Veroordeling wegens feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Overijssel 14 april 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1967

Essentie

Verdachte heeft samen met zijn vader in het zicht van faillissement een geldbedrag ter grootte van € 41.000 buiten de boedel van zijn bedrijf gehouden.

Verdenking

Feit 1: als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 BV in de periode van 28 juli 2009 tot en met 18 augustus 2009 bedrieglijk bankbreuk heeft gepleegd door de opbrengst van de verkoop van een partij fietsen buiten de boedel te houden, dan wel voornoemd feit in persoon heeft gepleegd;

Feit 2: als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 BV in de periode van 18 augustus 2009 tot en met 16 maart 2010 bedrieglijk bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting om de administratie van bedrijf 1 BV te voorschijn te brengen, dan wel voornoemd feit in persoon heeft gepleegd;

Feit 3: op 16 maart 2010 verboden wapens voorhanden heeft gehad.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

Feitelijke gang van zaken

Op 14 oktober 2008 is bedrijf 1 BV opgericht. De datum van vestiging is

1 september 2008. Aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is holding BV, ook opgericht op 14 oktober 2008. Aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is verdachte. Verdachte is in functie getreden op 14 oktober 2008.

Medeverdachte, vader van verdachte, heeft in september 2008 besloten niet verder te gaan met zijn onderneming bedrijf 1 BV. Na overleg met verdachte heeft verdachte de winkel in Hoogeveen voortgezet in bedrijf 1 BV. Verdachte heeft de inventaris en de bedrijfsvoorraad, alles wat in de winkel in Hoogeveen stond, overgenomen van medeverdachte.

Medeverdachte deed de dagelijkse boekhouding. Verdachte had geen verstand van de administratie. Die werd gedaan door medeverdachte. Na twee maanden kon verdachte de onderneming geestelijk en lichamelijk niet meer aan. Toen heeft medeverdachte het roer overgenomen.

Bij vonnis van de rechtbank Assen van 18 augustus 2009 is bedrijf 1 B.V. in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement heeft verdachte op 3 augustus 2009 aangevraagd.

Uit de aangifte van curator Grollé, de getuigenverklaringen van getuige 1 en de verklaringen van verdachte en medeverdachte leidt de rechtbank het volgende af.

Verdachte heeft op 28 juli 2009 in samenspraak met de medeverdachte besloten om de onderneming bedrijf 1 BV te beëindigen. Op dezelfde dag heeft medeverdachte telefonisch contact opgenomen met getuige 1 met de mededeling dat hij een partij fietsen te koop had voor hem. getuige 1 had die dag geen mogelijkheden om langs te komen, doch medeverdachte stond erop dat getuige 1 die dag nog langs zou komen. Uiteindelijk arriveerde getuige 1 op 29 juni 2009 omstreeks 01.00 uur bij medeverdachte op de zaak in plaats. Die nacht heeft getuige 1 de gehele partij fietsen, onderdelen en accessoires (behorende tot de boedel van bedrijf 1 BV) gekocht voor een bedrag van € 41.000,--. Verdachte was er van op de hoogte dat de transactie zou plaatsvinden en vervolgens heeft plaatsgevonden. Dezelfde dag (29 juli 2009) vond de levering plaats. Verdachte heeft volgens getuige 1 meegeholpen met het laden van de restpartij in de vrachtwagen.

Hierna werd getuige 1, eveneens op 29 juli 2009, gebeld door medeverdachte, die hem vroeg of getuige 1 alvast kon betalen. medeverdachte heeft het rekeningnummer waarop het bedrag overgemaakt kon worden per sms doorgegeven aan getuige 1 (familienaam plaats rekeningnummer 1). Op basis van het telefoonbericht en het ontvangen sms-bericht heeft getuige 1 op 29 juli 2009 middels een spoedboeking € 41.000,-- overgemaakt op de genoemde rekening rekeningnummer 1. Deze rekening staat op naam van medeverdachte en/of naam. Volgens medeverdachte had hij nog een vordering op bedrijf 1 BV van € 35.000,--. Door de verkoop van de partij fietsen aan getuige 1 werd die schuld ingelost.

Uit de ter beschikking staande administratie is niet gebleken dat medeverdachte € 35.000 naar bedrijf 1 BV heeft overgeboekt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte samen met zijn vader medeverdachte in het zicht van het faillissement van bedrijf 1 BV op 18 augustus 2009 een partij fietsen, onderdelen en accessoires (behorende tot de boedel van bedrijf 1 BV) heeft verkocht aan getuige 1. Het verkoopbedrag ad € 41.000,-- is niet in de boedel van bedrijf 1 BV terecht gekomen, maar is door medeverdachte gebruikt voor aflossing van de vordering die hij als privépersoon had op BikeXL “de fietssuper” BV. Verdachte was hiervan op de hoogte.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en zijn medeverdachte door deze handelwijze de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van bedrijf 1 BV doen ontstaan.

Feitelijke leiding

Uit het dossier blijkt dat verdachte twee maanden nadat hij de onderneming van zijn vader had overgenomen en onder de naam bedrijf 1 BV had voortgezet, vanwege lichamelijk en psychische problemen het roer heeft overgegeven aan zijn vader medeverdachte. Verdachte is echter wel formeel bestuurder gebleven en uit het dossier blijkt tevens dat hij volledig op de hoogte was van de transactie met getuige 1 en zelf feitelijk betrokken is geweest bij de levering van de fietsen.

Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank samen met medeverdachte feitelijk leiding gegeven aan bedrijf 1 BV terzake van deze transactie.

Conclusie t.a.v. feit 1

Dit leidt tot de conclusie dat hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 2

Feitelijke gang van zaken

Na de uitspraak van het faillissement van bedrijf 1 BV op 18 augustus 2009 heeft curator Grollé diverse mondelinge en schriftelijke contacten onderhouden met de verdachte omtrent de uitlevering van de administratie van bedrijf 1 BV. Uit het dossier blijken de volgende contacten.

Op 18 augustus 2009 heeft verdachte per mail aangegeven dat hij er zorg voor zal dragen dat de boekhouding vóór 25 augustus 2009 tot beschikking van de curator komt.

Op 3 september 2009 heeft verdachte per mail tegenover de curator aangegeven dat hij de administratie niet heeft. Deze zou zijn achtergebleven in het pand aan de adres 3 te Hoogeveen en deze administratie zou door de heer naam (verhuurder van het pand) zijn afgevoerd c.q. weggegooid.

Op 18 september 2009 is verdachte door de curator formeel en materieel aansprakelijk gesteld en verantwoordelijk gehouden voor het ongeschonden te voorschijn brengen van complete financiële administratie/boekhouding, zowel in fysieke als in digitale vorm. De curator sommeert verdachte om binnen veertien dagen na dagtekening, zijnde 18 september 2009, de complete financiële administratie/boekhouding van bedrijf 1 BV, zowel in fysieke als in digitale vorm, uit te leveren.

Voorts is de curator er niet van overtuigd dat verdachte geen beschikking of toegang zou hebben tot de administratie, want hij weet wel een ‘factuur’ voor bedrijf 2 te produceren en hij weet tot op de cent nauwkeurig te reproduceren aan wie en voor welke bedragen bedrijf 1 BV facturen ten behoeve van de eerder gefailleerde bedrijf 1 BV heeft betaald. Daarbij zou het gaan om een totaalbedrag van € 249.348,52.

Op 29 september 2009 heeft verdachte schriftelijk gereageerd op het schrijven van de curator d.d. 18 september 2009. Verdachte schrijft dat hij niet aan het verzoek van de curator om de complete financiële administratie ter beschikking te stellen kan voldoen, omdat de verhuurder van het pand, de heer naam, de inboedel en administratie van bedrijf 1 BV uit eigen beweging zou hebben afgevoerd. Verdachte schrijft voorts dat hij de curator met betrekking tot het ongeschonden terugbezorgen van de administratie niet verder kan helpen. Vanwege het plaatsen van andere sloten is hem de toegang tot het pand ontzegd.

Verdachte heeft toegezegd dat de curator een recente back-up zal krijgen van de financiële administratie welke nog beschikbaar moet zijn op de server.

Uiteindelijk is de administratie niet aan de curator overhandigd.

Vervolgens hebben op 16 maart 2010 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachte op diverse locaties in Nederland doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden. Eén van de locaties betreft de adres 2 te plaats. Op dit adres is woonachtig mevr. vriendin medeverdachte. Mevr. vriendin medeverdachte is de vriendin van medeverdachte. Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte op dit adres verblijft.

Tijdens de doorzoeking zijn op deze locatie diverse onderdelen van de administratie van bedrijf 1 BV aangetroffen, te weten:

  • vijf ordners met kasadministratie over de periode 19-09-2008 t/m 25-7-2009;
  • een aantal ordners met betrekking tot de inkoop;
  • een ordner met betrekking tot de verkoop;
  • een aantal ordners met betrekking tot de oprichting van de vennootschap, belastingen, kosten, bankzaken en overige zaken;
  • ordners met bank- dan wel giroafschriften.

Een deel van deze administratie is aangetroffen onder het kruipluik achter de voordeur. Deze administratie, bestaande uit diverse ordners, was niet netjes neergezet. De ordners waren in de kruipruimte gegooid en het geheel lag als een “afvalberg” onder het kruipluik.

Medeverdachte heeft verklaard dat hij de administratie heeft meegenomen en onder het kruipluik heeft gegooid.

Verweer van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zijn vader de administratie in zijn bezit had en zodoende niet kon uitleveren aan de curator. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij al naar buitenland was vertrokken toen het pand werd leeggehaald. Toen hij na twee á drie weken terugkwam van vakantie bleek dat de administratie was afgevoerd. Daarvoor zou de eigenaar van het bedrijfspand, naam, verantwoordelijk zijn geweest.

De rechtbank stelt deze verklaring als kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen, terzijde. Immers, uit het onderhavig dossier blijkt dat verdachte op 3 augustus 2009 zelfstandig het faillissement van bedrijf 1 BV bij de rechtbank Assen heeft aangevraagd. De getuige 2 heeft echter verklaard dat hij in juli 2009 heeft gezien dat verdachte bezig was te winkel leeg te halen en dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij aan het opruimen was en dat hij binnenkort zou vertrekken.

Daarnaast heeft voornoemde naam verklaard dat hij op 1 augustus 2009 in het bedrijfspand adres 3 te plaats is geweest en dat er toen geen administratie meer aanwezig was. naam verklaart tevens dat hij géén administratie heeft afgevoerd dan wel weggegooid.

Verdachtes vader medeverdachte verklaart dat hij de administratie na de verkoop van de inventaris heeft meegenomen naar zijn huis.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van wat er met de administratie van bedrijf 1 BV is gebeurd en waar deze zich bevond. Hij had deze derhalve kunnen uitleveren toen de curator Grollé hem daarom vroeg.

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie t.a.v. feit 2

Het onder feit 2 primair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Uit het dossier blijkt dat de busjes pepperspray en het alarm- en startpistool op 16 maart 2010 tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze wapens van hem waren. Het feit is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair en feit 2 primair: feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon.

Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 170 uren en een geldboete van € 1.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF