Verzoek ex artikel 89 Sv, verdenking overtreding van de Sanctiewet, niet-ontvankelijkheid OM. Uiteenzetting toetsingskader.

Rechtbank Den Haag 15 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2697

Namens verzoeker is primair verzocht om toewijzing van een bedrag van in totaal € 6.000,00. Subsidiair is verzocht om toewijzing van een bedrag van tenminste de forfaitaire vergoeding voor het geleden voorarrest. Hiertoe is aangevoerd dat de zaak tegen verzoeker is geseponeerd en er gronden van billijkheid zijn om aan hem een vergoeding toe te kennen. Verzoeker is nimmer in de gelegenheid is gesteld om zijn onschuld aan te tonen en er kan niet zonder meer worden vastgesteld dat hij - zelfs indien een inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan de orde was geweest - veroordeeld zou zijn.

Ten aanzien van de hoogte van de verzochte vergoeding is aangevoerd dat verzoeker veel last heeft ondervonden van de strafzaak. Hij is beschuldigd van een zeer ernstig feit, heeft gedurende zijn voorarrest drie dagen niet kunnen werken en heeft vier jaar in onzekerheid geleefd over het verloop van de strafzaak en de mogelijke gevolgen daarvan voor de toekomst. Ook heeft de verdenking gezorgd voor onzekerheid over het verkrijgen van een Nederlands paspoort en de mogelijkheid van verder verblijf in Nederland. Tot slot heeft verzoeker nog altijd last van de verdenking en wat deze teweeg heeft gebracht in de Tamil-gemeenschap.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er geen gronden van billijkheid zijn om verzoeker een vergoeding toe te kennen. Verzoeker is buiten vervolging gesteld door een samenloop van factoren, in het bijzonder de nietigverklaring van de opname van de Tamil-tijgers (LTTE) op de Europese Sanctielijst, terwijl het grote tijdsverloop inmiddels in de weg stond aan de opbouw van een nieuw dossier en het opnieuw inrichten van het voorbereidend onderzoek voor de andere in zijn zaak mogelijk ten laste te leggen strafbare feiten. Verzoeker kan evenwel - op basis van het dossier - worden verweten dat hij steun heeft verleend aan de LTTE, een organisatie die door het Gerechtshof in Den Haag is aangemerkt als een criminele en terroristische organisatie.

Subsidiair heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat er in het geval van verzoeker geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding rechtvaardigen.

Het oordeel van de rechtbank

Schadevergoeding na beëindiging van een strafzaak

Op grond van artikel 89, eerste lid, Sv kan een gewezen verdachte na beëindiging van zijn zaak zonder oplegging van straf of maatregel aanspraak maken op vergoeding van geleden schade als gevolg van het door hem ondergane voorarrest.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling moet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de regeling ook toepassing te kunnen laten vinden in gevallen waarin de zaak eindigt zonder rechterlijke einduitspraak tegen de verdachte. Ten aanzien van de schadevergoeding ex artikel 591a Sv oordeelde de Hoge Raad dat dit inhoudt dat ook bij een sepotbeslissing in beginsel tot vergoeding kan worden overgegaan (zie Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566). Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat dit van overeenkomstige toepassing moet worden geacht op de onderhavige procedure.

Gronden van billijkheid

Het toekennen van een schadevergoeding vindt ingevolge artikel 90, eerste lid, Sv - ook na beëindiging van een zaak door een sepotbeslissing -, enkel plaats indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

In de jurisprudentie is een veelheid aan beslissingen te vinden waarbij een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 89 Sv of 591a Sv is afgewezen met de onderbouwing dat er geen gronden van billijkheid zijn vanwege een resterende verdenking.

Het niet toekennen van schadevergoeding vanwege het bestaan van een resterende verdenking is op zichzelf niet in strijd met artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat aan het EVRM geen recht op kostenvergoeding kan worden ontleend (zie EHRM 28 september 1995, Series A 327, NJ 1995, 726). Dit kan evenwel anders zijn indien bij een dergelijke weigering wordt verwezen naar de schuld van de gewezen verdachte, terwijl die schuld niet volgens de wet is vastgesteld en in het bijzonder wanneer de gewezen verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad verweer te voeren (zie EHRM 25 augustus 1987, Series A 123-A). Wanneer de zaak tegen de gewezen verdachte echter niet is geëindigd door een vrijspraak, kan desondanks worden geconcludeerd tot een afwezigheid van gronden van billijkheid indien kan worden gemotiveerd dat de gewezen verdachte een strafbaar feit heeft begaan en een veroordeling zeer waarschijnlijk zou zijn geweest.

Forfaitaire bedragen

De rechtbank pleegt, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding op basis van artikel 89 Sv ten aanzien van immateriële schade te relateren aan zogenaamde forfaitaire bedragen per nacht doorgebracht in voorarrest, die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij geldt als uitgangspunt dat zonder onderzoek naar de schadefactoren van een specifiek geval deze forfaitaire bedragen worden toegekend. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor toekenning van een hogere vergoeding. Dat een zodanig uitzonderlijk geval zich voordoet zal door de verzoeker moeten worden gesteld en deugdelijk moeten worden onderbouwd.

Het verdient opmerking te benadrukken dat uit deze onderbouwing causaal verband moet blijken tussen de geleden schade en het voorarrest. Schade ten gevolge van andere toegepaste dwangmiddelen, de verdenking en de vervolging, komt - ondanks afwijkende jurisprudentie - niet voor vergoeding op de voet van artikel 89 Sv in aanmerking, aangezien uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat de wetgever het toepassingsbereik heeft willen beperken tot schade door ondergaan voorarrest.

In casu

Verzoeker heeft van 16 juni 2010 tot en met 18 juni 2010 in voorarrest doorgebracht, derhalve twee nachten.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er gronden van billijkheid zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, en - zo ja - tot welke hoogte. Ter beantwoording van die vragen overweegt de rechtbank als volgt.

Verzoeker werd in het grootschalig onderzoek ‘Koninck’ verdacht van betrokkenheid bij de LTTE in Nederland.

Een vijftal andere verdachten zijn onder de onderzoeksnaam ‘Koninck I’ vervolgd voor onder meer deelneming aan een criminele en terroristische organisatie en overtreding van de Sanctiewet. Nadat op 16 oktober 2014 het Gerecht in eerste Aanleg in Luxemburg de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst nietig verklaarde, heeft het openbaar ministerie in de strafzaak Koninck I gerekwireerd tot zijn eigen niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de overtreding van de Sanctiewet, welk standpunt het Gerechtshof in Den Haag op 30 april 2015 heeft gevolgd.

Bij brief van 27 september 2012 heeft het openbaar ministerie aan verzoeker laten weten hem slechts te zullen vervolgen voor overtreding van de Sanctiewet. De strafzaak tegen verzoeker is vervolgens geëindigd met de brief van de officier van justitie van 8 september 2015, inhoudende de mededeling dat de strafzaak tegen verzoeker niet verder zal worden vervolgd, gegeven de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in Koninck I, de oorspronkelijke tenlastelegging, de samenstelling van het dossier en het tijdsverloop. De zaak is geseponeerd onder sepotcode 03, inhoudende niet-ontvankelijkheid.

Vorenstaande brengt met zich dat indien verzoeker in de gelegenheid was gesteld zich in rechte te verdedigen tegen het hem gemaakte verwijt, het hoogst onwaarschijnlijk is dat tot een inhoudelijke beoordeling zou zijn gekomen. Het is aannemelijk dat de strafzaak zou zijn geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en - ongeacht de verdere inhoud van het dossier - nimmer had zullen leiden tot de oplegging van een straf of maatregel. Het openbaar ministerie heeft dit met zijn sepotbeslissing onderkend. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank - gelet op het hiervoor geschetste kader - gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor het ondergane voorarrest.

De rechtbank komt evenwel tot een aanzienlijk lagere vergoeding dan gevorderd. Voor de twee nachten die verzoeker heeft doorgebracht in voorarrest komt hem de forfaitaire vergoeding van € 105,00 per nacht toe. De door verzoeker gevorderde bovenforfaitaire vergoeding ziet echter op schade die is geleden ten gevolge van de verdenking en de duur van het onderzoek. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze gevolgen zeer belastend zijn geweest en hun sporen hebben nagelaten in het leven van verzoeker, komt deze schade - zoals hiervoor uiteengezet - niet voor vergoeding op de voet van artikel 89 Sv in aanmerking.

De door verzoeker gestelde schade door het niet kunnen uitvoeren van zijn werk, mist onderbouwing, zodat de rechtbank te dien aangaande evenmin tot een hogere vergoeding komt.

Conclusie

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank en bedrag toewijzen van in totaal € 210,00 en het verzoek voor het overige afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF