Veroordeling wegens fraude met valse brieven Van Gogh Museum

Rechtbank Overijssel 18 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4028

Voor het gebruiken van vervalste brieven en een echtheidsonderzoek van het Van Gogh Museum is een 58-jarige man door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Aanleiding 

In het voorjaar van 2015 is door verdachte een schilderij, dat door hem is toegeschreven aan de schilder Vincent van Gogh, telefonisch en per mail te koop aangeboden aan meerdere personen. Het zou daarbij gaan om (een voorstudie van) “De Oogst”. Verdachte heeft daarbij op verzoek van potentiële kopers onder meer de navolgende documenten overgelegd:

  • een ongedateerd “Verslag authenticiteitsonderzoek van het werk "De Oogst", contractnr. EU/2698.4.12./SM, onder meer inhoudende dat het werk kan worden toegeschreven aan Vincent van Gogh en dat verdachte de eigenaar van het werk is;
  • een brief met het briefhoofd van het Van Gogh Museum d.d. 13 maart 2015, met referentie EU/2698.4.12/SM en gericht aan mevrouw naam 3, onder meer inhoudende dat het werk “De Oogst” aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven;
  • een brief met het briefhoofd van het Van Gogh Museum d.d. 13 maart 2015, met referentie EU/2698.4.12/SM en gericht aan mevrouw naam 3, onder meer inhoudende dat het Van Gogh Museum altijd geïnteresseerd is in de eventuele aanschaf van werk van Vincent van Gogh ter uitbreiding van haar collectie en dat zij graag de mogelijkheid tot aanschaf van het werk verder willen bespreken.

Uit een door het Van Gogh Museum uitgevoerd expertiseonderzoek is echter gebleken dat het werk wel door het Van Gogh Museum voor verdachte is onderzocht, maar niet aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven. Dit heeft het Van Gogh Museum bij brief van 2 maart 2015, met referentie EU/2597.4.15/sm, aan mevrouw naam 3 bericht.

Door het Van Gogh Museum is aangifte gedaan dat voornoemde brieven van 13 maart 2015 en het authenticiteitsonderzoek (met positieve uitkomst) vals zijn en niet door het Van Gogh Museum zijn opgemaakt.

Tegen de verdachte is de verdenking gerezen dat hij voornoemde documenten valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, alsmede dat hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van voornoemde documenten als waren die documenten echt en onvervalst. Verdacht ontkent elke betrokkenheid bij de hem tenlastegelegde feiten.

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:

  • Feit 1: (medeplegen van) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: (medeplegen van) het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde als verweer gevoerd dat verdachte niet over de capaciteiten en de digitale kennis beschikt om de betreffende documenten te vervalsen en dat uit het onderzoek niet duidelijk is geworden wie er verantwoordelijk kan worden gehouden voor het vervalsen van de brieven van het Van Gogh Museum en het authenticiteitsonderzoek.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde als verweer gevoerd dat niet is gebleken dat aangevers naam 1 en naam 2, noch de heer naam 4 een brief/brieven of een echtheidsrapport van verdachte hebben ontvangen.

De raadsman heeft voorts als verweer gevoerd dat het mailen van een document als scan of als foto niet valt onder het gebruik maken van een vals document in de zin van de wet.

De raadsman heeft subsidiair bepleit om ingeval van een bewezenverklaring van het onder 1 en/of 2 tenlastegelegde aan verdachte als first-offender een geheel voorwaardelijke straf dan wel een werkstraf op te leggen.

Oordeel rechtbank

Feit 1: vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de dossierstukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen onvoldoende concrete aanwijzingen zijn te putten die erop duiden dat verdachte als pleger of als medepleger handelingen heeft verricht die waren gericht op valselijk opmaken dan wel vervalsing. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.

Feit 2

Uit de (bijlage bij de) aangifte van mevrouw naam 5 namens het Van Gogh Museum blijkt dat in december 2014 een schriftelijke overeenkomst tussen het Van Gogh Museum en verdachte is gesloten ten behoeve van expertiseonderzoek.

Uit de aangifte van mevrouw naam 5 blijkt dat het Van Gogh Museum bij brief d.d. 2 maart 2015 aan mevrouw naam 3 heeft meegedeeld dat het door het Van Gogh Museum uitgevoerde expertiseonderzoek heeft uitgewezen dat het werk niet aan de schilder Vincent van Gogh kan worden toegeschreven en dat de drie documenten die eind juni 2015 door de heer naam 1 ter verificatie aan het Van Gogh Museum zijn aangeboden, valse documenten zijn die niet door het Van Gogh Museum zijn opgemaakt.

Blijkens de inhoud van de door mevrouw naam 3 tegenover de politie afgelegde verklaring heeft zij namens verdachte contact gehad met het Van Gogh Museum en heeft zij de brief van het Van Gogh Museum d.d. 2 maart 2015 na ontvangst aan verdachte gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij de brief van het Van Gogh Museum d.d. 2 maart 2015, inhoudende dat het werk niet aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven, heeft gezien en dat hij denkt dat mevrouw naam 3 die brief enige weken na 2 maart 2015 lijfelijk aan hem heeft overhandigd.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte korte tijd na 2 maart 2015 wetenschap heeft gekregen van de uitslag van het door het Van Gogh Museum verrichte expertiseonderzoek met als uitslag dat het werk niet aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven.

Blijkens de inhoud van de aangifte van de heer naam 1 d.d. 30 juni 2015 kreeg hij medio juni 2015 een schilderij van Van Gogh, genaamd “De Oogst”, aangeboden en heeft hij van verdachte een brief gekregen van het Van Gogh Museum. Deze brief was gericht aan mevrouw naam 3 en daarin stond vermeld dat het schilderij aan Vincent van Gogh kon worden toegeschreven. De heer naam 1 heeft daarop de heer naam 2, zijn contact in Duitsland, in kennis gesteld. Nadat naam 2 contact had gezocht met verdachte heeft verdachte een rapport van het schilderij aan naam 2 ter beschikking gesteld. Dit rapport betrof een rapport (ge)lijkend op de lay-out van het briefpapier van het Van Gogh Museum, waarin is gemeld dat en op welke manier het werk is onderzocht en waarin als conclusie vermeld is dat het werk aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven.

Bij de aangifte van de heer naam 1 zijn door hem overgelegd:

  • een verslag authenticiteitsonderzoek van het werk “De Oogst”, Contractnummer EU/2698.4.1.2/SM;
  • een kopie van een brief van het Van Gogh Museum gericht aan mevrouw naam 3, waarin staat vermeld dat het werk wordt toegeschreven aan Vincent van Gogh, gedateerd 13 maart 2015;
  • een kopie van een brief van het Van Gogh Museum gericht aan mevrouw naam 3, waarin staat vermeld dat het museum geïnteresseerd is in de aanschaf van het werk, gedateerd 13 maart 2015.

De heer naam 1 heeft in zijn nadere verklaring tegenover de politie d.d. 2 september 2015 onder meer verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met verdachte en hem heeft verzocht om aan hem het “Provenance” document op te sturen. Dit “Provenance” document is vervolgens door verdachte per mail naar naam 2 in Berlijn gemaild, die het “Provenance” document op zijn beurt naar de heer naam 1 heeft gemaild.

Door de heer naam 2 is aangifte gedaan bij de politie in Berlijn waarbij hij onder meer heeft verklaard dat op 29 mei 2015 met hem door een Nederlandse collega contact tot stand is gebracht met de eigenaar van een Van Gogh schilderij die van plan was zijn schilderij te verkopen. Na telefonisch contact met de eigenaar hebben zij de noodzakelijke documenten ter toetsing opgevraagd en ontving naam 2 een week later een condition rapport. Op 26 mei 2015 werd door het Van Gogh Museum meegedeeld dat de documenten waarover zij beschikten nooit door het Van Gogh Museum zijn opgesteld en dat het vervalsingen betroffen.

De heer naam 2 heeft op 30 juni 2015 zijn aangifte aangevuld en daarin onder meer verklaard dat het contact met de eigenlijke aanbieder, de in Nederland gevestigde verdachte, plaats vond via de zakenpartner van de firma “ bedrijf ”, de heren naam 1 en naam 6 uit Nederland.

Op 12 mei 2016 heeft de heer naam 4 tegenover de politie verklaard dat hij en zijn partner naam 7 in het voorjaar van 2015 zijn benaderd door naam 8 om het schilderij “The Harvest”, waarvan verdachte de eigenaar was, te kopen.

De heer naam 4 heeft verklaard dat hij een brief heeft ontvangen met het logo van het Van Gogh Museum met de tekst dat het Van Gogh Museum bezig is geld bij elkaar te krijgen om het schilderij aan te kunnen kopen of woorden van gelijke strekking. Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2016 heeft de heer naam 4 op 13 mei 2016 per mail onder meer aan de politie meegedeeld dat hij een e-mail had ontvangen van verdachte met een ingeplakte en door een Iphone gemaakte foto van een brief met het logo van het Van Gogh Museum, waarin, voor zover hij zich kan herinneren, stond vermeld dat het Van Gogh Museum geld inzamelde om het schilderij te kunnen kopen.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2016 van verbalisanten verbalisant en verbalisant houdt als relaas van verbalisanten onder meer in dat mevrouw naam 7 op 23 mei 2016 een e-mail met drie bijlagen stuurde, waarvan twee identiek aan elkaar zijn. De bijlagen betreffen drie brieven die betrekking hebben op het schilderij “De Oogst” (F0412/JH1440) en die zijn voorzien van het logo van het Van Gogh Museum. In de brieven is onder meer vermeld dat het schilderij zorgvuldig is bestudeerd en aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven.
In de e-mail stond de tekst dat de brieven waren toegezonden door verdachte die haar vertelde dat de brieven afkomstig zijn van het Van Gogh Museum.

Aan voornoemd proces-verbaal zijn drie brieven gehecht, waarvan twee exemplaren identiek zijn qua lay-out en inhoud. Deze brieven van 13 maart 2015 aangeduid met “bijlage bij pv
1-3” en “bijlage pv 2-3” en gericht aan mevrouw naam 3 bevatten als inhoud onder meer de tekst: “We hebben het door u aanleverde materiaal zorgvuldig bestudeerd en zijn van mening dat het werk aan Vincent van Gogh kan worden toegeschreven”. De brief van 13 maart 2015 aangeduid met “bijlage bij pv 3-3-“ en gericht aan mevrouw naam 3 bevat als inhoud onder meer de tekst: “Het Van Gogh Museum is altijd geïnteresseerd in de eventuele aanschaf van werk van Vincent van Gogh ter uitbreiding van haar collectie. Derhalve zouden wij graag deze mogelijkheid verder met u willen bespreken” en “Wij zouden het op prijs stellen dat u ons in de gelegenheid stelt dit met u verder te bespreken, alvorens u met derden verder onderhandelt over een eventuele verkoop.”

Mevrouw naam 3 heeft voorts verklaard dat zij een aan mevrouw naam 3 gerichte brief van het Van Gogh Museum gedateerd 13 maart 2015, inhoudende dat het werk wordt toegeschreven aan Vincent van Gogh, niet kent en nooit heeft ontvangen. Mevrouw naam 3 heeft verder verklaard dat zij een aan mevrouw naam 3 gerichte brief van het Van Gogh Museum gedateerd 13 maart 2015 en inhoudende dat het Van Gogh Museum interesse heeft in de aanschaf van het werk van Vincent van Gogh/het schilderij evenmin kent en nog nooit heeft gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komen vast te staan dat verdachte, nadat hij reeds in maart 2015 had kennisgenomen van de inhoud van de brief van het Van Gogh Museum d.d. 2 maart 2015 aan mevrouw naam 3, inhoudende dat het werk niet aan Vincent van Gogh kan worden toegerekend, ondanks die wetenschap in de periode van 29 mei 2015 tot en met 30 juni 2015 meermalen aan potentiële kopers van het werk dat als (een voorstudie van) “De Oogst” werd aangeboden, valse documenten heeft doen toekomen die betrekking hebben op en/of relevant zijn voor de echtheid van het werk. De rechtbank acht in dit verband illustratief voor de handelwijze van verdachte dat hij zich, nadat hij zelf had kennisgenomen van de negatieve uitkomst van het onderzoek zoals dat is vastgelegd in de brief van het Van Gogh Museum van 2 maart 2015, in de tenlastegelegde periode - zelfs enkele maanden nadien nog - heeft bediend van een authenticiteitsrapport met positieve uitkomst en positief geformuleerde brieven van het Van Gogh Museum (met dagtekening 13 maart 2015), zonder enige - verificatieve - actie te ondernemen in de richting van het Van Gogh Museum. Dat had, gelet op de negatieve uitkomst van de brief van het Gogh Museum d.d. 2 maart 2015 zonder meer voor de hand had gelegen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte willens en wetens gebruik heeft gemaakt van voornoemd Authenticiteitsonderzoek en voornoemde brieven van het Van Gogh Museum d.d. 13 maart 2015 als waren die documenten echt en onvervalst.

De rechtbank acht de door verdachte gegeven verklaring voor de gang van zaken volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft weliswaar gesteld - wat daar overigens ook van zij - dat pas bij de daadwerkelijke verkoop van een werk de authenticiteit door de koper zal worden onderzocht en dat verdachte zich daarom in de aanloop naar zo’n verkoop heeft kunnen bedienen van documenten waarin het werk aan Vincent van Gogh wordt toegeschreven, maar de rechtbank acht deze stelling in dit geval, waarin verdachte beschikte over kort na elkaar gedateerde documenten van - blijkens de opmaak - een en dezelfde bron (het Van Gogh Museum) met een volstrekt tegenstrijdige inhoud, in het licht van de uit het dossier naar voren komende internationale handelspraktijk in werken van een kunstenaar van het kaliber van Vincent van Gogh, volkomen onhoudbaar. 

De rechtbank gaat voorts voorbij aan het verweer van de verdediging dat het mailen van een document als scan of als foto niet valt onder het “opzettelijk gebruik maken” in de zin van de wet. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de wetsgeschiedenis en naar geldend recht volgt dat ook aan fotokopieën en afschriften bewijsbestemming kan worden toegekend. Daarvan is in deze gevallen sprake geweest, aangezien de betreffende documenten zijn aangewend als waren zij in origineel beschikbaar terwijl zij in de dagelijkse praktijk van de onderhandelingen rondom de verkoop van kunst als hier aan de orde bewijswaarde blijken te hebben.

De rechtbank acht geen bewijs voorhanden dat verdachte zich samen met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van de valse geschriften.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 29 mei 2015 tot en met 30 juni 2015 meermalen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften als waren die echt en onvervalst.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Ernstige misleiding

De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf mee dat het gebruik van de valse documenten een ernstige vorm van misleiding is die tot een enorme reputatieschade voor het Van Gogh Museum en kunsthandelaren kan leiden. Alleen maar om er financieel beter van te worden heeft de man zo ernstig afbreuk gedaan aan de waarde van documenten van een toonaangevend en respectabel museum.

Kunst van wereldformaat

Het gaat hier om handel in (beweerde) kunst van wereldformaat met navenante economische waarde. De eventuele verkoop van zo’n schilderij met gebruikmaking van valse documenten, zoals door de man was voorgenomen, kan een enorme impact en verstorende werking hebben op het handelsverkeer in die kunstwereld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF