Vordering BP: voorschriften m.b.t. de motivering uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent kosten / wat tot die kosten moet worden gerekend

Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"Namens de benadeelde partij deelt mr. Cantarella, als gemachtigde van de benadeelde partij, mede dat de benadeelde partij vandaag afwezig is, omdat zij het niet aan kon om ter terechtzitting te verschijnen en dat zij haar vordering inderdaad handhaaft in hoger beroep."

Het Hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende beslist:

"Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.100,-- (twintigduizend honderd euro) bestaande uit € 15.100,-- (vijftienduizend honderd euro) materiële schade en
€ 5.000,-- (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil."

Met betrekking tot de verwijzing in de proceskosten heeft het Hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Hoewel de vordering is ingediend en gehandhaafd door een advocaat en deze in hoger beroep de gehele (langdurige) zitting heeft bijgewoond, zijn geen kosten ter zake gevorderd. Dit brengt mee dat het hof ervan uit zal gaan dat tot op heden de kosten dienen te worden begroot op nihil.

De verdachte dient derhalve te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken."
 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de tot aan de bestreden uitspraak gemaakte kosten ten onrechte op nihil heeft begroot.
 

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 592a Sv dient de rechter in de in dat artikel bedoelde gevallen te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke beslissing ingevolge art. 361, zesde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft (vgl. HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571). Daarop stuit het middel af.
 

Conclusie AG: contrair

Dat de vordering van de benadeelde partij, zoals het arrest inhoudt, door en namens verdachte is betwist kan ik alleen zo uitleggen dat verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] en dat zijn advocaat zich daarbij (stilzwijgend) zou hebben aangesloten. Maar de hoogte van de door de benadeelde partij aangegeven verdienste per klant is niet betwist. Ingevolge het eerste lid van artikel 149 Rv moest het hof dus uitgaan van de niet betwiste feiten.1 Daarom is de beslissing van het hof om uit te gaan van een bedrag van € 300 per klant niet onbegrijpelijk en zelfs in het voordeel van verdachte, als men in aanmerking neemt dat een verdienste van € 400 per klant door de benadeelde partij is gesteld en door de verdediging niet gemotiveerd bestreden. Dat uitgangspunt behoeft geen nadere motivering nu door de verdediging niet is aangevoerd dat de benadeelde partij met haar opgave in het voegingsformulier uit is gegaan van onjuiste bedragen.

Wat het hof heeft overwogen over de eigen wetenschap van de gespecialiseerde mensenhandelkamer is voorts toegespitst op hetgeen [getuige] heeft verklaard, te weten dat zij vermoedt dat de benadeelde partij € 100 per uur rekende. Zo een uurtarief is volgens het hof volstrekt onaannemelijk.

De verdediging heeft niets te berde gebracht over dit onderdeel van de verklaring van [getuige] , laat staan zich daarop beroepen. De door de benadeelde partij onderbouwde berekening van de materiële schade, die niet, althans onvoldoende is betwist, draagt de beslissing tot toewijzing van de vordering zoals het hof dat heeft gedaan reeds zelfstandig. De verwijzing door het hof naar de ambtshalve bekendheid van het hof als gespecialiseerde mensenhandelkamer met de uurtarieven voor prostituees van deze leeftijd is geen reactie op een stelling van de verdediging, maar enkel een uitleg door het hof van de onaannemelijkheid van het vermoeden dat [getuige] heeft geuit. Deze verwijzing speelt dus voor de vaststelling van de materiële schade geen rol van betekenis en is daarom in dit speciale geval niet relevant.

Het middel faalt.

 Het middel van de benadeelde partij klaagt dat het hof in zijn arrest weliswaar verdachte verwezen heeft in de door de benadeelde partij gemaakte en nog te maken kosten, maar ten onrechte de kosten die tot aan de datum van het arrest zouden zijn gemaakt op nihil heeft begroot. De steller van het middel acht het onbegrijpelijk dat in dit geval, waarin de vordering door een advocaat is ingediend en ook in hoger beroep is toegelicht door de aanwezige advocaat, het hof geen vergoeding heeft toegekend. Het hof had hier het liquidatietarief moeten toepassen.

Verdachte doet daartegen in een verweerschrift aanvoeren dat de benadeelde partij zich beroept op feiten die niet zijn vastgesteld, zoals de langdurige zitting in hoger beroep en de declaratie van de advocaat opgemaakt na het arrest van het hof. Voor een ambtshalve kostenvergoeding aan de benadeelde partij bestaat geen reden omdat de vrijgesproken verdachte ook geen ambtshalve schadevergoeding krijgt voor ten onrechte ondergaande voorlopige hechtenis, noch een vergoeding van de kosten van een raadsman overeenkomstig het tweede lid van artikel 591a Sv. De benadeelde partij had maar zo alert moeten zijn om in feitelijke aanleg gebruik te maken van de bevoegdheid een kostenveroordeling te vragen.

Artikel 592a Sv bepaalt dat de rechter die een beslissing neemt over de vordering van de benadeelde partij tevens beslist over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken. In de onderhavige zaak heeft de benadeelde partij zo een kostenpost in de begroting van de vordering niet opgenomen. Evenmin is ter terechtzitting in hoger beroep nog gevorderd dat de kosten van de benadeelde partij in hoger beroep ten laste van verdachte zouden komen. Onder deze omstandigheden lijkt de beslissing van het hof dat deze kosten op nihil zijn te begroten niet onbegrijpelijk. Edoch, in de burgerlijke rechtsvordering geldt dat het voor een toewijzing van een proceskostenveroordeling niet nodig is dat zo een veroordeling is gevorderd. De rechter moet altijd een kostenveroordeling uitspreken. Nu zou men kunnen stellen dat het hof in de onderhavige zaak ook een kostenveroordeling heeft uitgesproken, maar de kosten op nihil heeft begroot. In de onderhavige zaak is evenwel een advocaat opgetreden voor de benadeelde partij. Dat daaraan kosten zijn verbonden lijkt mij wel een feit van algemene bekendheid. En dan komt, naar mij dunkt, HR 28 november 1986, NJ 1987, 380 m.nt. W.L. Haardt in beeld. Het betreft een zaak waarin verweerder in cassatie in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard in zijn verzet tegen een door de Raad voor de kinderbescherming gelegd executoriaal beslag. De Raad heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en vernietiging van het vonnis gevraagd voor zover het vonnis geen kostenveroordeling inhield. De Raad vorderde dat het hof alsnog verweerder in cassatie zou veroordelen in de kosten van eerste aanleg alsmede in de kosten van hoger beroep. De Hoge Raad overwoog:

"3.1 In deze zaak gaat het om de vraag of de rechter in zaken waarin art. 56 Rv5 van toepassing is, verplicht is om de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen, ook indien de wederpartij niet uitdrukkelijk een kostenveroordeling heeft gevorderd.

In het arrest van 26 jan. 1933, NJ 1933, p. 797 heeft de HR de eerste zin van art. 56 lid 1 in die zin uitgelegd dat deze bepaling (al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden) door de rechter moet worden toegepast onafhankelijk van desbetreffende vorderingen van pp. Een andere opvatting van deze bepaling ware denkbaar geweest, maar de HR ziet onvoldoende grond om af te wijken van de uitleg die hij in vermeld arrest heeft gekozen.

3.2 Uit het voorgaande volgt dat het middel gegrond is. De HR kan de zaak zelf afdoen. Blijkens 's hofs in zoverre in cassatie niet bestreden arrest was de enige door de Raad tegen het beroepen vonnis aangevoerde grief, dat de Rb. ten onrechte had nagelaten om Milutinovic als volledig in het ongelijk gestelde partij bij dat vonnis in de kosten van het geding te veroordelen en heeft de Raad in zoverre vernietiging van het beroepen vonnis gevraagd met vordering tot veroordeling alsnog van Milutinovic in de kosten van de eerste aanleg en in die van het hoger beroep. Ingevolge het onder 3.1 overwogene is die grief gegrond, zodat het vonnis van de Rb. moet worden vernietigd voor zover daarbij een kostenveroordeling achterwege is gebleven, terwijl Milutinovic als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van het hoger beroep moet worden veroordeeld. Nu Milutinovic de bestreden uitspraak niet heeft uitgelokt, noch verdedigd zal de HR een kostenveroordeling in cassatie achterwege laten."

Vervolgens vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarbij is nagelaten om verweerder in cassatie als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te veroordelen, veroordeelt verweerder in cassatie in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van hoger beroep maar houdt de begroting van die kosten aan tot de Raad die gegevens aan de Hoge Raad heeft verschaft.

Op de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zijn, behoudens strafvorderlijke bijzonderheden, de regels van het burgerlijk proces van toepassing. Dat ziet de steller van het verweerschrift tegen de schriftuur van de benadeelde partij over het hoofd, door een vergelijking te maken met het uitblijven van een ambtshalve beslissing voor schade geleden door verdachte en kosten door hem gemaakt. De burgerlijke rechtsvordering verlangt een kostenveroordeling ook als daarom niet is verzocht.

In de onderhavige zaak zou de Hoge Raad kunnen verrichten wat het hof heeft verzuimd. Nu de benadeelde partij zich niet heeft uitgelaten over de proceskosten en het strafgeding gevrijwaard moet blijven van onevenredige belastingen door behandelingen van vorderingen van benadeelde partijen, zal de Hoge Raad naar mijn mening het liquidatietarief kunnen toepassen. Ten aanzien van de kosten voor de benadeelde partij in cassatie gelden ingevolge artikel 418a Rv de artikelen 237-245 Rv ook, met dien verstande dat de Hoge Raad ingevolge het vierde lid van artikel 419 Rv over de kosten van het geding in cassatie zodanige uitspraak geeft als hij vermeent te behoren.

Het middel is gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF