Veroordeling wegens bijstandsfraude & valsheid in geschrift

Rechtbank Midden-Nederland 19 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:604

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en uitkeringsfraude door opzettelijk zijn WW-aanvraag valselijk op te maken en bij deze aanvraag geen melding te maken van reizen naar het buitenland en inkomsten en overige informatie van belang voor de toekenning/hoogte van zijn uitkering. 
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit en de feiten onder 2 en 3 tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie betoogt dat het niet mogelijk is dat verdachte, als bestuurder en directeur grootaandeelhouder van bedrijfsnaam Limited, in loondienst als werknemer bij bedrijfsnaam Limited had kunnen treden en dat derhalve de arbeidsovereenkomst valselijk is opgemaakt. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte als directeur en enig aandeelhouder als enige bevoegd was om de betreffende arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Nu op de arbeidsovereenkomst de handtekening van de werkgever niet door verdachte is gezet, is deze in strijd met de waarheid of werkelijkheid opgemaakt en aldus vals. De op deze arbeidsovereenkomst gebaseerde salarisspecificaties, welke stukken bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, zijn derhalve eveneens vals en aldus door verdachte valselijk opgemaakt.

Ten aanzien van de aanvraag op grond van de Werkloosheidswet (WW) stelt de officier van justitie dat uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien volgt dat deze valselijk is opgemaakt, nu door verdachte is verklaard dat hij een (valse) arbeidsovereenkomst had met bedrijfsnaam Limited en dat hij daarnaast heeft verklaard dat hij geen ander werk/inkomen had. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude, nu hij niet heeft doorgegeven dat hij directeur en enig aandeelhouder was bij het bedrijf waar hij zijn laatste dienstverband zou hebben gehad, gedurende de periode van zijn WW-uitkering meermalen in Turkije heeft verbleven en verdachte niet heeft opgegeven dat hij gedurende de periode van zijn WW-uitkering werkzaamheden verrichtte als raadslid en uit dien hoofde inkomsten had.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, primair en subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft het standpunt van de verdediging als volgt onderbouwd.

Voor feit 1 en 2 is er geen bewijs voor het verwijt dat de arbeidsovereenkomst niet juist zou zijn. Het is niet duidelijk wie heeft getekend bij de werkgever en of diegene daarvoor bevoegd was, maar dit is voor de essentie van een arbeidsovereenkomst niet van belang en zijn cliënt ging ervan uit dat degene die heeft getekend bevoegd was. Het standpunt dat verdachte niet tegelijkertijd zowel directeur grootaandeelhouder als werknemer van de Ltd kon zijn is ook niet houdbaar. Er kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst in strijd met de waarheid is opgemaakt. De salarisspecificaties zijn een uitvloeisel van de geldige arbeidsovereenkomst en derhalve ook geldig.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de door zijn cliënt ontvangen vergoeding voor zijn optreden als gemeenteraadslid niet van invloed is op de hoogte van zijn uitkering en derhalve niet vallen onder de verplichting om gegevens te verstrekken. De raadsman stelt verder dat zijn cliënt inderdaad meerdere malen in het buitenland heeft verbleven, dat zijn cliënt dit ook toegeeft, echter dat deze omstandigheid, en zijn hoedanigheid als directeur grootaandeelhouder eveneens geen feiten zijn die vallen onder de inlichtingenplicht of van invloed kunnen zijn op de hoogte van of het recht op een uitkering.

Verder acht de raadsman de verklaring bij de rechter-commissaris van getuige onaannemelijk en verzoekt hij de politierechter deze verklaring ten aanzien van de door zijn cliënt betwiste onderdelen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de zaak. Indien de politierechter hiertoe niet besluit dan verzoekt de raadsman om de getuige nader te horen en nader onderzoek te verrichten naar zijn cliënt.

Het oordeel van de politierechter

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde

Het enkele feit dat een persoon (groot)aandeelhouder is van een bedrijf staat er naar het oordeel van de politierechter nog niet aan in de weg dat hij als directeur ook werknemer kan zijn van datzelfde bedrijf. In het rechtsverkeer dient evenwel volstrekt helder te zijn in welke hoedanigheid deze persoon aan dat rechtsverkeer deelneemt. De werknemersverzekeringen merken het directeur-grootaandeelhouderschap niet aan als dienstbetrekking, waardoor enerzijds geen premies hoeven te worden betaald, maar anderzijds ook geen uitkeringen worden ontvangen. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij enig aandeelhouder en werknemer van zijn bedrijf is. Ten bewijze van zijn werknemerschap is een arbeidsovereenkomst opgemaakt. Aannemelijk is geworden dat verdachte inderdaad in de hoedanigheid van directeur werkzaamheden heeft verricht voor de Ltd. en hiervoor ook salaris heeft ontvangen. Uit de arbeidsovereenkomst had echter moeten blijken dat verdachte als werkgever bevoegd was te ondertekenen. Noch tijdens het strafrechtelijk onderzoek, noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden wie de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend waarmee verdachte zijn aanvraag voor een WW-uitkering heeft gedaan. Hoewel daarmee kan worden bewezen dat het stuk vals is nu verdachte als enige bevoegd was als werkgever te tekenen, kan niet worden bewezen dat verdachte het stuk zelf heeft vervalst, terwijl ook geen duidelijkheid is ontstaan over hoe de vervalsing dan wel is gepleegd. De politierechter is daarmee van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde derhalve niet kan worden bewezen, zodat de politierechter de verdachte hiervan dan ook zal vrijspreken.
 

Feit 1 subsidiair, 2 en 3

Partiële vrijspraak

Zoals hierboven al door de politierechter is geoordeeld, heeft verdachte voor bedrijfsnaam Limited in de hoedanigheid van directeur feitelijk werkzaamheden verricht. Derhalve moet worden geconcludeerd dat met betrekking tot de uit deze werkzaamheden voortvloeiende salarisspecificaties niet zonder meer kan worden gezegd dat deze vals/valselijk opgemaakt waren, zoals tenlastegelegd onder feit 1 subsidiair. Verdachte heeft salaris ontvangen en er zijn – ten onrechte – daadwerkelijk premies betaald. De politierechter zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Verklaring van en nader horen getuige

De raadsman heeft betoogd dat de getuigenverklaring van getuige, zoals deze is afgelegd bij de rechter-commissaris, op een aantal punten aantoonbaar onjuist is en derhalve voor het bewijs buiten beschouwing zou moeten blijven. Daarnaast heeft hij het voorwaardelijke verzoek neergelegd tot het nader horen van deze getuige ter terechtzitting indien de politierechter zijn verklaring toch voor het bewijs zou bezigen. De politierechter zal de verklaring van getuige echter niet voor het bewijs gebruiken, zodat het alsnog horen van de getuige ter terechtzitting zal worden afgewezen.

Oordeel van de politierechter

De politierechter is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen het volgende is komen vast te staan. Het bedrijf bedrijfsnaam Limited is opgericht op 3 mei 2010. Vanaf de start van de onderneming is verdachte de enige bestuurder, de enige werkzame persoon bij de onderneming en zijn er geen aandeelhouders tot aan de beëindiging van het bedrijf op 25 oktober 2013. Zulks had ook uit de arbeidsovereenkomst moeten blijken. Verdachte verklaart niet te weten wie de arbeidsovereenkomst als werkgever heeft ondertekend. Daarmee staat wel vast dat verdachte het formulier door een niet bevoegde derde heeft laten ondertekenen. De hierboven genoemde omstandigheden maken dat hij wist dat hij een vals geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen, heeft ingediend bij het UWV en hierdoor opzettelijk gebruik heeft gemaakt van het valse geschrift. De politierechter is dan ook van oordeel dat het feit onder 1 subsidiair tenlastegelegd wettig en overtuigend is bewezen. Het standpunt van verdachte dat hij geen weet had van de wettelijke vereisten schuift de politierechter als onaannemelijk terzijde, nu verdachte wel wist dat hij enig aandeelhouder en dus eigenaar van het bedrijf was.

Verdachte heeft een Werkloosheidsuitkering aangevraagd en met het invullen van het formulier verklaard geen andere werkzaamheden te verrichten of hebben verricht, terwijl hij wist dat hij al geruime tijd werkzaam was als gemeenteraadslid en hiervoor een vergoeding kreeg. Het standpunt van verdachte dat hij de inkomsten als raadslid niet hoefde op te geven, nu hij voor het overige gewoon in staat was gangbare arbeid te kunnen aanvaarden treft geen doel. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar uitspraak van 25 augustus 2010 geoordeeld, dat de werkzaamheden als gemeenteraadslid en de daaruit voortvloeiende inkomsten moeten worden gemeld op grond van artikel 25 van de Werkloosheidswet. Door aldus na te laten de genoemde omstandigheden te vermelden heeft verdachte bij de aanvraag van zijn Werkloosheidsuitkering bewust informatie achtergehouden en hij heeft aldus de aanvraag valselijk opgemaakt.

Verdachte heeft nagelaten bij zijn aanvraag te vermelden dat hij meerdere malen in het buitenland heeft verbleven terwijl hij wist, en ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verklaard, dat dit wel had gemoeten. Daarnaast wist hij dat hij zijn werkzaamheden als gemeenteraadslid en zijn werkzaamheden als bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijfsnaam Limited had moeten vermelden op grond van artikel 25 Werkloosheidwet, als zijnde feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op een WW-uitkering dan wel voor de hoogte of de duur van die uitkering.

Verdachte heeft zelf invulling gegeven aan zijn plicht op grond van de Werkloosheidswet zonder acht te slaan op de geldende wettelijke regels. Gezien zijn in het verleden verrichtte werkzaamheden voor het UWV had hij beter moeten weten. De politierechter acht dan ook, op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, de feiten zoals tenlastegelegd onder 1 subsidiair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1, subsidiair: Opzettelijk gebruik maken van een vals/vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
  • Feit 2: Valsheid in geschrift;
  • Feit 3: In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming;
     

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 140 uren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF