Vrijspraak voor verduistering subsidiair oplichting wegens teveel onduidelijkheden

Rechtbank Den Haag 21 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15059

Naar aanleiding van een inzamelingsactie in 2013 ten behoeve van de redding van de pier te Scheveningen, heeft een aantal donateurs, waaronder benadeelde partij, geldbedragen op een daartoe geopende rekening gestort. Een schriftelijke overeenkomst omtrent deze donaties ontbreekt. De reddingsactie heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden en de geldbedragen zijn tot op heden niet terugbetaald aan de donateurs.

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering van deze geldbedragen (primair) dan wel aan oplichting van de donateurs (subsidiair). Gelet op de ontkennende verklaringen van de verdachte ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem primair ten laste gelegde feit (de verduistering) heeft begaan. Volgens de officier van justitie kan uit de aangifte namens de benadeelde partij en de getuigenverklaring van getuige worden opgemaakt dat was afgesproken, dat de op een tussenrekening gestorte geldbedragen ten behoeve van de reddingsactie van de pier te Scheveningen op die rekening zouden blijven staan en binnen twee weken zouden worden terugbetaald als het beoogde doel niet behaald zou worden. Dat is niet gebeurd. Volgens de officier van justitie is gebleken dat verdachte de beheerder was van die tussenrekening en dat hij de gedoneerde gelden daarvan heeft overgemaakt naar zijn eigen rekening. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verduistering, nu niet duidelijk is geworden wat de afspraken met betrekking tot het geld waren. In de visie van de verdachte zou het geld na twee jaren met rente worden terugbetaald en mocht hij in de tussentijd over het geld beschikken. Wegens faillissement is het geld uiteindelijk niet terugbetaald kunnen worden en dat valt de verdachte niet te verwijten, aldus de verdediging. In dit verband wijst de verdediging er op dat ook de curator van het faillissement de verdachte hiervoor nooit aansprakelijk heeft gehouden. Betwist wordt dat verdachte zich het geld opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde oplichting heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit. Er is geen sprake geweest van een van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen. De verdachte heeft geen gebruik gemaakt van een valse naam, van een valse hoedanigheid, van listige kunstgrepen of van een samenweefsel van verdichtsels. Evenmin is gebleken dat verdachte hierdoor iemand heeft bewogen tot het storten van een geldbedrag, aldus de verdediging.

Beoordeling rechtbank

Algemeen

De rechtbank merkt op dat in deze zaak het onderzoek door de politie beperkt is gebleven. Zo heeft de politie geen nader onderzoek verricht naar aanleiding van hetgeen verdachte in zijn verhoor van 29 maart 2016 heeft aangevoerd. Aangever en getuige zijn hiermee niet geconfronteerd. Evenmin heeft naar aanleiding daarvan nader onderzoek plaatsgevonden naar andere mogelijk relevante bronnen. Dit heeft tot gevolg dat het dossier veel vragen oproept, die nu niet kunnen worden beantwoord. Ter terechtzitting heeft de rechtbank dit aan de orde gesteld en zich hardop afgevraagd of het onderzoek wel volledig is geweest. Naar aanleiding daarvan heeft de officier van justitie, na overleg met de verschenen benadeelde partij, uitdrukkelijk verzocht om vonnis te wijzen. De rechtbank honoreert dit verzoek, mede gelet op het tijdsverloop sinds de aangifte van 22 mei 2014. Vanwege de vele onbeantwoord gebleven vragen en de ruimte voor twijfel die daardoor blijft bestaan, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Primair (vrijspraak)

Is verdachte in persoon rechtstreeks strafrechtelijk verantwoordelijk?

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is het van belang vast te stellen wie de beheerder was van de rekening waarop donateurs geld konden storten. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat dit verdachte was. Het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen (p54) wijst er veeleer op dat dit (de later gefailleerde) naam stichting betreft, waarvan verdachte bestuurder was. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte als beheerder van de betreffende rekening moet worden aangemerkt en daarmee rechtstreeks in persoon – zoals ten laste is gelegd - strafrechtelijk verantwoordelijk is.

Is er sprake van wederrechtelijk toe-eigenen?

Voor een bewezenverklaring van verduistering dient verder te worden vastgesteld wat er over het geld en het beheer daarvan is afgesproken, zodat kan worden bepaald of het geld wederrechtelijk is toegeëigend zoals bedoeld in de wet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook dit op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet worden vastgesteld. Tegenover de verklaringen van aangever en getuige, die niet door andere bewijsmiddelen worden ondersteund, staat de verklaring van verdachte en een schriftelijk stuk dat door de verdediging ter zitting is overgelegd. In dit stuk, voorstellende een inschrijfformulier voor een donatie ten behoeve van de pier, staat het volgende:

“ naam stichting betaald na twee jaar een winst uit van 5% per periode jaar, ook is het mogelijk dat u uw inleg middels uw aandeel, kan verzilveren na deze twee jaar”.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat op basis van de thans beschikbare informatie teveel ruimte voor twijfel bestaat om te kunnen vaststellen dat de afspraken over het geld en het beheer daarvan luidden zoals aangever en getuige hebben verklaard. Dit betekent ook dat er onvoldoende feitelijke basis is om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte zich het geld opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Wat is de pleegplaats?

Ten slotte overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de verweten gedragingen in Den Haag hebben plaatsgevonden, zoals ten laste is gelegd, zodat alleen al om die reden niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde (verduistering) heeft begaan, zodat de rechtbank de verdachte hiervan zal vrijspreken.

Subsidiair (vrijspraak)

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat zich in het dossier ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om te komen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Het enkele niet nakomen van een overeenkomst, nog daargelaten of verdachte dan wel naam stichting als wederpartij van de donateurs heeft te gelden en wat de inhoud van die overeenkomst is geweest, levert nog niet het misdrijf oplichting op. Niet is gebleken dat verdachte zichzelf of een ander met behulp van een of meerdere van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen wederrechtelijk heeft bevoordeeld. De verdachte zal daarom ook van het hem subsidiair ten laste gelegde (oplichting) worden vrijgesproken.


Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF