Veroordeling wegens oplichting verzekering. Afwijzing ontnemingsvordering vanwege hoogte civiele vorderingen.

Rechtbank Overijssel 15 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:886 Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie jaar samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft samen met anderen op geraffineerde wijze verzekeringsmaatschappijen bewogen tot uitbetaling van verzekeringsgelden. Verdachte had daarbij een prominente rol. Hij heeft de verzekeringsaanvragen gemaakt, verzorgde de correspondentie en contacten met de verzekeraars en incasseerde het geld. Ook was het verdachte die in Hengelo een bedrijfspand huurde dat diende als vestigingsadres van de fictieve bedrijven. Ter zitting heeft verdachte bovendien verklaard dat hij vanwege zijn specifieke kennis op het gebied van verzuimverzekeringen door medeverdachte is benaderd om mee te doen. Ook dit benadrukt volgens de rechtbank de relevante rol van verdachte.

Verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen tot een celstraf van 15 maanden en het betalen van schadevergoedingen van in totaal zo'n 134.000 euro.

De rechtbank wijst de vordering ontneming af. De aan de benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen (totaal: € 134.099,97) overstijgen ruimschoots hetgeen volgens het openbaar ministerie voor veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel is aan te merken (€ 43.662,00). Nu deze civiele vorderingen in mindering moeten worden gebracht bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil, zodat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • feit 1: zich in de periode van augustus 2012 tot en met 7 juli 2015 tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan oplichting.
  • feit 2: zich in de periode van augustus 2012 tot en met 7 juli 2015 tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt valsheid in geschrift en hiervan gebruik heeft gemaakt.
  • feit 3: zich in de periode van augustus 2012 tot en met 7 juli 2015 tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Oordeel rechtbank

Feit 1 en 2

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 sprake is van een bekennende verdachte en volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Feit 3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat uit het dossier naar voren komt dat er diverse malen kort nadat er contant geld is opgenomen van de bankrekening van naam fictief bedrijf 1 stortingen van gelijke bedragen geweest zijn op de rekening van de partner van verdachte, partner verdachte. Een bewezenverklaring voor het witwassen van een groot bedrag kan en moet dus hoe dan ook volgen. Wat de officier van justitie betreft kan een bewezenverklaring volgen voor witwassen van € 145.297,-. Er is immers gezocht naar het geld dat is verdiend met de oplichtingen. Dat geld is niet gevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij van dit geld heeft geleefd, hetgeen wil zeggen dat hij er zaken van gekocht heeft. Hiermee heeft hij dat geld weer teruggebracht in het betalingsverkeer en de criminele herkomst ervan verdoezeld.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrij te spreken. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verhullen van de criminele herkomst van het geld. De vraag is waar dit verhullen dan uit zou hebben bestaan. Voor zover dit zou hebben bestaan uit het storten van geld op de rekening van zijn partner is niet snel inzichtelijk waarom deze handeling zou bijdragen aan het verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het gaat gewoon om bijdrage van verdachte in de huishoudkosten. Ook waar verdachte bedragen brengt naar medeverdachten als naam 2, naam 3 en naam 7 is niet snel duidelijk waarom dit zou bijdragen aan het verhullen van criminele herkomst. Het uitgeven van geld is niet hetzelfde als het verhullen van de criminele herkomst. In feite heeft verdachte gedurende een aantal jaren van deze criminele inkomsten geleefd. Hij heeft er auto’s van gekocht, is op vakantie gegaan en heeft bijgedragen in huishoudkosten. Geen van deze handelingen zijn volgens de raadsman bestemd om inkomsten voor de fiscus of voor justitie te verhullen.

De rechtbank heeft reeds bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrifte, waarbij een geldbedrag is buitgemaakt van € 145.297,-. Verdachte heeft deze feiten bekend. Ter zitting is namens de verdachte verklaard dat hij van het uit misdrijf afkomstige geld heeft geleefd en dat hij het geld ook deels de medeverdachten heeft betaald.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. De rechtbank acht evenwel bewezen dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) de uitbetaalde verzekeringspremies, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Verdachte heeft verklaard dat hij van het uit misdrijf verkregen geld heeft geleefd. Hij heeft van het geld spullen gekocht en is ermee op vakantie gegaan. De rechtbank overweegt dat verdachte derhalve met die door misdrijf verkregen gelden goederen heeft verworven die onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf en daarmee handelingen heeft verricht die niet louter hebben bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf. Genoemde verwervingshandelingen zijn aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden in het reguliere betalingsverkeer te brengen. Ook ten aanzien van de uit misdrijf afkomstige geldbedragen die verdachte heeft uitgekeerd aan de medeverdachten overweegt de rechtbank dat er sprake is geweest van witwassen, aangezien ook deze gedragingen erop gericht zijn geweest om de uit misdrijf afkomstige gelden in het reguliere betalingsverkeer te brengen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 3 tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

  • De eendaadse samenloop van feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
  • Feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
  • Feit 3: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen tot een celstraf van 15 maanden en het betalen van schadevergoedingen van in totaal zo'n 134.000 euro.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF