Veroordeling wegens verduistering: verdachte heeft geldbedragen van cliënten toegeëigend waarvoor hij de financiële administratie voerde

Rechtbank Midden-Nederland 27 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3451 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering. Verdachte heeft zich over een periode van ongeveer twee en een half jaar geldbedragen van cliënten van de Stichting naam, waarvoor hij de financiële administratie voerde, toegeëigend, door van hun rekeningen geld over te maken naar zijn eigen rekening of naar de rekening van Support in Finance. Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze het vertrouwen van deze kwetsbare mensen geschonden en hen veel leed berokkend. Uit het dossier is aannemelijk geworden dat verdachte het strafbare feit heeft begaan om er zelf financieel beter van te worden en dat hij daarbij geen oog heeft gehad voor het nadeel voor de betrokkenen. Verdachte heeft ook op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. De raadsman heeft dit onderbouwd door te stellen dat de administratie van naam en de cliënten van naam, die door verdachte is bijgehouden, op enig moment is afgegeven aan naam in het kader van een civiele procedure. Indien de onderhavige strafzaak gelijk na de eerste aangifte van naam (in 2011) was opgepakt en niet jaren later, was deze administratie nooit verloren gegaan. Met deze administratie had verdachte zijn facturen kunnen onderbouwen en een adequate verdediging kunnen voeren. Dit, in samenhang bezien met het feit dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden zonder dat dit aan de verdediging te wijten is, maakt dat er geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en dus van schending van dat artikel, hetgeen er toe dient te leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM en dat het Openbaar Ministerie derhalve ontvankelijk is. Volgens de officier van justitie heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt dat hij over administratieve stukken heeft beschikt, dat hij deze heeft afgegeven, en dat deze vervolgens verloren zijn gegaan. Hoe dan ook had verdachte zelf de verantwoordelijkheid om te allen tijde te beschikken over de (financiële) administratie die hij voerde voor naam en de cliënten van naam, gelet op de bewaarplicht die verdachte heeft ten opzichte van de mensen waarvoor hij de gelden beheerde. De administratie is niet rauwelijks bij verdachte weggehaald, derhalve had hij, naar de mening van de officier van justitie, op het moment dat hij zijn administratie afgaf, ervoor moeten zorgen dat hij kopieën bewaarde van zijn administratie. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, mede door het omvangrijke onderzoek en de verzoeken van de verdediging tot nader onderzoek, echter dat dit eveneens niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is meermalen in de gelegenheid gesteld om zijn administratie/boekhouding ter onderbouwing voor de overboekingen zoals genoemd in de tenlastelegging in het geding te brengen of om zijn onderzoekswensen aan te geven. Verdachte heeft deze ruimte dus ruimschoots gekregen, maar kennelijk heeft dit niet opgeleverd wat hij ervan had gehoopt. Daarbij komt dat wat verdachte als ontlastende documentatie aanmerkt – onderbouwing van door verdachte of zijn vennootschap voor naam verrichte werkzaamheden, die rechtstreeks ten laste van rekeningen van cliënten aan verdachte en/of zijn vennootschap zijn betaald –, indien deze documentatie zou (hebben) bestaan, in eerste instantie zou behoren tot de eigen administratie van verdachte en/of zijn vennootschap. Verdachte is in de door hem bedoelde civiele procedures niet veroordeeld om eigen administratie, als zodanig, af te geven. Hoe dan ook heeft hij de mogelijkheid gehad om, vóór afgifte, kopieën te behouden. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, geen vormverzuim aanwezig en derhalve is er ook geen sprake van een schending van artikel 6 EVRM. De omstandigheid dat het strafrechtelijk onderzoek lang heeft geduurd, doet daaraan niet af.

Ten aanzien van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast dat verdachte eerst aan zijn inverzekeringstelling op 3 april 2013 in redelijkheid de verwachting mocht ontlenen dat strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld: dat geldt als startdatum van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6913). Na verder onderzoek is er een eindproces-verbaal gekomen op 11 december 2014. Op 23 november 2015 en 18 april 2016 hebben regiezittingen plaatsgevonden, waarbij tot tweemaal toe een verzoek van de verdediging is gehonoreerd om nader onderzoek te laten doen. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2016 en de uitspraak is bepaald op 27 juni 2016. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na het startmoment van de redelijke termijn. Dat is niet gebeurd, en dat is niet aan verdachte te wijten. Deze overschrijding leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie is dus ontvankelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal heeft de raadsman gesteld dat de rechtbank in geen geval tot een bewezenverklaring kan komen omdat geen van de cliënten van naam op enige manier gedwongen is om zijn of haar administratie en/of financiën door verdachte te laten regelen. Ten aanzien van de tenlastegelegde verduistering heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het boekhoudkundig wellicht niet juist is gegaan doordat verdachte vorderingen die hij had op naam, verrekend heeft met vorderingen die naam had op de cliënten, maar dat het materieel wel volledig klopt en dat om die reden de wederrechtelijkheid ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er meermalen geld is overgeboekt van de rekeningen van de verschillende aangevers naar de rekening van verdachte dan wel naar de rekening van Support in Finance. Verder stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die het beheer had over de rekeningen van de verschillende aangevers, zonder dat zijzelf nog konden beschikken over hun rekeningen.

Met betrekking tot de aangifte van aangeefster 3 constateert de rechtbank dat zij - anders dan de andere aangevers - niet met zoveel woorden spreekt over verdachte. Zij ging in zorg bij naam en ook haar geld werd daar beheerd. Op basis van de overige aangiften in het dossier en de getuigenverklaringen, waaruit volgt dat het verdachte was die de administratie deed en de beschikking had over alle financiële benodigdheden, concludeert de rechtbank dat het ook in deze zaak verdachte is geweest die over de bankrekening van aangeefster 3 beschikte en dat hij het is geweest die geld van haar op zijn rekening of op de rekening van zijn vennootschap heeft overgemaakt.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte zich zonder toestemming gelden van de aangevers heeft toegeëigend en daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze toe-eigening van de gelden wederrechtelijk is geweest.

Verdachte heeft verklaard dat, in eerste instantie hij, en op een later moment Support in Finance, een overeenkomst had met naam en dat hij dan wel Support in Finance op grond van deze overeenkomst vorderingen had op naam en dat hij deze vorderingen verrekend heeft met de vorderingen die naam had op haar cliënten. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van die door verdachte gestelde overeenkomst, en de door hem gestelde aanspraken op naam, niet aannemelijk zijn geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat naam aanspraken had op cliënten die verband hielden met door verdachte voor naam verrichte werkzaamheden. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat het persoonlijk belang van verdachte zich verzette tegen het door hem gestelde “kortsluiten” van de door hem gestelde betalingsverplichtingen van naam aan hem dan wel Support in Finance, met de door hem gestelde betalingsverplichtingen van cliënten aan naam (vergelijk de artikelen 7:416 en 7:417 van het Burgerlijk Wetboek).

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde verduisteringen heeft gepleegd.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het ter beschikking stellen van de rekeningen van SIF om de gelden van de cliënten op te storten niet een zodanig wezenlijke bijdrage aan de gepleegde verduisteringen oplevert dat van medeplegen kan worden gesproken. De rechtbank zal verdachte van deze strafverzwarende omstandigheid vrijspreken. Ook acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een beroepsmatig karakter, waardoor verdachte ook van dit bestanddeel zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de cumulatief/alternatief ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal heeft gepleegd en de rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Verduistering, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF