Veroordeling wegens uitkeringsfraude door niet opgeven pokerinkomsten

Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2149

De verdachte heeft jarenlang nagelaten aan de Sociale Dienst dan wel de DWI te melden dat hij – naast zijn uitkering – inkomsten ontving voor werkzaamheden die bestonden uit pokeren. Hierdoor is de overheid benadeeld voor een bedrag van € 55.536,93.

Het hof overweegt dat uit getuigenverklaringen van bijvoorbeeld getuige 1, getuige 2 en getuige 3, gevoegd bij hetgeen is vermeld op internetsites alsmede de inschrijving van de verdachte als voorzitter van de vereniging in de Kamer van Koophandel, blijkt dat de verdachte veelvuldig pokerde en daar een zekere vaardigheid in had ontwikkeld. In dit verband acht het hof van belang dat de verdachte bij zijn verhoor op 12 september 2014 (dossier pagina 377) heeft verklaard dat hij in de weekenden regelmatig naar het buitenland ging om poker te spelen, waarbij hij Duitsland, Frankrijk, Italië, Bulgarije, Spanje, Curaçao, Engeland en Wenen noemde. Met het pokeren won de verdachte geldbedragen, waaronder in juni 2012 in Bulgarije een bedrag van om en nabij de € 22.000,-, zoals de verdachte ter zitting heeft bevestigd. De verdachte heeft op 12 september 2014 ook verklaard dat hij met de inkomsten die hij uit pokeren ontving een deel van zijn schulden afloste. Verder ontving de verdachte veelvuldig gelden van derden op zijn rekening en stortte de verdachte ook contant ontvangen bedragen op zijn bankrekening. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze bedragen deels opbrengsten uit pokeren betreffen.

De verdachte heeft ter zitting tevens verklaard dat de ontvangen bedragen voor het overige ook leningen betreffen, door hem aangegaan ten behoeve van zijn levensonderhoud. Het hof acht deze verklaring echter niet geloofwaardig. Het hof overweegt hierbij dat de verdachte - hoewel daarover ter zitting bevraagd en nadrukkelijk toe uitgenodigd - geen (begin van een) aannemelijke onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat deze ontvangen bedragen daadwerkelijk leningen betreffen die terugbetaald dienen te worden. De verdachte heeft van deze leningen geen vastleggingen overgelegd en heeft evenmin inzicht in de hoogte van de leningen en het aflossingsschema gegeven. Het hof verwijst voorts naar de beperkte uitleencapaciteit van de gepretendeerde crediteuren, het soms binnen een beperkte periode lenen van substantiële bedragen, en het ontbreken van een verklaring (zelfs niet bij omvangrijke, dan wel een reeks van ontvangen bedragen) waar de gepretendeerde leningen voor bedoeld zouden zijn geweest. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat de ontvangen bedragen geldleningen zijn geweest, in de omvang zoals door de verdachte gesteld. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte over veel contante gelden heeft kunnen beschikken, die voor een substantieel deel voortkomen uit pokerwinsten.

Gelet op het voorgaande constateert het hof dat de verdachte een groot bedrag aan gelden heeft ontvangen, contant, dan wel via geldstortingen van derden, die hij niet heeft gemeld bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) waardoor de DWI het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen.

De verdachte was bekend met de op hem rustende verplichting om verandering in zijn financiële situatie bij DWI te melden, zoals blijkt uit de besluiten tot toekenning van de uitkering van 31 december 2004 en 14 november 2013. Nu de verdachte zijn verrichtte werkzaamheden alsmede zijn ontvangen inkomsten niet heeft doorgegeven aan de DWI heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 160 uur.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF