Veroordeling wegens oplichting oudere buurman. Motivering oplichting versus civiele wanprestatie.

Rechtbank Den Haag 23 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2015:15641 De verdachte heeft zich, samen met zijn (ex-)vrouw schuldig gemaakt aan oplichting van hun 84-jarige buurman. Daarbij hebben zij het slachtoffer bewogen tot de afgifte van in totaal circa € 75.000,-. Het bedrag is in delen van hem geleend, waarbij verdachten telkens met verschillende leugenachtige verhalen op de proppen kwamen om zo het slachtoffer ertoe te bewegen hun opnieuw een geldbedrag te lenen.

Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat slechts sprake is geweest van leningen. Het niet terugbetalen daarvan kan hoogstens worden beschouwd als een civielrechtelijke wanprestatie, maar niet als een strafrechtelijke oplichting zoals ten laste is gelegd. De raadsman heeft voor zijn verweer aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de zogenaamde bonafide geldlener, waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide geldlener, die in staat en voornemens is het geleende geld na ommekomst van een (onbepaalde) periode terug te geven, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Algemeen

Voor bewezenverklaring van oplichting is onder meer nodig dat de verdachte(n) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen een valse naam en/of hoedanigheid hebben aangenomen, een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels hebben gebruikt om een ander te bewegen tot afgifte van – in dit geval – een of meer geldbedragen.

Het aannemen van een valse hoedanigheid bestaat - onder meer - in het valselijk optreden in een rechtsverhouding, waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend, waarop men in het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rol-verwachting is verbonden.

Listige kunstgrepen zijn bedrieglijke handelingen die geschikt zijn om onjuiste voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. Een enkele listige kunstgreep is voldoende (Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3833).

Een verdichtsel is een opzettelijke onwaarheid, een mededeling waarvan de dader de onjuistheid kende. Daaronder valt de opzettelijke verzwijging van iets, waarvan men begreep dat het vermeld moest worden. Omdat het Wetboek van Strafrecht een samenweefsel van verdichtsels vergt, is een enkele leugen of verzwijging, anders dan een enkele kunstgreep, ontoereikend om tot bewezenverklaring van oplichting te komen.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600).

In deze zaak

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever in de ten laste gelegde periode geld heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van verdachten en dat hij hun in deze periode ook contant geld heeft overhandigd. Dit wordt door verdachte ook niet betwist. Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een louter civielrechtelijke kwestie noch van de 'enkele omstandigheid' dat de verdachten zich hebben voorgedaan als bonafide geldlener.

Verdachten hebben zich in de eerste plaats bediend van leugens. Deze bestonden erin dat verdachten aangever hebben voorgehouden dat zij geld wilden lenen om een belastingschuld te voldoen en om daarmee een erfenis van de vader van verdachte te kunnen effectueren, alsmede dat de notaris de erfenis zou tegenhouden totdat alle schulden zouden zijn betaald. Aan aangever werd toegezegd dat hij zou worden terugbetaald als de erfenis daadwerkelijk geeffectueerd zou zijn. Daarbij werd hem voorgehouden dat hij zijn geld niet terug zou zien als hij verdachten niet nog meer geld zou lenen. Dan zou de erfenis immers niet te gelde kunnen worden gemaakt. Medeverdachte heeft op 22 januari 2014 echter bij de politie verklaard dat bij haar of verdachte geen sprake was van een belastingschuld, erfenis of notaris.

Om hun leugens bij aangever ingang te doen vinden hebben verdachten hem meerdere keren schriftelijke stukken getoond waaronder nota’s en een e-mail van de beweerdelijke notaris. Deze handelingen zijn daarom aan te merken als bedrieglijke handelingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever op dit punt, omdat deze steun vindt in de hiervoor aangehaalde omschrijvingen van de girale overboekingen aan verdachten.

Uit het voorgaande volgt dat verdachten “listige kunstgrepen” hebben gebruikt om aangever te bewegen tot de afgifte van het geld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat bovengenoemde gedragingen van verdachten, tezamen en in onderling verband bezien, aangever in de waan hebben gebracht met bonafide geldleners van doen te hebben en hij ook aldus werd bewogen tot afgifte van het geld. Verdachten hebben als zodanig bewust gebruik gemaakt van een “valse hoedanigheid”, te weten de valse hoedanigheid van bonafide geldleners. Dat verdachten tweemaal een bedrag van € 500,- hebben afgelost, doet aan dit oordeel niet af, omdat dit past binnen het ‘aan het lijntje houden’ van de aangever door de verdachten. Dat verdachten van meet af aan niet van plan waren om het geleende geld terug te betalen, volgt voorts uit de grote contante geldopnamen en de frequente bezoeken aan Holland Casino waar zij in een periode van acht maanden ongeveer 90 keer samen hebben gegokt met (voor hun doen) ongebruikelijk hoge inzetbedragen, alsmede de forse uitgaven bij MediaMarkt in juli 2013.

De vertrouwenwekkende aard, het aantal en het elkaar versterkende karakter van de onware mededelingen, alsook het gegeven dat deze tot een – blijkens de verklaringen van aangever en diens dochter – kwetsbare hulpbehoevende oude man waren gericht die niet meer het gevoel had terug te kunnen, maken dat de handelingen van de verdachten, tezamen genomen, naar het oordeel van de rechtbank tevens moeten worden gekwalificeerd als een “samenweefsel van verdichtsels”.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat, met deze handelingen en omstandigheden, sprake is van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Rechtbank Den Haag 23 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2015:15640

De (ex)echtgenote van verdachte wordt tevens veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF