Vrijspraak voor vennoot VOF: feitelijk leidinggeven aan het plegen van belastingfraude niet bewezen

Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:854

De verdenking komt er op neer dat verdachte, die samen met haar - inmiddels overleden - echtgenoot vennoot was van een bedrijf, opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting (feit 1) en het opzettelijk voor raadpleging beschikbaar stellen van valse facturen (feit 2).

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van beide feiten en er op gewezen dat de in het dossier aanwezige stukken die ten grondslag lagen aan de foutieve aangiften omzetbelasting telkens namens en op verzoek van de echtgenoot van de verdachte valselijk zijn opgemaakt.

Oordeel gerechtshof

Door zowel de verdachte als haar echtgenoot is steeds verklaard dat de echtgenoot zich bezig hield met de administratie en de overige activiteiten van de vennootschap en dat de verdachte slechts zo nu en dan verkoopwerkzaamheden in de winkel heeft verricht. Hoofdzakelijk zorgde zij voor het huis en de kinderen. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voorts niet gebleken dat de verdachte wetenschap had van het laten opstellen en vervolgens opnemen van valse facturen in de administratie van de vennootschap ten behoeve van de aangiften omzetbelasting, laat staan dat zij daartoe opdracht zou hebben gegeven.

De enkele omstandigheid dat de verdachte als mede-vennoot geregistreerd stond, maakt haar niet zonder meer strafrechtelijk aansprakelijk voor de valsheid in geschrifte en belastingfraude die door haar mede-vennoot in het kader van de vennootschap zouden zijn begaan. Ook de omstandigheid dat de verdachte er wetenschap van had dat in voorgaande jaren de administratie van de vennootschap niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, maakt nog niet dat zij door zich verder niet met die administratie te bemoeien daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar medevennoot vervolgens valse facturen zou laten opstellen en deze aan aangiften ten grondslag zou leggen en aan de Belastingdienst beschikbaar zou stellen. Uit niets blijkt immers dat eerder van valse of vervalste stukken in de administratie sprake is geweest. Daarbij komt dat aan de uiterlijke verschijningsvorm van de desbetreffende facturen, zou de verdachte deze al onder ogen hebben gekregen, zonder verdere gedetailleerde wetenschap van de bedrijfsvoering van de vennootschap - waarvan in het geval van de verdachte niet is gebleken - niet is te zien dat deze vals of vervalst zouden zijn.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot of feitelijk leiding heeft gegeven aan de ten laste gelegde verboden gedragingen, zijnde het handelen van het bedrijf voor zover dit handelen betrekking heeft gehad op het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting en opzettelijk voor raadpleging beschikbaar stellen van valse facturen door het bedrijf Nu zij naar het oordeel van het hof geen wetenschap had van deze gedragingen, kon van haar ook niet worden gevergd een einde te maken aan die verboden gedragingen.

Nu de verdachte reeds op grond van het vorenstaande dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, kunnen de vraag of de facturen wel vals of vervalst waren en de vraag of er wel sprake is geweest van het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan in de zin van artikel 47 van de AWR, verder onbesproken blijven.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF