Veroordeling wegens (medeplegen) van het doen van ruim 13.000 onjuiste aangiften inkomstenbelasting

Rechtbank Den Haag 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8509

Verdachte heeft in de periode van 2009 tot en met 2013 ruim 13.000 aangiften inkomstenbelasting ingediend waarvan aannemelijk is geworden dat verdachte in ruim 3.000 aangiften ten onrechte aftrekposten zorgkosten en giften heeft ingevuld teneinde de belastingplichtigen een belastingteruggaaf te bezorgen. De fiscus heeft berekend dat met betrekking tot deze ruim 13.000 aangiften het totale fiscale benadelingsbedrag meer dan € 2.823.920 zou kunnen bedragen. Voor zijn werkzaamheden voor derden ontving verdachte volgens eigen verklaring per aangifte in het begin € 30,- en laatstelijk € 40,-. Verdachte heeft tevens de inkomsten uit deze werkzaamheden niet in zijn eigen aangiften omzetbelasting noch in zijn aangifte inkomstenbelasting aangeven, waardoor ruim € 160.000 te weinig belasting van verdachte is geheven.

Feiten

Op 2 maart 2011 werden 33 belastingaangiften inzake de inkomstenbelasting vanaf het IP-adres ingediend waarbij een hoge aftrek specifieke zorgkosten werd opgevoerd. Het voornoemde IP-adres behoort toe aan bedrijf. Uit informatie van de Kamer van Koophandel volgt dat bedrijf een eenmanszaak betreft die op naam van verdachte staat geregistreerd.

Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte zijn een computer en een usb-stick inbeslaggenomen waarop 13.476 unieke aangiftebestanden stonden opgeslagen. De aangiftebestanden betroffen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2012 die in de periode van 2008 tot en met 2013 bij de belastingdienst zijn ingediend.

Feit 1

Vanaf voornoemd IP-adres zijn in de periode vanaf 1 oktober 2010 tot en met 31 december 2012 3.884 aangiften inkomstenbelasting ingediend over de jaren 2008 tot en met 2011 waarin aftrekposten voor Persoons Gebonden Aftrek (PGA) werden vermeld voor in totaal € 8.058.266. Aan 24 belastingplichtigen, waarvan de belastingaangifte via voornoemd IP-adres werd ingediend, zijn vragenbrieven verstuurd. Naar aanleiding daarvan is bij 21 belastingplichtigen het gehele bedrag aan specifieke zorgkosten gecorrigeerd en bij 3 belastingplichtigen zijn de specifieke zorgkosten gedeeltelijk gecorrigeerd.

In de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 maart 2013 zijn bij de Centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn de digitale belastingaangiften van de volgende personen binnengekomen:

  • betrokkene 1 (voor de tijdvakken 2008/2009/2010);
  • betrokkene 2 (voor de tijdvakken 2008/2009/2010/2011);
  • betrokkene 3 (voor de tijdvakken 2008/2009/2010/2011);
  • betrokkene 4 (voor de tijdvakken 2008/2009/2010);
  • betrokkene 5 (voor de tijdvakken 2008/2009/2010);
  • betrokkene 6 (voor de tijdvakken 2010/2011/2012);
  • betrokkene 7 (voor de tijdvakken 2010/2011/2012).

De aftrekposten voor PGA zijn onjuist in deze belastingaangiften opgenomen en de belastingplichtigen hebben verklaard dat verdachte voor hen de belastingaangiften heeft ingevuld en ingediend.

De FIOD heeft geschat dat het belastingnadeel met betrekking tot de 3.884 aangiften inkomstenbelasting € 2.823.920 bedraagt.

De Belastingdienst heeft vragenbrieven gestuurd naar verschillende belastingplichtigen van wie de belastingaangifte via voornoemd IP-adres was ingediend. Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte is de computer van verdachte in beslaggenomen. Op de harde schijf van de computer van verdachte zijn bestanden aangetroffen met daarin 40 brieven. Als auteur staat in het kenmerk van deze bestanden de naam van verdachte vermeld. Deze brieven zijn in naam van de belastingplichtigen aan wie de Belastingdienst voornoemde vragenbrief had gestuurd, opgesteld. In de brieven van betrokkene 8 en betrokkene 9 wordt vermeld dat documenten ter onderbouwing van de aftrekposten bij hun verhuizing zijn zoekgeraakt. In de brief van betrokkene 10 wordt vermeld dat de belastingadviseur de papieren gepost heeft, maar dat die nooit bij betrokkene 10 zijn aangekomen.

Feit 2

Namens bedrijf zijn de elektronische aangiften voor de omzetbelasting over de tijdvakken van het eerste kwartaal 2008 tot en met het vierde kwartaal 2012 bij de Belastingdienst ingediend.

Verdachte heeft verklaard dat hij degene was die de aangiften omzetbelasting namens bedrijf vanaf zijn woonadres te Den Haag, indiende en dat hij de omzet die hij genereerde met het doen van inkomstenbelastingaangiften voor particulieren niet heeft aangegeven, met uitzondering van de omzet die hij heeft behaald met het indienen van 200 belastingaangiften inkomstenbelasting in 2012. Daarnaast heeft verdachte, volgens zijn eigen verklaring, 250 tot 300 aangiften per jaar kosteloos voor vrienden en bekenden ingediend.

De FIOD heeft berekend dat hierdoor € 62.369 te weinig belasting is geheven. Daarbij is de FIOD uitgegaan van de op de computer van verdachte aangetroffen 13.476 unieke aan de Belastingdienst verstuurde belastingaangiften minus de door verdachte kosteloos ingediende belastingaangiften en de door verdachte gehanteerde tarieven.

Feit 3

Verdachte heeft verklaard dat hij de volgende belastingaangiften voor de inkomstenbelasting digitaal vanaf zijn woonadres te Den Haag heeft ingediend bij de Belastingdienst.

  • 2008, ingediend op 3 december 2009;
  • 2009, ingediend op 3 augustus 2010;
  • 2010, ingediend op 8 september 2011;
  • 2011, ingediend op 1 juli 2012.

Verdachte heeft verklaard dat hij inkomsten uit werkzaamheden, te weten de inkomsten die hij verdiende met het indienen van belastingaangiften inzake de inkomstenbelasting, niet heeft opgenomen.

De FIOD heeft berekend dat hierdoor € 120.789 te weinig belasting is geheven. Daarbij is de FIOD uitgegaan van de op de computer van verdachte aangetroffen 13.476 unieke aan de belastingdienst verstuurde belastingaangiften minus de door verdachte kosteloos ingediende belastingaangiften en de door verdachte gehanteerde tarieven.

Bewijsvragen

Ten aanzien van feit 1 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte het opzet had op het doen van hiervoor genoemde onjuiste belastingaangiften en/of op het medeplegen daarvan.

Voor wat betreft de feiten 2 en 3 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte deze door hem bekende feiten heeft begaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Voor wat betreft feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De normadressant van artikel 69 lid 2 Awr is immers de belastingplichtige. Verdachte heeft weliswaar nauw en bewust samengewerkt met de belastingplichtigen om een belastingaangifte te toen, maar die bewuste en nauwe samenwerking zag niet op het doen van een onjuiste belastingaangifte. Immers, er was voor verdachte geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de belastingplichtigen aan hem verstrekte gegevens.

Daarnaast heeft de raadsvrouw ter onderbouwing aangevoerd dat de verklaringen van de gehoorde belastingplichtigen niet betrouwbaar zijn omdat zij zelf als verdachten zijn gehoord en dat hun verklaringen strijdig zijn met andere verklaringen.

Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat de belastingaangiften van de in de tenlastelegging niet bij name genoemde personen en niet nader onderzochte belastingaangiften onjuist zijn.

De verdachte heeft erkend dat hij de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1: Opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuist belastingaangiften heeft ingevuld en ingediend. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Er bevinden zich in het dossier 24 volledig uitgewerkte gevallen van belastingplichtigen ten name van wie door verdachte aangiften inkomstenbelasting met een aftrekpost voor persoonsgebonden aftrek zijn ingediend. In alle gevallen was de aftrekpost voor persoonsgebonden zorgkosten onjuist ingevuld. In 21 gevallen was die geheel onterecht opgenomen en in 3 gevallen was er een te hoge aftrekpost opgenomen.

Van deze 24 gevallen worden zeven belastingplichtigen in de tenlastelegging genoemd. Allemaal verklaren zij dat zij de aftrekpost en het bedrag dat daar is ingevuld, niet hebben doorgegeven aan verdachte en evenmin met hem hebben besproken. Zij waren er geen van allen van op de hoogte dat verdachte deze aftrekpost (in die omvang) in hun belastingaangifte opnam en dat dit ook onjuist is. Ook verklaren zij over de snelheid waarmee verdachte hun aangiften invulde, een aantal heeft het over vijf minuten, een ander over een kwartier. De verklaringen van voornoemde belastingplichtigen komen er voorts op neer dat zij geen verstand hebben van het doen van belastingaangifte, in sommige gevallen het Nederlands niet machtig zijn, in één geval niet kunnen lezen of schrijven en zich om die reden tot verdachte hadden gewend.

Belastingplichtigen betrokkene 8 en betrokkene 9 verklaren dat het niet klopt dat er in de door verdachte opgestelde antwoordbrief staat vermeld dat zij documenten zijn kwijtgeraakt door een verhuizing. Belastingplichtige betrokkene 10 verklaart dat hij buiten een factuur van € 42 voor medicijnen, geen kosten heeft gemaakt ter onderbouwing van aftrekbare kosten.

De rechtbank overweegt dat de voormelde 24 verklaringen van de belastingplichtigen nagenoeg gelijkluidend zijn voor wat betreft de omstandigheid dat verdachte in hun belastingaangifte een bedrag bij de aftrekpost Persoonsgebonden aftrek heeft ingevuld, zonder dit met hen te overleggen. Deze handelswijze – het zonder overleg met belastingplichtigen onjuiste informatie verstrekken aan de Belastingdienst – wordt bevestigd door de verklaringen van belastingplichtigen over de door verdachte namens hen verstrekte informatie naar aanleiding van de door de Belastingdienst verstrekte vragenbrieven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij de (hoogte van de) aftrekpost invulde omdat de belastingplichtigen deze kosten bij hem hadden opgegeven, ongeloofwaardig.

De rechtbank verwerpt om deze reden het daartoe strekkende verweer en komt op die grond tot het oordeel dat verdachte met opzet ten onrechte zelf deze aftrekpost heeft opgevoerd in de belastingaangiften. De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte voor 24 belastingplichtigen, waaronder de zeven in de tenlastelegging genoemde personen, over de tijdvakken 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 opzettelijk onjuist de belastingaangifte heeft ingevuld en ingediend.

Medeplegen van opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften

Verdachte heeft nauw en bewust met de belastingplichtigen samengewerkt teneinde opzettelijk onjuiste (digitale) belastingaangiften in te dienen. De nauwe en bewuste samenwerking bestond hierin dat de belastingplichtigen hun digitale identificatie code en inkomensgegevens aan verdachte verstrekten, zulks telkens met het oogmerk om, terwijl verdachte en belastingplichtige naast elkaar voor de computer van verdachte zaten, het digitale belastingaangifte formulier door verdachte te laten invullen waarna deze belastingaangifte door verdachte van zijn computer naar de Belastingdienst zou worden verstuurd. Verdachte vulde vervolgens het digitale belasting aangiftebiljet in en nam daarin opzettelijk meergenoemde onjuiste aftrekpost op. De digitale belastingaangiften werden middels de digitale identificatiecode door verdachte ingediend.

Dat de belastingplichtigen er wellicht (niet) telkens van op de hoogte waren dat zij een onjuiste belastingaangifte indienden doet, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BQ8596), aan het voorgaande niet af. Vastgesteld moet immers volgens de Hoge Raad worden dat de verdachte opzet had op het gronddelict en op het medeplegen. Niet hoeft volgens de Hoge Raad vastgesteld te worden dat de belastingplichtigen die met de verdachte hebben deelgenomen eveneens dat opzet hadden.

Conclusie

Verdachte heeft als medepleger opzettelijk 24 onjuiste belastingaangiften inkomstenbelasting over de tijdvakken 2008 tot en met 2012 gedaan, waardoor te weinig belasting is geheven.

Feit 2 en 3

Op grond van de hiervoor genoemde feiten waar in de voetnoten naar de desbetreffende bewijsmiddelen is verwezen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuiste belastingaangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over respectievelijk het eerste kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2012 respectievelijk over de jaren 2008 tot en met 2011 heeft ingediend waardoor er € 62.369 en respectievelijk € 120.789 te weinig belasting is geheven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: medeplegen van: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
  • Feiten 2 en 3: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit geen openheid van zaken heeft gegeven en de ernst van dit feit in het geheel niet lijkt in te zien. Voorts legt verdachte de oorzaak van zijn handelen (veelal) bij anderen neer en neemt hij daarmee onvoldoende zijn eigen verantwoordelijkheid in beschouwing. Verdachte lijkt dan ook niet de verwerpelijkheid van zijn handelen in te willen zien. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst acht om aangiften op hun juistheid te controleren. Ook heeft hij verklaard dat hij nog immer belastingaangiften voor personen invult en indient, zij het dat het om een minder groot aantal personen dan voorheen zou gaan. Hij stelt dat hij zijn werkwijze heeft veranderd, omdat de Belastingdienst strenger controleert op de aftrekbaarheid van kosten. Kennelijk komt het niet bij verdachte op dat hij, ongeacht of de Belastingdienst de door hem ingediende belastingaangiften op juistheid controleert, juist hoort in te dienen. De rechtbank acht deze houding en de omstandigheid dat verdachte zijn diensten als belastingadviseur nog steeds aanbiedt, bijzonder zorgwekkend. Daarbij is tevens van belang dat slechts door toedoen van de Belastingdienst een einde is gekomen aan zijn strafbare praktijken. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij dacht dat er toch niemand achter zou komen. Al het vorenstaande neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Het voorwaardelijke deel wordt opgelegd teneinde verdachte er van te weerhouden zich opnieuw aan (dergelijke) strafbare feiten schuldig te maken. Aan dit voorwaardelijke deel zal een proeftijd van drie jaar worden verbonden, gezien de lange pleegperiode, de zorgelijke houding van verdachte waarbij hij niet de volle verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en de omstandigheid dat hij thans nog immer zijn diensten als belastingadviseur aanbiedt. Om voormelde redenen zal hierbij eveneens de bijzondere voorwaarde worden opgenomen dat verdachte drie jaar lang zich op geen enkele wijze mag bemoeien met c.q. behulpzaam mag zijn bij het doen van belastingaangiften ten name of ten behoeve van derden. Verdachte dient er op die manier gedurende langere tijd van te worden doordrongen dat nieuwe strafbare feiten moeten worden voorkomen.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde geldboete te matigen.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF