Vrijspraak voor uitkeringsfraude

Rechtbank Utrecht 21 september 2012, LJN BY3525 (gepubliceerd op 19 november 2012) Tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 april 2011 bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan hij een uitkering kreeg in kennis te stellen van vermogen waarover zij beschikte.

De vordering van de officier van justitie 

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode vanaf 20 april 2007 tot en met 20 april 2011 schuldig heeft gemaakt aan hetgeen in de tenlastelegging is verwoord. Ten aanzien van de periode heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de datum waarop de moeder van medeverdachte 1 is overleden. Vanaf dat moment had verdachte, samen met haar medeverdachte, de volledige beschikking over de banktegoeden, ondergebracht in Luxemburg bij bedrijf 1, van de ouders van medeverdachte.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening bestaande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover betrokkene kon beschikken. Derhalve had verdachte het vermogen dat op de bankrekeningen van bedrijf 1 stond, op moeten geven aan de uitkeringsinstantie.

Standpunt verdediging 

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte nimmer opzettelijk heeft nagelaten de nodige gegevens te verstrekken. Verdachte was enkel mederekeninghouder van de rekeningen van medeverdachte en van de ouders van medeverdachte. Het vermogen op deze rekeningen was niet van verdachte, zoals ook volgt uit het testament van de schoonmoeder van verdachte. Om die reden heeft verdachte nooit enig vermoeden gehad dat deze rekeningnummers dienden te worden opgegeven. Daarbij heeft verdachte nooit enig voordeel genoten van het vermogen op deze bankrekeningen en altijd op bijstandsniveau geleefd.

Oordeel rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk heeft nagelaten (het vermogen op) de bankrekeningen op te geven bij de uitkeringsinstantie.

Verdachte was gemachtigde van een aantal Luxemburgse bankrekeningen bij bedrijf 1. Ten aanzien van deze rekeningen heeft verdachte verklaard dat deze rekeningen toebehoorden aan haar schoonouders. Vlak voor het overlijden van de vader van medeverdachte, in 2003, is besloten om alle tegoeden over te schrijven op de rekeningen van verdachte en haar medeverdachte. In het testament van de schoonmoeder van verdachte, opgemaakt op 27 december 2006, is te lezen dat haar schoonouders gezamenlijk vermogen hebben opgebouwd bestaande uit onroerend goed en spaartegoed bij een Luxemburgse bank. Vanwege de hoge leeftijd van de schoonmoeder van verdachte is het tegoed overgemaakt naar verdachte en medeverdachte. In het testament staat dat deze tegoeden op de eerste plaats dienden te worden aangewend voor de financiële afwikkeling van een juridisch conflict tussen de schoonouders van verdachte en derden over de eigendom van onroerend goed. Het restant tegoed diende, aldus genoemd testament, in vieren gedeeld te worden onder verdachte en medeverdachte en de drie kleinkinderen.

Uiteindelijk heeft vereffening plaatsgevonden met een aantal schuldeisers betreffende het onroerend goed. Het resterende bedrag is vervolgens, overeenkomstig het testament, in vieren verdeeld. Van het erfdeel dat verdachte en medeverdachte ontvingen, is melding gemaakt bij de uitkeringsinstantie.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte –juridisch gezien– kon beschikken over het vermogen op de Luxemburgse bankrekeningen. Echter, uit het dossier volgt niet dat verdachte ook feitelijk over dit vermogen heeft beschikt. Zo is niet aannemelijk geworden dat verdachte riant heeft geleefd in de periode dat zij over het vermogen kon beschikken. Evenmin zijn gelden van de Luxemburgse bankrekeningen overgemaakt naar de privérekeningen van verdachte en/of haar medeverdachte.

Daarbij heeft verdachte haar verklaring dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij pas feitelijk over het vermogen kon beschikken, na aftrek van alle nog te maken kosten, onder meer ondersteund door het testament van haar schoonmoeder te overleggen.

Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke vorm) heeft gehad op het nalaten (het vermogen op) de betreffende bankrekening op te geven aan de uitkeringsinstantie. Verdachte heeft aannemelijk gemaakt dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het vermogen op de bankrekeningen niet van haar was, maar van haar schoonouders en dat zij om die reden niet beschikte over het vermogen. Verdachte was zich, gelet op een en ander dan ook niet bewust van het feit dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling/toekenning van de uitkering. Na het overlijden van haar schoonmoeder, en in overeenstemming met haar testament, zijn eerst alle te maken kosten verrekend, waarna het overgebleven bedrag is verdeeld. Van dit resterende bedrag heeft verdachte melding gemaakt bij de uitkeringsinstantie.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de banktegoeden op te geven aan de uitkeringsinstantie. De rechtbank zal verdachte dan ook van het aan haar ten laste gelegde feit vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de uitspraak in de zaak tegen de medeverdachte:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF