Veroordeling wegens feitelijk leidinggeven aan overtreden Meststoffenwet, Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en de Wet dieren. Aangezien verdachte al persoonlijk failliet is, worden voorwaardelijke geldboetes opgelegd in combinatie met werkstraffen.

Rechtbank Overijssel 25 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:2998 Verdachte wordt feitelijk leidinggeven en/of opdracht geven aan het door rechtspersoon X B.V. overtreden van de Meststoffenwet, de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en de Wet dieren verweten, doordat:

  1. X B.V. al dan niet gemiddeld in 2012 1965,2 varkenseenheden, althans meer varkenseenheden heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht (art 19 Meststoffenwet)
  2. X B.V al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning, dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, doordat hemelwater niet uit de tankput of opvangbak van een dieselolietank werd afgevoerd door een leiding waarin buiten en zo dicht mogelijk bij de omwalling of wand een af sluiter was aangebracht (een afdak was niet aangebracht) (art 2.3 ahf/sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art 2.3 ahf/sub b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)
  3. X B.V. 2680 varkens, althans een aantal varkens heeft verzorgd, niet overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van het Varkensbesluit, aangezien voornoemde varkens, ouder dan 2 weken, niet permanent beschikten over voldoende vers drinkwater, (art 2 lid 3 Varkensbesluit)
  4. X B.V. zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een aantal dieren pijn of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid of het welzijn van een aantal dieren heeft benadeeld (art 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren)
  5. X B.V. als houdster van dieren, te weten 22, althans een aantal in een sleufsilo gehouden varkens, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers beschikten voornoemde varkens niet over een droge en/of schone ligplaats (art 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren)

Nietigheid dagvaarding

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat feit 1 nietig is, omdat het tijdsaspect als bedoeld in artikel 261 lid 1 Strafvordering in de tenlastelegging ontbreekt en dus uit de tenlastelegging niet blijkt wanneer de verweten gedraging zou zijn gepleegd. Subsidiair voert zij aan dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van een verboden gedraging aan de zijde van X B.V, althans wegens het ontbreken van het feitelijk leiding /opdracht geven aan de aan X B.V. verweten gedraging.

Voorts stelt de raadsvrouw dat verdachte van alle overige feiten vrijgesproken behoort te worden, zoals nader verwoord in de door haar overgelegde pleitnota.

De politierechter overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat feit 1 niet nietig is omdat in de tenlastelegging als delictsperiode is opgenomen in het jaar 2012, zodat het voor verdachte duidelijk is wanneer het feit zich heeft afgespeeld en op grond daarvan dient het verweer van de raadsvrouw te worden verworpen.

Overige verweren

Verdachte heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hem geen blaam treft, omdat hij de exploitatie van de onderneming vanaf 12 januari 2012 heeft overgedragen aan X B.V. Hij was vanaf dat moment slechts een werknemer in algemene dienst en niet in staat of bevoegd de geconstateerde tekortkomingen te voorkomen of op te heffen. De politierechter volgt verdachte niet in deze redenering. Het verweer mist feitelijke grondslag. Uit het dossier, met name de verklaringen van de getuigen Y en Z, blijkt dat verdachte (ook) in de ten laste gelegde periode, net als in de jaren voordien, feitelijk heeft opgetreden als leidinggevende c.q. als exploitant van de onderneming. Op controlemomenten was hij ook steeds aanwezig en presenteerde hij zich als feitelijk leidinggevende binnen de onderneming. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat hij de exploitatie van de onderneming “op papier” heeft overgedragen aan X en de onroerende zaken juridisch heeft verkocht en geleverd aan buurman D, zulks onder voorbehoud van een terugkoop- en gebruiksrecht. Ook daarna bleef verdachte immers feitelijk en als zodanig zichtbaar voor de buitenwacht degene die de onderneming dreef.

Het hiermee samenhangende verweer dat hij, vanaf het moment van overdracht van de onderneming, niet langer de zeggenschap had over de financiële middelen van de onderneming, kan evenmin slagen. Verdachte heeft immers die zeggenschap zelf “weggegeven” terwijl hij ook op dat moment op de hoogte was van de tekortkomingen met betrekking tot het dierenwelzijn in het bedrijf.

Feit 1

Specifiek ten aanzien van feit 1 heeft verdachte nog aangevoerd dat X geen verwijt treft aangezien zij de exploitatie pas vanaf september 2012 op zich heeft genomen. Zij heeft ervoor gezorgd dat 4/12 van de voor dat jaar benodigde mestrechten zijn geleased. Voor de tekortkoming over de eerste acht maanden van 2012 treft haar geen blaam en verdachte als feitelijk leidinggever dus evenmin. Dit standpunt snijdt geen hout. Bij overname van een onderneming onder algemene titel zoals in casu, zal de overnemer, in dit geval X BV, ervoor moeten zorgdragen dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan. De wettelijke eis voor wat betreft de Meststoffenwet schrijft voor dat in een kalenderjaar niet meer varkens mogen worden gehouden dan de omvang van de op het bedrijf rustende varkensrechten. Die eis gold voor X onverkort, los van de vraag wanneer certificaten van aandelen zijn overgegaan en/of er een bestuurderswisseling heeft plaatsgevonden.

Feit 2

Voor wat betreft feit 2 (de lekbak van de dieseltank) heeft verdachte gesteld dat niet hij, maar de juridisch eigenaar van de opstallen, de heer D, daarvoor juridisch verantwoordelijk was. De politierechter volgt dat niet. verdachte dreef feitelijk de onderneming, was feitelijk leidinggevende binnen de onderneming en als zodanig is hij er mede verantwoordelijk voor dat binnen de inrichting wordt gewerkt conform de geldende vergunning. Juridisch eigendom is voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet beslissend.

Voor wat betreft feit 2 heeft verdachte zich voorts nog aangesloten bij het verweer van X inhoudende dat er op de tenlastegelegde dag wellicht geen sprake was van een afvoer van regenwater via een leiding- of pompsysteem, maar dat dit ook niet nodig is. Voorschrift 16.3.5 van de omgevingsvergunning vereist immers niet een voortdurende afvoer door een leiding. De politierechter verwerpt dit verweer. Voorschrift 16.3.5 van de omgevingsvergunning maakt onderdeel uit van de installatievoorschriften. Dit betekent dat de voorziening, zijnde een afdak, leiding of pompsysteem, om te voorkomen dat met dieselolie vervuild regenwater vanuit de lekbak in de ondergrond lekt, te allen tijde aanwezig dient te zijn. Dat volgt vanzelfsprekend ook uit de aard van de voorziening.

Feit 4 en 5

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft verdachte aangevoerd dat de financiële middelen ontbraken om de geconstateerde tekortkomingen inzake bepalingen van dierenwelzijn op te heffen. Hij moest noodgedwongen kiezen voor noodoplossingen. Voor verdachte hiermee wil stellen dat er sprake is van overmacht, dan kan dat verweer niet slagen. X heeft immers de onderneming, inclusief de geconstateerde tekortkomingen, overgenomen. Daarbij heeft zij kunnen vaststellen dat er geld nodig was om de tekortkomingen op te heffen. Door de exploitatie van de onderneming over te nemen, zonder voor herstel van de tekortkomingen te zorgen, dan wel hiervoor geld te reserveren, heeft X de qua dierenwelzijn ernstig tekortschietende situatie aanvaard. Dat verhindert een beroep op overmacht. verdachte kan zich als feitelijk leidinggevende evenmin op overmacht beroepen. Hij is als zodanig mede verantwoordelijk te houden voor de aangetroffen situatie op het bedrijf. Te meer nu op geen enkele wijze blijkt dat hij heeft getracht (de bestuurders) van X te bewegen gelden te fourneren om noodzakelijke investeringen te doen. Door te kiezen voor noodoplossingen heeft hij zich bovendien aan de tekortschietende situatie op het bedrijf geconformeerd.

Voor wat betreft de inkepingen in de linkeroorschelp van fokzeugen heeft verdachte aangevoerd dat hij er door controle-instanties nooit eerder op is gewezen dat het een verboden ingreep betrof. Bovendien dient de ingreep een redelijk doel, te weten het kunnen onderscheiden van de eigen fokzeugen van de andere varkens. De politierechter verwerpt ook deze verweren. Het verboden zijn van de ingreep en de strafbaarheid ervan is niet afhankelijk van een voorafgaande waarschuwing door een controle-instantie. Als ondernemer c.q. als feitelijk leidinggever van een onderneming diende verdachte op de hoogte te zijn van de geldende regels inzake dierenwelzijn. Het argument, inhoudende de stelling dat de inkeping (lees: verminking) een redelijk doel diende, slaagt niet omdat voor dat doel andere, minder ingrijpende wijzen van markering van dieren denkbaar zijn.

Bewezenverklaring

  1. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 19 van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, zulks terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij art. 6 Wet economische delicten juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon zulks terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij art. 6 Wet economische delicten juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
  3. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, zulks terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij art. 6 Wet economische delicten juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
  4. Overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2.1 Wet dieren, begaan door een rechtspersoon zulks terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij art. 8.11 Wet Dieren juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
  5. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.2 Wet Dieren, begaan door een rechtspersoon zulks terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij artikel 8.11 Wet Dieren juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafoplegging

Aan verdachte wordt voor de feiten, tweemaal een taakstraf en daarnaast tweemaal een geldboete worden opgelegd. Aangezien verdachte al persoonlijk failliet is, zullen de geldboetes in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, met daarnaast een flinke aantal uren onbetaalde arbeid.

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake het onder sub 1, sub 2, sub 4 en sub 5 bewezenverklaarde tot betaling van een voorwaardelijke geldboete van 5.000 met een proeftijd van 3 jaar. Voorts veroordeelt de rechtbank hem tot een werkstraf van 240 uren.

Ter zake het onder sub 3 bewezenverklaarde wordt verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke  geldboete van 2.500 met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast veroordeelt de rechtbank hem tot een werkstraf van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF