Verwerping beroep op afwezigheid van alle schuld na cassatie in omkopingszaak

Gerechtshof Amsterdam 8 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2905

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ambtsdelict door een gift te vragen die verband hield met een door hem, als ambtenaar, te leveren tegenprestatie. 

Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 februari 2017 deze beslissingen in stand gelaten zodat deze thans niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof moet oordelen of de verdachte strafbaar is, en zo ja, beslissen over de oplegging van een straf of maatregel.
 

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte een beroep op de schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ toekomt. De verdachte wist niet, kon niet weten en behoefde niet te weten dat hij ambtenaar was. De verdachte moet hierom worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van het Wetboek van Strafrecht moet op grond van de geldende jurisprudentie aldus worden uitgelegd dat daaronder ook wordt verstaan: degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Voor een geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ moet de verdachte verontschuldigbaar omtrent dat toezicht en die verantwoordelijkheid van de overheid, danwel het openbare karakter van zijn functie, hebben gedwaald. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.

De verdediging heeft gewezen op verklaringen van getuigen over de vraag of de verdachte ‘ambtenaar’ was. Het hof acht deze verklaringen niet van doorslaggevende betekenis aangezien niet van belang is of de verdachte ‘ambtenaar’ was in de zin van bijvoorbeeld de Ambtenarenwet of het CAR-UWO. Beslissend is of de verdachte onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid was aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Over díe vraag hebben de getuigen zich niet uitgelaten op een wijze die van belang is voor de beoordeling door het hof.

De verdachte werkte als directeur van bedrijf 1 en was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de totale exploitatie van de gemeentelijke schouwburg en het concertgebouw, ter bevordering van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen en ter realisering van het gemeentelijk cultuurbeleid. Dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent die openbaarheid van zijn functie is niet aannemelijk geworden.

De gemeente Nijmegen was enig aandeelhouder van bedrijf 1. De verdachte diende de Raad van Commissarissen (RvC) en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) van bedrijf 1 nauwkeurig op de hoogte te houden van alle werkzaamheden en diende de RvC en de AVA tijdig de verlangde gegevens en informatie te verstrekken met betrekking tot deze werkzaamheden. Daarnaast was de verdachte aan de RvC en de AVA verantwoording verschuldigd over de wijze waarop hij de werkzaamheden verrichtte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het hem belemmerde dat er weinig AVA-vergaderingen waren omdat de aandeelhouder het te druk had. De verdachte heeft de RvC en de AVA aangespoord meer met de gemeente te overleggen. Dat hij verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het toezicht en de verantwoordelijkheid van, in dit geval, de gemeente is dan ook niet aannemelijk geworden.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
 

Strafoplegging

  • voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar
  • taakstraf voor de duur van 180 uren

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF