Veroordeling wegens overtreding art. 6 Wegenverkeerswet: gebruik sociale media tijdens verkeersdeelname

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 mei 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2875 Op 8 oktober 2013 omstreeks 14.57 uur vond er op de vluchtstrook van de Rijksweg A58, ter plaatse gelegen in de gemeente Goes, een verkeersongeval plaats waarbij het motorrijtuig van verdachte (een trekker met oplegger), een bedrijfsauto en een slachtoffer betrokken waren.

Verdachte reed op voornoemde dag en tijdstip als bestuurder van een trekker met oplegger over de A58, komende uit de richting Goes en gaande in de richting Vlissingen. Uit nader onderzoek aan de tachograaf blijkt dat verdachte voorafgaand aan het ongeval over langere afstand met een snelheid van 85 kilometer per uur heeft gereden. Getuigen 1 en 2 hebben verklaard dat de trekker met oplegger al enige tijd voordat de botsing plaats vond met de rechter wielen over de vluchtstrook reed. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte op de plaats van het verkeersongeval met de rechterzijde van de trekker met oplegger voor ongeveer twee derde van de voertuigbreedte op de vluchtstrook, rechts naast de rijbaan, reed. Daar was op dat moment slachtoffer bezig met het uitvoeren van kortstondige wegwerkzaamheden. Deze had zijn motorrijtuig, een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, daartoe op de vluchtstrook tot stilstand gebracht. De alarmverlichting van de bedrijfsauto was ontstoken en de oranje verlichtingsbalk op het dak was in werking. Verder was de linker achterdeur van de bedrijfsauto gesloten waardoor de rood witte retroreflecterende stickers zichtbaar waren. Uit het sporenonderzoek is gebleken dat de bestuurder van de bedrijfsauto ten tijde van het ongeval op de vluchtstrook aan de achterzijde van zijn voertuig aan het werk was. De trekker met oplegger is tegen de bestuurder van de bedrijfsauto, slachtoffer, aangereden, die als gevolg van deze botsing dusdanig letsel heeft opgelopen dat hij ter plaatse is komen te overlijden. Vervolgens is de trekker met oplegger tegen de linker achterzijde van de bedrijfsauto gebotst.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij voorafgaand aan en op het moment van het ongeval aan het whatsappen was met zijn vriendin en dat hij daarom zijn mobiele telefoon in zijn rechterhand had. Verdachte is zich er niet van bewust geweest dat hij al enige tijd op de vluchtstrook reed. Hij heeft de bedrijfsauto pas gezien toen die vlak voor hem was. De bestuurder van de bedrijfsauto heeft hij helemaal niet gezien.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Zij heeft daarbij opgemerkt dat voor alleen de verkeersfout van het voor zeer korte tijd zonder noodzaak gedeeltelijk op de vluchtstrook rijden geen hogere schuldgradatie bewezen kan worden verklaard dan aanmerkelijke schuld.

Oordeel van de rechtbank

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden dan wel lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 WVW houdt in dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van ‘schuld’ te kunnen komen.

Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor schuld is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Vast staat dat verdachte in de minuten voorafgaand aan het verkeersongeval alsook op het moment van het verkeersongeval zijn mobiele telefoon in zijn hand heeft gehad, omdat hij via WhatsApp contact had met zijn vriendin. Dit terwijl hij een vrachtwagencombinatie met een gevaarlijke lading bestuurde. Het laatste bericht heeft hij om 14.56 uur, het tijdstip waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, aan haar gestuurd. Hij reed op dat moment 85 kilometer per uur. Bovendien heeft hij naar eigen zeggen kort voor het ongeval ook nog gedurende een ogenblik naar links gekeken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in de vijf minuten voorafgaand aan het ongeval slechts vier berichten via WhatsApp heeft verstuurd van telkens één of enkele woorden. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het onderzoek weliswaar naar voren is gekomen dat verdachte in de vijf minuten ‘slechts’ vier berichten via WhatsApp naar zijn vriendin heeft verzonden, maar dat hij in die periode ook meerdere berichten van zijn vriendin ontvangen en gelezen heeft.

Het handelen van verdachte merkt de rechtbank aan als buitengewoon onvoorzichtig gedrag waardoor een ernstig gevaar in het leven werd geroepen, doordat verdachte zijn aandacht gedurende langere tijd niet op de weg en het overige verkeer had gericht. Verdachte heeft zelfs niet in de gaten gehad dat hij met zijn trekker met oplegger gedeeltelijk op de vluchtstrook is gaan rijden.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de feitelijke gedragingen van verdachte, gelet op de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het verkeersgedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een verkeersdeelnemer heeft onder meer de zorgplicht om goed op te letten op het overige verkeer en zich zodanig te gedragen dat andere verkeersdeelnemers geen gevaar lopen dan wel worden gehinderd.

De rechtbank is van oordeel dat van verdachte als beroepschauffeur, rijdend in een trekker met oplegger met een deels gevaarlijke lading op de voor hem hoogst haalbare snelheid van 85 km/u op een weg waar voor het overige verkeer een maximum snelheid van 130 kilometer per uur geldt, juist extra voorzichtigheid en alertheid in het verkeer mag worden verwacht. Door zijn aandacht niet voortdurend bij het verkeer op de weg te houden en derhalve het slachtoffer en diens bedrijfsauto niet tijdig op te merken en niet tijdig te remmen heeft hij in hoge mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig gehandeld. Hierdoor is het aan zijn schuld te wijten dat het verkeersongeval zich heeft voorgedaan zodat hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte roekeloos heeft gereden. Zij overweegt dat het dossier daartoe geen aanknopingspunten biedt en zal hem derhalve vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de bestuurder van de bedrijfsauto zich niet heeft gehouden aan de geldende richtlijnen, zoals het plaatsen van minimaal vijf verkeersregels bij kortdurende wegwerkzaamheden over een lengte van minimaal 50 meter achter het motorrijtuig en het op de vluchtstrook plaatsen van het motorrijtuig op een afstand van 0.27 meter uit de kantstreep in plaats van de voorgeschreven 1.10 meter, waardoor de kans dat hij zou worden aangereden werd verhoogd.

De rechtbank overweegt, dat in zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van (mede)schuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. De beoordeling van de schuld van verdachte aan het ongeval heeft alleen betrekking op zijn eigen gedrag. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in dit geval niet voordoet, ondanks de omstandigheid dat het slachtoffer misschien niet alle voorschriften heeft nageleefd.

Bewezenverklaring

Artikel 6 WVW

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot:

  • een werkstraf van 240 uren;
  • een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
  • een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt in het bijzonder het belang van de lichamelijke gezondheid en integriteit van verkeersdeelnemers. Dit beschermde belang weegt zwaar. Verder beschermt voormeld artikel - in algemenere zin - de verkeersveiligheid. Het maatschappelijk belang van de verkeersveiligheid is zeer groot. Een ieder neemt - zij het niet met dezelfde intensiteit - deel aan het verkeer en heeft dus direct belang bij verkeersveilig gedrag van de medeweggebruikers. Alle verkeersdeelnemers moeten er op kunnen vertrouwen dat professionele chauffeurs, zoals verdachte, zich aan de zorgvuldigheidsnormen houden. Verdachte heeft door zijn onverantwoordelijke gedrag dit belang ernstig geschonden en daardoor veel leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer.

Voor wat betreft de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat ook verdachte lijdt onder de gevolgen van het ongeval. Hij zal moeten leren leven met het gegeven dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van een jonge verdachte en dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 1 april 2015 niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Verder slaat zij acht op het adviesrapport van Reclassering Nederland van 6 oktober 2014 waaruit onder andere blijkt dat verdachte bij zijn vorige werkgever in de top 5 stond van werknemers met de meeste verkeersovertredingen. De reclassering schat de kans op herhaling laag in en heeft geadviseerd aan verdachte een werkstraf op te leggen. De werkgever is bereid het rooster van verdachte zodanig in te richten dat hij deze kan uitvoeren. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal het einde van zijn dienstverband betekenen.

Er is inmiddels anderhalf jaar verstreken sinds het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft contact gezocht met de weduwe van het slachtoffer en heeft naar eigen zeggen een goed gesprek met haar gehad.

De raadsvrouw van verdachte heeft opgemerkt dat op dit moment veel aandacht wordt besteed aan social media in het verkeer. Zij heeft verzocht dit niet in het nadeel van verdachte te laten meespelen, nu dit ten tijde van het ongeval niet aan de orde was. De rechtbank overweegt dat de discussie over de vraag of social media en het besturen van motorrijtuigen samen gaan geen discussie is van de laatste tijd, maar dat deze al veel langer gaande is, zo ook in oktober 2013.

Gelet op de aard en de ernst van het feit acht de rechtbank, naast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende straf. De jonge leeftijd, het ontbreken van recidive en het feit dat verdachte zal moeten leren leven met de gedachte dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen alsook het feit dat door de op te leggen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen de carrière van verdachte als beroepschauffeur in de knop wordt gebroken liggen ten grondslag aan de beslissing van de rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Zij zal aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf voor de maximale duur opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden, teneinde de ernst van het feit te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op de ernst van het rijgedrag van verdachte en uit oogpunt van normhandhaving, tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te volgen. Zij acht een ontzegging voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest op zijn plaats. Met deze ontzegging wordt beoogd verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat een onvoorwaardelijke ontzegging grote gevolgen voor verdachte zal hebben omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, kan naar haar oordeel voor een feit, zoals in deze zaak bewezen is verklaard, niet worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Bovendien heeft de rechtbank grote zorgen met betrekking tot de rijvaardigheid van verdachte, nu zij ter terechtzitting heeft geconstateerd dat verdachte zich nog altijd niet goed bewust lijkt te zijn van de risico’s van de aanwezigheid van social media tijdens het besturen van zijn vrachtauto. Zij kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat verdachte weinig heeft geleerd van bovenstaand verkeersongeval. Het algemene belang van de verkeersveiligheid dient te prevaleren boven het door de verdediging genoemde persoonlijke belang van verdachte. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de ontzegging voorwaardelijk op te leggen. Zij zal de proeftijd daarbij bepalen op vijf jaar. Zij overweegt daarbij dat, hoewel de reclassering de kans op herhaling laag inschat, de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene niet uitsluit dat verdachte zich zonder flinke stok achter de deur wederom schuldig zal maken aan het gebruik van social media tijdens het besturen van een motorrijtuig waardoor hij de overige verkeersdeelnemers in gevaar zal brengen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF