Verzoek om teruggave van een onder de Ontvanger in beslag genomen geldbedrag. Sprake van strafvorderlijk derdenbeslag op grond van artikel 94 Sv jo 13a jo 13c WOTS.

Rechtbank Amsterdam 16 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2014:9678 Het onderhavig klaagschrift strekt tot teruggave van het op 6 november 2013 onder de Ontvanger van de Belastingdienst in beslag genomen geldbedrag te weten: €506.375,00, €506.375,00, subsidiair de wettelijke rente over dit bedrag; en onder de Ontvanger van de Belastingdienst in beslag genomen goederen, te weten:

  • 4 horloges van het merk Rolex;
  • 4 horloges van het merk Breitling;
  • 1 horloge van het merk Grigio Perla.

De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

Zij betwist niet langer dat het Witwasverdrag aan het verzoek tot inbeslagneming ten grondslag ligt.

Het beslag is verkeerd gelegd. De grondslag voor het beslag is artikel 13a Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). Er is, in tegenstelling tot wat de officier van justitie stelt, geen sprake van klassiek beslag. De raadsvrouw verwijst naar artikel 13d lid 2 WOTS, waarin niet wordt verwezen naar artikel 94 Sv, maar wel naar artikel 103 Sv, hetgeen aanduidt dat sprake is van conservatoir beslag ex artikel 94a. Ingevolge artikel 103 Sv kan conservatoir beslag slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens een schriftelijke machtiging door de rechter-commissaris, op verzoek van de officier van justitie. Deze machtiging ontbreekt.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:586) - onder meer - moet worden getoetst of de beslaglegging naar Nederlands recht is toegestaan. Confiscatie en de maatregelen ter effectuering daarvan zijn volgens het Witwasverdrag alleen mogelijk als dit wordt bepaald na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten. Inbeslagneming naar Nederlands recht en uiteindelijk verbeurdverklaring kan bovendien alleen maar als het gaat om voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. Er is op geen enkele wijze aangetoond, of zelfs aannemelijk gemaakt, dat de inbeslaggenomen gelden en horloges in verbinding staan met reeds gepleegde of nog te plegen criminele activiteiten van klager. Om die reden, is, anders dan het Openbaar Ministerie meent, inbeslagneming naar Nederlands recht niet toegestaan. Het verwijt dat Italië maakt als zou er een wanverhouding zijn tussen aangetroffen goederen en inkomsten kan eenvoudig worden gepareerd door te wijzen op de inkomsten die klager genoot uit diverse pizzeria’s in Duitsland in de periode 2000-2009. Dit geld nam hij telkens cash met zich mee. De raadkamer dient in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden. Voortduring van het beslag levert anders strijd op met artikel 13a WOTS en gelijktijdig een schending van de artikelen 1 van het Eerste Protocol EVRM en, in verband met het feit dat met het opleggen van deze maatregel zonder toereikende gronden ook het onschuldprincipe wordt geschonden, de artikelen 6 EVRM en 48 EU Handvest. Op deze gronden verzoekt de raadsvrouw teruggave van het geld en de goederen.

Geheel subsidiair stelt de raadsvrouw dat in het dictum van de beslissing van de Italiaanse rechter alleen wordt besloten tot het beslag van €506.375,00 en niets wordt vermeld over de rente. Dit brengt mee dat de rente waarmee het inbeslaggenomen bedrag inmiddels is vermeerderd en tot uitbetaling waarvan de Belastingdienst gehouden is, niet onder het beslag valt. Het klaagschrift komt, voor zover het de op het bedrag gegenereerde rente betreft, in ieder geval voor gegrondverklaring in aanmerking.

Standpunt van belanghebbende bedrijf 1 B.V.

De belanghebbende, bedrijf 1 B.V. vraagt om opheffing en teruggave van de inbeslaggenomen geldsom en beroept zich op artikel 453a lid 2 Rechtsvordering (Rv) nu zij pas op de hoogte raakte van het onder de Ontvanger van de Belastingdienst gelegde beslag nadat het pandrecht was geregistreerd op 30 december 2013. Nu de gemachtigde van de pandhouder te goeder trouw handelde, kan het beslag hem op grond van artikel 453a lid 2 Rv niet worden tegengeworpen. Het pandrecht moet worden geëerbiedigd nu de pandhouder een sterker recht heeft dan klager. Het geldbedrag moet aan bedrijf 1 B.V. worden geretourneerd. Subsidiair stelt de raadsman dat de rente niet onder het beslag valt en haar in ieder geval toekomt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen en het geldbedrag aan klager en heeft daartoe - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

Het gaat om beslag op verzoek van de Italiaanse autoriteiten in een speciale procedure die Nederland niet kent, maar die in Italië in het leven is geroepen als anti-maffia wetgeving. Deze maatregel, zoals genoemd in de beslissing van de rechtbank van Calabria d.d. 27 september 2013, past ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2013 binnen het Witwasverdrag van Straatsburg van 8 november 1990 (Witwasverdrag).

Op grond van het Witwasverdrag is zowel klassiek als conservatoir beslag mogelijk. Op grond van artikel 13a WOTS kan de officier van justitie beslag leggen ter verbeurdverklaring of ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 13d WOTS worden noch artikel 94 Sv, noch artikel 94a Sv genoemd.

Het betreft in het onderhavige geval naar Nederlands recht beslag ter verbeurdverklaring, het zogenaamde klassiek beslag. Een machtiging van de rechter-commissaris was derhalve niet nodig. Er is, conform artikel 94b Sv, kennis gegeven aan degene onder wie beslag is gelegd, namelijk de Ontvanger van de Belastingdienst. Het beslag is rechtmatig gelegd.

Ook is voldaan aan het vereiste dat beslaglegging naar Nederlands recht moet zijn toegestaan.

De grondslag voor de beslaglegging is voor de Italiaanse autoriteiten dat klager behoort tot personen die verdacht worden deel uit te maken van een criminele organisatie van het maffiose type. Tegen deze personen kan naar Italiaans recht een preventieve vermogensmaatregel worden genomen. Het feit dat klager in 2009 in Diemen is aangehouden en toen het geldbedrag en de horloges in beslag werden genomen is een andere kwestie. Er is sprake van een marginale toets of het beslag op de juiste wijze en op de juiste grondslag is gelegd. Niet aan de orde is de vraag of de maatregel tot confiscatie gegrond is. Dit betreft een aparte procedure die nog in Italië zal worden gevoerd. Artikel 13e WOTS, dat de raadsvrouw opwerpt, doet niet ter zake en ziet op een andere belanghebbende die niet in de procedure tot verbeurdverklaring of ontneming aan het woord zou kunnen komen. Klager hoefde op het bevel tot beslaglegging niet te worden gehoord. In Nederland wordt de beslagene voorafgaande aan het leggen van conservatoir beslag ook niet gehoord. De raadsvrouw gaat in op de inkomsten van klager over de jaren, op de gestelde wanverhouding en op de fiscale procedure. Dit gaat buiten de marginale toets van de rechtbank om. Het beslag is op juiste wijze gelegd en niet gezegd kan worden dat er straks onder geen beding verbeurdverklaring zal volgen. Aan alle door de Hoge Raad gestelde criteria is voldaan.

Wat betreft de wettelijke rente stelt de officier van justitie dat weliswaar niet uit het dictum direct blijkt dat het beslag ook de rente omvat, maar deze intentie blijkt wel uit de verdere inhoud van de uitspraak van de rechtbank van Calabria. Het klaagschrift moet ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van de pandhouder stelt de officier van justitie dat het ná de beslaglegging gevestigde pandrecht niet kan worden ingeroepen tegen de beslaglegger. De pandhouder indien te goeder trouw, komt geen beroep toe op artikel 453a lid 2 Rv.

Oordeel van de rechtbank

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 3 maart 2009 is klager aangehouden te Diemen en is zijn woning doorzocht. Daarbij zijn voornoemd geldbedrag en de horloges in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv. In verband met belastingaanslagen heeft de Belastingdienst vervolgens derdenbeslag onder de staat gelegd, waarna de strafvorderlijke beslagen zijn opgeheven. Bij uitspraak van 8 februari 2013 heeft de rechtbank te Amsterdam de door klager ingestelde beroepen in de fiscale procedure gegrond verklaard. Het Hof te Amsterdam heeft de uitspraak van de rechtbank op 14 november 2013 bevestigd; beroep in cassatie is ingesteld.

Op 27 september 2013 heeft de rechtbank van Reggio Calabria -onder meer- besloten tot beslag van het geld en de goederen en verzocht aan Nederland om assistentie teneinde de Italiaanse rechtbank de beschikbaarheid van de bedragen te verzekeren. Het besluit tot beslag is in overeenstemming met het wettelijk decreet 159 van 2011 in verband met de wet 575/1965, die verbeurdverklaring toestaat van goederen bij personen die serieus verdacht worden deel uit te maken van een criminele organisatie van het maffiose type en bij andere personen die serieus verdacht worden deel uit te maken van een organisatie gericht op de handel in drugs, zo leidt de rechtbank af uit de stukken van de Italiaanse autoriteiten. Klager voldoet volgens de Italiaanse autoriteiten aan dit criterium zodat een preventieve confiscatieprocedure in gang is gezet.

De beslissing is op 2 oktober 2013 rechtstreeks aan de Nederlandse officier van justitie bij het Landelijk Parket gestuurd, waarna op bevel tot inbeslagneming van 5 november 2013 op 6 november 2013 ten laste van klager strafvorderlijk derdenbeslag op grond van artikel 94 Sv jo 13a jo 13c WOTS onder de Ontvanger van de Belastingdienst is gelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

In zijn arrest van 3 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:586) heeft de Hoge Raad bepaald dat aan een rechtshulpverzoek als het onderhavige het Witwasverdrag ten grondslag ligt.

Formaliteiten beslag

Het verweer van de raadsvrouw dat het beslag onrechtmatig is gelegd, omdat een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris ontbrak, wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 13a WOTS naar de letterlijke tekst grondslag voor het leggen van beslag dat in de daarvoor in aanmerking komende gevallen zowel op de voet van artikel 94 Sv als op de voet van artikel 94a Sv kan worden gelegd. Het gegeven dat in artikel 13d WOTS niet wordt verwezen naar artikel 94 Sv staat aan deze uitleg niet in de weg. Artikel 13d WOTS verwijst evenmin naar artikel 94a Sv. De verwijzing naar artikel 103 Sv moet aldus mocht begrepen dat, mocht worden besloten tot conservatoir beslag, de daarin opgenomen formaliteiten dienen te worden nageleefd. De officier van justitie kon in het onderhavige geval kiezen voor klassiek beslag ex artikel 94 Sv. Geconcludeerd kan worden dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris - op grond van artikel 103 Sv - niet nodig was. Er is - conform art. 94b Sv - correct gehandeld door de kennisgeving tot inbeslagname te beperken tot de Ontvanger van de Belastingdienst, de schuldenaar die het beslag onder zich hield.

De rechtbank zal voorts toetsen of overigens is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 13a van de WOTS aan inbeslagneming zijn gesteld.

De volgende punten zijn dan nog in geschil.

Is inbeslagneming naar Nederlands recht toegestaan?

Het verweer van de raadsvrouw dat dit niet het geval zou zijn wordt verworpen. De rechtbank stelt voorop dat inbeslagneming naar Nederlands recht geacht worden te zijn toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de verzoekende Staat wordt verzocht, in Nederland zou zijn begaan. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank van Reggio Calabria heeft in haar beslissing van 27 september 2013 overwogen dat klager een persoon is die (vermoedelijk) is verbonden aan maffiose organisaties of organisaties die zich bezig houden met de handel in verdovende middelen. Klager is vanaf 1999 voortvluchtig geweest waarvoor hij zeker grote kosten heeft moeten maken om zo lange tijd aan aanhouding te ontkomen. Bovendien bleek klager onroerend goed op zijn naam te hebben staan in Italië. Na zijn aanhouding op 3 maart 2009 is in Nederland beslag gelegd op een groot geldbedrag en luxe horloges. De Italiaanse rechter stelt dat bij klager sprake is van een wanverhouding tussen opgegeven en/of kenbare legale inkomsten en aangetroffen goederen en vermogen en acht een procedure tot confiscatie (confisca de prevenzione) derhalve gerechtvaardigd.

De rechtbank constateert dat het Nederlandse recht een vergelijkbare procedure niet kent. De Hoge Raad overweegt in het hiervoor genoemde arrest dat hoewel niet is vereist dat de betrokkene wordt vervolgd of is veroordeeld door de strafrechter, deze Italiaanse procedure wel degelijk verband houdt met (veronderstelde) criminele activiteiten, ook al omdat het subject van deze maatregelen de (veronderstelde) opbrengst van misdrijven is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de grondslag van het verzoek naar Nederlands recht worden vertaald naar de strafbepalingen van artikel 140 Sr en 11a Opiumwet (deelname aan een criminele organisatie, al dan niet in relatie tot de Opiumwet). De daartoe aangevoerde feiten kunnen ook in voldoende mate de verdenking van overtreding van deze strafbepalingen door klager staven. Geconcludeerd kan worden dat, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, de inbeslagneming naar Nederlands recht eveneens mogelijk is.

Omvang toetsing door rekestenrechter

Het verweer dat de Italiaanse rechter ten onrechte uitgaat van een wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen, omdat klager inkomsten in Duitsland heeft genoten, wordt verworpen. Het in dit verband subsidiair geformuleerde verzoek van de raadsvrouw tot nader onderzoek naar de feiten, wordt afgewezen.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, in deze raadkamerprocedure geen ruimte voor meer dan een marginale toetsing van de feiten. Het bepaalde in artikel 13e onder c WOTS, dat onder omstandigheden in een nieuw onderzoek naar de feiten voorziet, is hier niet van toepassing. Deze bepaling ziet op mogelijke belangen van derden op de inbeslaggenomen voorwerpen, niet zijnde de beslagenen zelf. De rechtbank treedt in een procedure als het onderhavige niet ten gronde in de vraag of de Italiaanse rechter op juiste gronden de hiervoor genoemde wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen heeft aangenomen. De Italiaanse procedure wordt geacht met voldoende rechtswaarborgen te zijn omkleed en klager zal een eventuele verbeurdverklaring in een later stadium bij de Italiaanse rechter kunnen aanvechten. Er is, concludeert de rechtbank, evenmin sprake van strijd met artikelen 1 van het Eerste Protocol EVRM, 6 EVRM, 47 en 48 van het EU Handvest.

Pandrecht

Het verzoek van de pandhouder bedrijf 1 B.V. tot opheffing van het beslag en teruggave van de geldsom, wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat op enig moment ná de rechtmatige beslaglegging onder de Ontvanger van de Belastingdienst door bedrijf 1 B.V. een stil pandrecht is gevestigd, onverlet laat dat het beslag thans gehandhaafd kan blijven. bedrijf 1 B.V. komt geen geslaagd beroep toe op artikel 453a lid 2 Rv.

Rente

De subsidiaire verzoeken van de raadsvrouw en de pandhouder bedrijf 1 B.V. – tot teruggave van de rente over het in beslaggenomen bedrag – dienen eveneens te worden afgewezen.

De rechtbank constateert dat in de beslissing van de rechtbank van Calabria op pagina 5 bovenaan wordt toegelicht dat Nederland verzocht wordt uitvoering te geven aan de maatregel om de autoriteiten van Italië de juridische beschikbaarheid van de in beslag genomen bedragen te verzekeren “en van de rentes die deze eventueel hebben bedragen”. Dat deze formulering niet is overgenomen in het dictum moet naar het oordeel van de rechtbank worden opgevat als een kennelijke omissie.

Conclusie

De rechtbank komt, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, tot de eindconclusie dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en het verzoek van de pandhouder moet worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF