Veroordeling wegens medeplegen van hypotheekfraude

Rechtbank Den Haag 25 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2014:6055

Door medeverdachte 1, werkzaam bij bedrijf 2, is ten behoeve van verdachte een hypotheekaanvraag ingediend bij de ING Bank. Dit resulteerde in een offerte van 22 oktober 2003 van de ING in verband met de financiering van een nieuwbouwproject tot een bedrag van € 275.000. De akte van levering en de hypotheekakte zijn op 30 januari 2004 gepasseerd. Een van de verkopers van dit project is medeverdachte 2.

Aansluitend op die offerte zijn door ING de navolgende bescheiden ontvangen, die dienen ter onderbouwing van de door bedrijf 2 ingediende aanvraag:

  • een werkgeversverklaring waarin staat vermeld dat verdachte vanaf 1 september 2003 in vaste dienst is bij bedrijf 1 en dat verdachte uit dien hoofde een bruto salaris van € 40.800 per jaar verdient;
  • een loonafrekening waarin staat vermeld dat verdachte in oktober 2003 174 uren heeft gewerkt bij/voor bedrijf 1 en dat verdachte uit dien hoofde een netto salaris heeft verdiend van € 1.114,12.

Uit informatie afkomstig van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat er twee ondernemingen bestaan met daarin de naam "bedrijf 1" die beide gelieerd zijn aan medeverdachte 2. De oudste onderneming betreft een éénmanszaak met de naam bedrijf 1 en voorzien van een tweede handelsnaam "bedrijf 1". Deze eenmanszaak is op 1 januari 1995 opgericht en op 28 april 2009 werden de activiteiten van deze onderneming "overgedragen". De onderneming werd gedreven voor rekening van de medeverdachte 2.

De tweede onderneming betreft "bedrijf 4". Deze VOF is op 1 oktober 2002 opgericht en op 1 januari 2004 opgeheven. Medeverdachte 2 was vennoot van deze VOF.

Uit onderzoek is gebleken dat door bedrijf 1 drie salarisstortingen op bankrekening van verdachte zijn gedaan. Uit bankafschriften blijkt dat:

  • op 1 oktober 2003 een bedrag van € 2.285,88 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer rekeningnummer, met de omschrijving overschrijving, netto salaris september 2003;
  • op 27 oktober 2003 een bedrag van € 2.285,88 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer rekeningnummer, met de omschrijving overschrijving, salaris oktober 2003;
  • op 2 maart 2004 een bedrag van € 1.961,54 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer rekeningnummer, met de omschrijving overschrijving, salaris februari 2004.

Enkele dagen na de salarisstortingen van 1 en 27 oktober 2003, zijn geldbedragen van respectievelijk € 2.600,00 en € 2.300,00 contant van de rekening van verdachte opgenomen.

Voorts komt uit het onderzoek naar voren dat op de kopieën van de dagafschriften van de bankrekening van verdachte is te zien dat verdachte een (vast) dienstverband heeft bij een bedrijf genaamd bedrijf 3. Te zien is dat zij maandelijks een netto salaris ontvangt dat varieert van € 203,28 over de maand april 2003 tot € 672,48 over de maand juli 2004. Dit is tevens de laatste salarisbetaling van bedrijf 3 die op voornoemde dagafschriften zichtbaar is.

Bij haar verhoor verklaarde verdachte, zakelijk weergegeven, dat zij al enige tijd het plan had om een woning te kopen. In oktober 2003 is zij naar bedrijf 2, gevestigd aan de straatnaam 1 te ’s-Gravenhage, gegaan. bedrijf 2 was van medeverdachte 2. bedrijf 2 adviseert bij hypotheken en vraagt hypotheken aan. Verdachte heeft bij bedrijf 2 een aantal gesprekken met medeverdachte 2 gevoerd over de aankoop van een pand. Verdachte wist dat zij met haar inkomen geen duur pand kon kopen. Ze werkte namelijk destijds bij bedrijf 3 en verdiende daar in eerste instantie tussen de € 300,00 en € 400,00 netto per maand. Na een halfjaar is zij meer gaan werken en verdienen. Daarnaast had zij een Weduwe en wezen-uitkering en had zij inkomsten van ongeveer € 50,00 per week die zij niet verantwoordde bij de belastingdienst.

Verdachte heeft verder verklaard dat zij wist dat haar inkomen bij bedrijf 3 ruim onvoldoende was voor de aankoop van een appartement op de straatnaam 2. medeverdachte 2 zou tegen haar hebben gezegd dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat hij een hypotheek voor haar "kon regelen". Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat haar inkomen bij bedrijf 3 zou worden gebruikt voor een eventuele hypotheekaanvraag en dat medeverdachte 2 daar op een creatieve manier "wat bij zou verzinnen". Vervolgens heeft medeverdachte 2 haar voorgesteld aan medeverdachte 1. Medeverdachte 1 heeft de hypotheekaanvraag voor de adres 2 geregeld. Verdachte heeft bij medeverdachte 1 een jaaropgaaf en een loonstrook van haar werkgever, bedrijf 3, afgegeven.

Verdachte verklaarde voorts dat zij nooit geld heeft ontvangen van bedrijf 1 en ook nooit voor bedrijf 1 heeft gewerkt. Zij heeft een paar keer geld ontvangen van bedrijf 1, waardoor het moest lijken alsof het loon was. Dit geld is contant en in een envelop aan medeverdachte 2 teruggegeven.

Verdachte verklaarde over de aan haar getoonde en op haar naam gestelde werkgeversverklaring van 13 november 2003 en een loonafrekening van de maand oktober 2003 van bedrijf 1 dat die vals zijn. Ze waren bedoeld om de bij de hypotheekaanvraag ingeleverde salarisbescheiden echt te laten lijken, aldus verdachte.

Verdenking

  • medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
  • het voorhanden hebben van een onderdeel van of hulpstuk voor een wapen van categorie III, althans een onderdeel van of hulpstuk voor een vuurwapen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet dat er valse stukken waren opgemaakt en dat die werden gebruikt voor de hypotheekaanvraag. Verdachte ging ervan uit dat de hypotheek werd aangevraagd op basis van de door haar aangeleverde documenten. Verdachte is misleid en heeft er achteraf gezien ten onrechte op vertrouwd dat haar salaris van een bedrijf op legale wijze zou worden aangevuld.

Het vuurwapenonderdeel was eigendom van de overleden partner van verdachte. Na zijn overlijden heeft zij dat in een kistje bewaard, tezamen met het laatst door hem gedragen T-shirt.

Standpunt OM

De officier van justitie neemt het standpunt in dat de in de tenlastelegging genoemde documenten vals zijn en dat deze door verdachte zijn gebruikt voor het verkrijgen van een hypothecaire lening.

Het onderdeel van een vuurwapen is bij verdachte thuis gevonden, het voorhanden hebben kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Oordeel rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De verklaring van verdachte, geplaatst tegen de achtergrond van het onderzoek naar de stortingen van geldbedragen door bedrijf 1, brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de werkgeversverklaring en de loonafrekening, die gebruikt zijn bij de aanvraag voor de hypothecaire lening ten behoeve van verdachte, vals zijn.

Verdachte heeft, ook al is niet uitgesloten dat zij de hiervoor genoemde documenten niet kende, minst genomen de voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van deze valse documenten. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst was verdachte er van op de hoogte dat haar daadwerkelijke inkomen onvoldoende was om de benodigde hypotheek te verkrijgen. Voorts heeft medeverdachte 2 aangegeven dat hij iets zou regelen om dat op te lossen. Vervolgens ontvangt verdachte drie betalingen van bedrijf 1 op haar rekening, waarvan zij wist dat deze op salarisbetalingen moesten lijken en die zij direct weer contant moest teruggeven aan medeverdachte 2. Gelet op vorenstaande moet verdachte hebben begrepen dat op oneerlijke wijze werd voorgedaan alsof zij bij bedrijf 1 werkzaam was, en dat voor een hoger salaris dan haar werkelijke inkomsten bij bedrijf 3. Verdachte heeft het feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte 2 en bedrijf 2, zodat er sprake is van medeplegen.

Nu verdachte welbewust het vuurwapenonderdeel (te weten een patroonmagazijn) van haar overleden partner heeft behouden en bewaard is het voorhanden hebben van dat vuurwapenonderdeel wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen categorie III.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf voor de tijd van 120 uur met een proeftijd van 1 jaar.

Verdachte heeft er bewust aan meegewerkt dat haar door de bank een financiering is verstrekt die haar financiële draagkracht te boven gaat. Hierbij is gebruik gemaakt van een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF