Verwerping verweer omtrent artikel 6 EVRM wegens beperkte gefinancierde rechtsbijstand

Gerechtshof Amsterdam 22 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2434 (onderzoek Andes)

Door de raadsman is aangevoerd, kort gezegd, dat de verdachte recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand, doch dat deze financiering ontoereikend is om kennis te nemen van de stukken van het dossier, waaronder begrepen de circa 900 uren aan opgenomen gesprekken, die tot het dossier gerekend dienen te worden. Als gevolg hiervan heeft de verdediging tevens niet kunnen beschikken over de tijd en de faciliteiten die nodig zijn voor een goede voorbereiding van de verdediging. Gelet op deze omstandigheden is sprake van een meervoudige schending van – kort gezegd – het in artikel 6 EVRM neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ter terechtzitting van 2 maart 2017 is door de raadsman verzocht om een aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde in een bestuursrechtelijke procedure de beslissing omtrent de omvang van de financiering van de rechtsbijstand aan de verdachte te kunnen aanvechten. Het hof heeft toen het verzoek verworpen en daartoe als volgt overwogen:

Bij beslissing van het hof van 25 november 2015 is het verzoek van de toegevoegd raadsman om alle ovc- gesprekken verstrekt te krijgen toegewezen. Een gegevensdrager met deze gesprekken is de verdediging op 3 juni 2016 verstrekt. Vanaf dat moment stonden deze gesprekken de verdediging ter kennisneming ter beschikking. Kennelijk heeft de Raad voor Rechtsbijstand een vergoeding van 72 uren voor de beluistering van deze gesprekken toereikend geacht, welke officiële beslissing op 1 maart 2017 aan de raadsman is verstuurd. Tegen een beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand kan bezwaar worden ingesteld, en tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan weer hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.

Bezwaar, beroep en hoger beroep tegen een beslissing omtrent een aanvraag om vergoeding van rechtsbijstand staan in beginsel los van de desbetreffende strafzaak. Een beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand inzake een vergoeding voor te verlenen rechtsbijstand kan slechts in uitzonderlijke situaties leiden tot schending van artikel 6 van het EVRM, bijvoorbeeld indien deze beslissing ertoe leidt dat de verdachte zijn recht op rechtsbijstand feitelijk niet heeft kunnen of kan uitoefenen. Hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat in de onderhavige zaak van een dergelijke uitzonderlijke situatie sprake is.

Het hof ziet in het door de raadsman aangevoerde geen aanleiding om in het kader van het ontvankelijkheidsverweer tot een ander oordeel te komen. Het hof verwerpt het verweer.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF