station Arnhem Centraal. De verbalisanten hebben deze man, die blijkt de verdachte te zijn, aangesproken en hem overgebracht naar het politiebureau te Ede teneinde hem door Pro Persona1 te laten beoordelen. Volgens het mutatie rapport heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat hij “om 11.40 een zitting had op de rechtbank”. Op het politiebureau is de verdachte vervolgens ingesloten. Uit de inhoud van het mutatie rapport kan worden afgeleid dat de verdachte in ieder geval om 12.22 uur nog niet was beoordeeld door Pro Persona en derhalve nog ingesloten was.

Uit het mutatie rapport – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld – kan dus worden afgeleid dat de verdachte die ochtend op weg was naar de zitting van het hof te Arnhem die om 11.40 uur zou plaatsvinden en ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep was ingesloten op het politiebureau Ede.
 

Middel

Het eerste middel klaagt dat de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen en de hiermee verbonden impliciete beslissing dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht onjuist zijn, omdat achteraf is gebleken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd, zodat onder meer art. 6 EVRM is geschonden.

In de toelichting op het middel wordt gewezen op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat tekort is gedaan aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, indien tegen hem verstek is verleend, terwijl achteraf blijkt dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd. In een dergelijk geval moet de verdachte de mogelijkheid hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen, dient het arrest te worden vernietigd en de zaak te worden teruggewezen naar het hof.
 

Beoordeling Hoge Raad

Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de basisregistratie personen, rechtsgeldig is betekend, de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en de ter terechtzitting aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsvrouwe niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was.

Uit het hiervoor vermelde stuk – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte zeer kort voor de aanvang van die terechtzitting door de politie is "meegenomen" en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof, terwijl de verdachte aan de politie heeft meegedeeld "dat hij om 11.40 uur een zitting had". Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.

Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

De Hoge Raad tekent hierbij aan dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in HR 4 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486 in die zin dat het daar ging om een verdachte die al enkele weken gedetineerd was voordat de terechtzitting plaatsvond in welk geval kan worden aangenomen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest een aanhoudingsverzoek te (doen) indienen.
 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF