Vrijspraak verduistering: niet valt uit te sluiten dat verdachte toestemming van benadeelde had om van zijn rekening voor zichzelf goederen aan te schaffen en betalingen te doen

Rechtbank Midden-Nederland 2 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:478 Vrouw wordt verdacht van diefstal en verduistering van geld door geldbedragen op te nemen van een bankrekening die niet van haar was (feit 1). Daarnaast wordt de vrouw verdacht van uitkeringsfraude (feit 2).

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 1 blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte zich geldbedragen van benadeelde wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zij heeft geen vergoeding gekregen voor door haar verrichte hulp. Dat verdachte geld en goederen en/of boodschappen heeft gepind, zegt niets over de wederrechtelijkheid dan wel de toe-eigening. Zij heeft hiervoor telkens toestemming gehad van benadeelde en zij heeft de cash opgenomen geldbedragen aan benadeelde afgegeven. Wat hij met die bedragen heeft gedaan is verdachte niet bekend. De verklaring van verdachte dat zij zich nimmer wederrechtelijk geldbedragen heeft toegeëigend met de pinpassen van benadeelde, wordt onvoldoende weerlegd door getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen. De verklaring van benadeelde is niet in een proces-verbaal opgetekend. De raadsvrouw heeft verzocht aan deze verklaring en aan het rapport van de bewindvoerder geen bewijswaarde te hechten.

De verklaringen van getuigen dat verdachte € 1.000,- heeft gehad voor de verzorging van de hond zijn eveneens niet betrouwbaar, omdat de sociale recherche deze informatie aan de getuigen lijkt te hebben verstrekt.

Er is daarom geen sprake van diefstal door middel van een valse sleutel dan wel van verduistering.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de klusjes die verdachte verrichte voor benadeelde geen werkzaamheden betroffen in de zin van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand. Verdachte ontkent de beschikking te hebben gehad over het vermogen van benadeelde. Ook heeft zij nooit een vergoeding ontvangen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feit 1

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte de beschikking had over het geld van benadeelde, omdat zij de pinpassen van hem had en hiermee geldopnamen deed en betalingen verrichtte. Ook blijkt uit het dossier, de verklaring van verdachte en haar verklaring ter terechtzitting dat verdachte met behulp van deze pinpassen regelmatig voor zichzelf goederen aanschafte en betalingen deed.

De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet uitsluiten dat de verklaring van verdachte dat zij toestemming had van benadeelde om voor zichzelf goederen aan te schaffen en betalingen te doen, juist is. Datzelfde geldt voor de verklaring van verdachte dat zij de cashopnamen afgaf aan benadeelde.

Gelet hierop kan de diefstal en de verduistering niet wettig en overtuigend bewezen worden en zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2

Aan verdachte is door de gemeente Almere met ingang van 31 mei 2009 een WWB-uitkering voor een alleenstaande toegekend. Wegens verhuizing naar de gemeente Noordoostpolder is deze uitkering per 31 augustus 2011 beëindigd. Per 1 september 2011 werd de uitkering door de gemeente Noordoostpolder toegekend. Aan de uitkering is de voorwaarde verbonden dat verdachte op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maakt van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Verdachte is hiervan op de hoogte zoals blijkt uit haar verklaring tegenover de sociale recherche Flevoland. Zij heeft de betreffende formulieren zelf ingevuld en ondertekend, waarbij zij nooit melding heeft gemaakt van inkomsten of giften.

De broer van benadeelde, A, heeft verklaard:

“De laatste jaren van zijn leven werd [benadeelde] verzorgd door [verdachte] . (…) Ook wisten we wel dat [benadeelde] al gedurende langere tijd maandelijks € 1.000,- aan [verdachte] gaf voor de verzorging van zijn hondje. (…) [verdachte] heeft steeds gebruik kunnen maken van de bankrekeningen van [benadeelde] , hij had er twee, en we hebben kunnen zien dat zij veelvuldig betalingen voor haarzelf via zijn bankrekeningen heeft gedaan, zoals bij Gamma, Karwei, tanken en dergelijke. (…) We weten zeker dat [benadeelde] niet meer de deur uit kwam en zeker niet bij dergelijke winkels kwam.”

Getuige heeft verklaard:

“Later na het overlijden van [B], toen [benadeelde] zijn heup had gebroken, bleef [verdachte] voor hem zorgen. Ik heb pas later gehoord dat [verdachte] € 1.000,- per maand van [benadeelde] kreeg voor de verzorging van zijn hond. (…) [verdachte] heeft mij later ook wel één en ander toegegeven. Onder andere dat zij per maand € 1000,- van [benadeelde] kreeg en de pasjes van zijn bankrekeningen kon gebruiken.”

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij wel eens strijkwerk deed voor benadeelde en dat zij het gros van de boodschappen voor hem deed. Ook had zij de zorg voor zijn hond op zich genomen. Zij kwam twee tot drie keer in de week bij hem, omdat hij zorg nodig had. Zij had de beschikking over de twee betaalpassen met de bijbehorende pincodes van de heer benadeelde om de boodschappen te kunnen betalen. Op het moment dat verdachte verhuisde, heeft zij de bankpassen mee genomen. Zij hielp hem op dat moment met zijn administratie.

Voorts heeft verdachte verklaard dat indien zij iets nodig had, of iets moois had gezien, zij toestemming aan de heer benadeelde vroeg om het te kopen en deze toestemming ook kreeg. Zij heeft betalingen bij bouwmarkten voor zichzelf gedaan en heeft voor zichzelf lingerie aangeschaft. Dit betroffen giften, zodat verdachte de door haar gemaakte kosten niet hoefde terug te betalen. Als zij iets wilde hebben, mocht zij het van de heer benadeelde kopen.

Bij de gemeenten heeft zij nooit gemeld dat zij giften heeft gehad of dat zij werkzaamheden voor hem verrichtte.

In bijlage 9 is opgenomen welke bedragen verdachte voor zichzelf gepind heeft. Namens verdachte is haar naam achter de bewuste uitgaven opgeschreven.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de getuigenverklaringen met betrekking tot de € 1.000,- per maand voor de verzorging van de hond niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank oordeelt anders. A heeft verklaard dat hij wel wist dat zijn broer gedurende langere tijd maandelijks € 1.000,- aan verdachte gaf voor de verzorging van zijn hondje en getuige heeft dit van verdachte zelf vernomen. Uit deze verklaringen blijkt geenszins dat de sociale recherche de getuigen deze informatie in de mond heeft gelegd.

Bovendien past het opnamepatroon zoals blijkt uit het uitgavenoverzicht van de rekeningennummers en ten name van benadeelde, bij de verklaringen van de getuigen dat verdachte € 1.000,- per maand ontving voor de verzorging van de hond.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat verdachte werkzaamheden heeft verricht door onder meer de administratie voor benadeelde te doen en de zorg voor hem en zijn hond op zich te nemen, dat zij de beschikking had over de twee bankpassen en bijbehorende pincodes en dat zij vele giften van benadeelde heeft ontvangen. Verdachte wist –zo blijkt ook uit haar verklaring bij de sociale recherche - dat zij werkzaamheden en inkomen aan de uitkeringsinstantie moest melden. Dat verdachte wist dat zij de giften ook moest melden, is naar het oordeel van de rechtbank evident gelet op de aard en omvang van de giften van benadeelde. Verdachte heeft dit echter nagelaten.

Het onder 2 ten laste gelegde feit wordt wettig en overtuigend bewezen verklaard.

Bewezenverklaring 

Feit 2: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

Strafoplegging

De rechtbank houdt bij haar beslissing rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarbij voor fraude met een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden dan wel een werkstraf wordt genoemd en met hetgeen blijkens jurisprudentie gebruikelijk voor dit soort zaken wordt opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat het om een oud feit gaat.

De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF