Verzoek ex. art. 591a Sv tot vergoeding van kosten rechtsbijstand à € 72.439,76 toegewezen

Gerechtshof 's-Gravenhage 29 december 2012, LJN BZ1168 Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij arrest van 17 februari 2011 het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 13 april 2007 in de strafzaak tegen de verzoeker vernietigd en hem vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

De verzoeker heeft hierop vergoeding gevraagd van € 72.439,76 ter zake van kosten voor rechtsbijstand in zijn strafzaak en van € 540 ter zake van kosten van het door zijn advocaat opstellen en in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere onderbouwing van de stelling dat de onderhavige kosten ten laste van verzoeker zijn gekomen dan de advocaat tot nog toe heeft gegeven, niet kan worden gevergd en acht gronden aanwezig, zulks in afwijking van de schriftelijke conclusie van zijn ambtgenoot van 15 augustus 2011, voor toewijzing van het verzoek, zij het met toepassing van een matiging - daar zijns inziens ten aanzien van reistijd de helft van het uurtarief voor vergoeding in aanmerking komt - in die zin dat het verzoek tot een bedrag van € 63.075,89 wordt toegewezen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Het hof acht gronden van billijkheid, zoals genoemd in art. 591a Sv, aanwezig. Voorts is het hof - anders dan de AG - van oordeel dat de declaraties van advocaten ten aanzien van reistijd gemaakt in het kader van de behandeling van strafzaken die zonder oplegging van straf of maatregel zijn geëindigd, integraal voor vergoeding in aanmerking komen tenzij deze onredelijk hoog voorkomen, hetgeen naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet het geval is.

Het hof wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 72.979,76.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF