Veroordeling voormalig directeur van gastouderbureau De Appelbloesem tot 18 maanden gevangenisstraf wegens witwassen, valsheid in geschrift en oplichting van de Belastingdienst alsmede een groot aantal aangesloten ouders

Rechtbank Noord-Nederland 4 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2667 Verdachte heeft via zijn gastouderbureau De Appelbloesem ouders benaderd met de vraag of zij ook van oppas gebruik maakten voor hun kind of kinderen. Indien dat het geval was, werd door de consulenten van De Appelbloesem aan de ouders voorgehouden dat zij voor kinderopvangtoeslag in aanmerking konden komen als zij zich middels een overeenkomst bij het gastouderbureau aansloten. Tevens werd aan een groot aantal ouders voorgehouden dat de toeslag met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd, ook al waren er in het verleden geen kosten gemaakt voor de oppas, was er destijds nog geen overeenkomst met een geregistreerd gastouderbureau en werd op het moment van aanvraag ook aan andere wettelijke voorwaarden nog niet voldaan. Vervolgens werden de overeenkomsten met de vraag- en gastouders geantedateerd, dat wil zeggen dat deze werden gedagtekend op de datum waarop met terugwerkende kracht de aanvraag om kinderopvangtoeslag werd gedaan. Op deze wijze werd tegenover de Belastingdienst voorgedaan alsof reeds vanaf de datum van aanvraag sprake was geweest van een overeenkomst met De Appelbloesem, hetgeen voorwaarde was om voor de toeslag in aanmerking te komen.

Op grond van deze valse voorstelling van zaken heeft de Belastingdienst een aanzienlijk bedrag aan kinderopvangtoeslag aan de betrokken ouders uitgekeerd, hoewel zij daar geen recht op hadden. Een deel van dit geld vloeide in de vorm van bureaukosten (aanvankelijk € 0,70 en later € 1,- per oppasuur) naar De Appelbloesem.

Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie om verschillende, hieronder nader te bespreken, redenen niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard.

  • Redelijk vermoeden van schuld: De verdediging heeft primair aangevoerd dat er bij de start van het opsporingsonderzoek ten aanzien van verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit was. De feiten en omstandigheden die in dit verband in het proces-verbaal staan genoemd zijn aantoonbaar onjuist. De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal ten onrechte de indruk wekt dat de controle bij De Appelbloesem op 12 november 2008 een fiscaal doel diende, terwijl het evident zo is dat deze controle (mede) tot doel had om strafrechtelijk relevante informatie te verzamelen.
  • Undue delay: Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden afgehandeld.
  • Gelijkheidsbeginsel: Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Uit het proces-verbaal blijkt dat medeverdachte 1 de persoon is aan wie met het meeste recht het verwijt van witwassen kan worden gemaakt. Niettemin is de strafzaak tegen juist deze persoon door de officier van justitie geseponeerd. Gelet op de veel beperktere rol en verwijtbaarheid van verdachte, had hij evenmin vervolgd moeten worden.

Al deze argumenten dienen, al dan niet in samenhang bezien, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie te leiden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat hij ontvankelijk is in de vervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er, op het moment dat het strafrechtelijke onderzoek is aangevangen, wel degelijk sprake was van een redelijk vermoeden dat verdachte zich had schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dat tijdsverloop nimmer een reden kan zijn om tot niet-ontvankelijkheid te concluderen en dat er in de strafzaken tegen verdachte en medeverdachte 1 sprake was van een verschillende bewijsrechtelijke positie, zodat in redelijkheid kon worden besloten om medeverdachte 1 niet verder te vervolgen en verdachte wel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en overweegt hiertoe als volgt.

  • Redelijk vermoeden van schuld: Allereerst stelt de rechtbank op grond van het dossier vast dat de eerste strafrechtelijke opsporingshandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2009, de datum waarop de officier van justitie een vordering heeft ingediend ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering teneinde de geldstromen bij de Appelbloesem in kaart te kunnen (laten) brengen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat het controlebezoek dat de Belastingdienst op 12 november 2008 aan De Appelbloesem heeft gebracht een opsporingshandeling was waarop de voorschriften van het Wetboek van Strafvordering van toepassing waren. Dat de bij deze controle verkregen informatie later gebruikt is bij (de start van) het strafrechtelijk onderzoek, betekent nog niet dat de controle enkel of mede met het oog op het verzamelen van strafrechtelijk relevante informatie is ingezet. Ook het feit dat een medewerker van een onderdeel van de FIOD – een onderdeel dat overigens geen strafrechtelijk onderzoek verricht – bij de controle betrokken was, leidt niet tot die conclusie.

Van belang is derhalve of op 10 april 2009 een voldoende redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte of De Appelbloesem bestond. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de destijds bij de opsporingsautoriteiten bekende informatie. Naar het oordeel van de rechtbank waren de diverse feiten en omstandigheden die tot op dat moment naar voren waren gekomen, van voldoende gewicht om de toepassing van strafrechtelijke bevoegdheden te rechtvaardigen. Dat achteraf kan worden getwijfeld aan de juistheid van de belastende verklaring van getuige 1 en dat, ook achteraf, moet worden vastgesteld dat de melding door een medewerker van de Belastingdienst Zuidwest aanzienlijk genuanceerder ligt dan destijds het geval leek te zijn, betekent niet dat met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van de verrichte opsporingshandelingen daaraan is komen te ontvallen.

Terzijde merkt de rechtbank nog op dat het ontbreken van een voldoende redelijk vermoeden van schuld in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad niet, althans niet zonder meer, tot de conclusie kan leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Van grove veronachtzaming of doelbewuste schending van de rechten van verdachte is geen sprake geweest.

  • Undue delay: Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft het tijdsverloop in een strafzaak geen betekenis voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar dient dit in een eventuele strafoplegging te worden verdisconteerd. De rechtbank zal daar verderop in dit vonnis op terug komen.
  • Gelijkheidsbeginsel: Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat de officier van justitie het vervolgingsmonopolie toekomt en dat het derhalve aan hem is om – binnen de grenzen van de redelijkheid – te beslissen welke zaken hij vervolgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie ter terechtzitting afdoende toegelicht waarom het verschil in bewijsrechtelijke posities tussen verdachte en medeverdachte 1 tot de keuze heeft geleid om verdachte wel, en medeverdachte 1 niet, (verder) te vervolgen. Die keuze valt binnen de grenzen van het opportuniteitsbeginsel. De officier van justitie heeft derhalve in alle redelijkheid de beslissing kunnen nemen om verdachte te vervolgen.

Standpunten verdediging & OM

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde.

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit. De rechtbank zal hetgeen daartoe over en weer is aangevoerd hieronder nader bij haar beoordeling betrekken.

Oordeel rechtbank

De houder van een geregistreerd gastouderbureau brengt gastouderopvang tot stand. Voordat iemand als gastouder zijn werk kan aanvangen moet hij/zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag, welke aan de houder van het gastouderbureau moet worden overgelegd en die niet ouder mag zijn dan twee maanden. De opvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst. Nadat aan - onder andere - deze voorwaarden is voldaan kan de vraagouder (of het gastouderbureau namens die vraagouder) een tegemoetkoming in de kosten aanvragen, waarvoor in 2008 en 2009 een maximale uurvergoeding was vastgesteld van € 6,10.

Hieruit kan worden afgeleid dat, ook al was er voordat gastouderbureau De Appelbloesem in beeld kwam bij de vraagouders (nog) geen sprake van betaling aan de gastouder(s), bij de ingang van het contract met het gastouderbureau wel moest zijn voldaan aan - onder andere - de volgende voorwaarden:

  • er moest een schriftelijke overeenkomst zijn, en
  • de gastouder moest voorafgaand aan de werkzaamheden in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag.

Hiernaast werden er ook regels gesteld aan de veiligheid van de oppasomgeving en de pedagogische voorwaarden voor het oppassen, maar daar ziet de tenlastelegging niet op.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande zonneklaar dat eerst nadat aan alle wettelijke voorwaarden was voldaan, de vraagouder, mits er daadwerkelijk kosten werden gemaakt voor de gastouderopvang, een tegemoetkoming in die kosten kon aanvragen: de kinderopvangtoeslag. Een andere uitleg van de wettelijke bepalingen, zoals die door de verdediging wordt voorgestaan en die inhoudt dat ook recht op kinderopvangtoeslag zou kunnen bestaan over een periode waarin door de ouders geen kosten werden gemaakt en voordat gastouderopvang plaatsvond door tussenkomst van en op basis van een schriftelijke overeenkomst met een geregistreerd gastouderbureau, is evident in strijd met de tekst van de bepalingen en met de doelstelling van de WKO.

Feit 1

Uit de bevindingen van de FIOD met betrekking tot de klantdossiers, de eigen verklaring van verdachte, de verklaringen van de consulenten van De Appelbloesem en de verklaringen van de verschillende vraag- en gastouders, blijkt dat het staande praktijk was bij De Appelbloesem om de overeenkomsten met vraag- en gastouders en de bijbehorende machtigingen te antedateren indien de kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht werd aangevraagd. Hoewel uit de stukken ook blijkt dat deze geschriften – in ieder geval voor wat betreft de relevante onderdelen daarvan – werden opgemaakt door de consulenten van De Appelbloesem en niet door de verdachte zelf, is de rechtbank van oordeel dat de rol van de verdachte bij het (laten) antedateren van de overeenkomsten en machtigingen van zodanig gewicht was, dat van nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Het was immers de verdachte die de digitale formulieren heeft ontwikkeld die door de consulenten verplicht werden gebruikt bij het afsluiten van deze overeenkomsten, en waarin de ingevoerde datum van aanvraag automatisch werd overgenomen als dagtekening van de overeenkomst en machtiging. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van de consulenten en andere medewerkers van De Appelbloesem dat de verdachte hen er ook regelmatig op wees dat de overeenkomsten en machtigingen van dezelfde datum moesten worden voorzien als de aanvraagdatum.

Gelet op de bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomsten van de vraag- of gastouders met De Appelbloesem (en de bijbehorende machtigingen) doelbewust met een valse ingangsdatum en een valse datum van ondertekening zijn opgemaakt. De stelling van verdachte dat aan de onjuiste dagtekening uitsluitend een fout in het digitale formulier ten grondslag lag, verhoudt zich niet met het zeer grote aantal, zowel in absolute zin als verhoudingsgewijs, overeenkomsten en machtigingen die van een (evident) onjuiste datum zijn voorzien en ook overigens niet met de na te noemen bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van getuige 2.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze documenten een bewijsbestemming hebben, nu zij konden dienen ter onderbouwing van hetgeen in de aanvraag om kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst werd voorgewend, namelijk dat overeenkomstig de wettelijke bepalingen al vanaf de beoogde ingangsdatum van de kinderopvangtoeslag door tussenkomst van gastouderbureau De Appelbloesem kinderopvang werd verleend. Dit geldt ook voor de machtigingen aangezien de informatie in die documenten de bewijsbestemming van de overeenkomsten versterkt. In haar overwegingen met betrekking tot feit 3 komt de rechtbank nader op de misleiding van de Belastingdienst terug.

Uit al het voorgaande kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte (in nauwe en bewuste samenwerking met de consulenten) bij het (laten) antedateren van de betreffende documenten gehandeld heeft met het oogmerk een verkeerde voorstelling van zaken te geven van de ingangsdatum van het contract van de vraag- en gastouders met de Appelbloesem.

Hoewel uit de door de FIOD onderzochte klantdossiers is gebleken dat in meerdere gevallen sprake was van het opgeven in de bemiddelingsovereenkomsten van een onjuist aantal uren, en een enkele keer zelfs van geheel of gedeeltelijk fictieve oppasrelaties (bijvoorbeeld bij de families naam 1 en naam 2), zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de officier van justitie dat het binnen De Appelbloesem staande praktijk was om een onjuist aantal uren op te geven. Het handelen van de ouders en/of consulenten kan op dit punt niet aan de rechtspersoon worden toegerekend. Terzijde wijst de rechtbank erop dat het opgegeven aantal oppasuren uiteindelijk achteraf door de Belastingdienst definitief wordt vastgesteld, aan de hand van bewijsstukken, zodat ook niet gezegd kan worden dat het opgegeven aantal uren de betreffende overeenkomsten in zoverre een bewijsbestemming geeft.

De rechtbank is overigens ook van oordeel dat sprake is van medeplegen met de betreffende vraag- en gastouders. Zij hebben immers bewust hun handtekening gezet onder overeenkomsten en machtigingen die voorzien waren van een (evident) onjuiste dagtekening.

Het document genummerd D-404 bevat geen datum en van de vermeende valsheid van dat document dient verdachte te worden vrijgesproken.

De rechtbank is resumerend van oordeel dat verdachte dient te worden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 3

De steller van de tenlastelegging heeft bij feit 3 het oog gehad op twee verschillende gedragingen, namelijk het onder valse voorwendselen aanvragen van kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst en het onder valse voorwendselen bewegen van de vraag- en oppasouders tot het aangaan van een bemiddelingsovereenkomst met De Appelbloesem.

Uit het dossier blijkt dat het opmaken en indienen van de aanvragen kinderopvangtoeslag door verschillende medewerkers van De Appelbloesem gedaan werd, waaronder in voorkomende gevallen verdachte zelf. De gesprekken met de vraag- en oppasouders die uitmondden in het tekenen van de bemiddelingsovereenkomsten werden gedaan door de consulenten van De Appelbloesem.

Uit het voorgaande volgt dat de gedragingen waarop de tenlastelegging ziet, in de meeste gevallen niet door verdachte zelf zijn verricht, en waar dat wel het geval was, niet door verdachte als persoon, maar uit hoofde van zijn functie binnen De Appelbloesem. Om die reden zal de rechtbank verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank zal allereerst het verwijt beoordelen dat De Appelbloesem de Belastingdienst onder valse voorwendselen bewogen heeft tot het verstrekken van kinderopvangtoeslag.

Onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde relevante wetgeving en de bij feit 1 gegeven overwegingen is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat het binnen het bedrijf van verdachte staande praktijk was om overeenkomsten en machtigingen te antedateren om vervolgens met terugwerkende kracht bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aan te vragen.

Uit de aangehaalde bepalingen blijkt dat aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. De Belastingdienst beoordeelt aan de hand van de gegevens die door de aanvrager in het aanvraagformulier worden verstrekt of aan die voorwaarden wordt voldaan en besluit vervolgens om (al dan niet met terugwerkende kracht) de toeslag te verstrekken. Eén van de voorwaarden is dat de gastouderopvang plaats dient te vinden door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau en op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder daarvan en de ouder. Alleen de in het kader van die overeenkomst gemaakte kosten voor kinderopvang komen voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking (artikel 5 lid 1 juncto artikel 52 WKO). Vastgesteld moet worden dat in een groot deel van de aanvragen die door De Appelbloesem zijn gedaan (namelijk die waaraan geantedateerde overeenkomsten ten grondslag liggen) ten onrechte en in strijd met de waarheid de suggestie wordt gewekt dat reeds op de beoogde ingangsdatum van de toeslag een door de wet vereiste overeenkomst tussen houder en ouder aanwezig was en dat reeds vanaf dat moment kosten voor kinderopvang werden gemaakt waarvoor op grond van de WKO een toeslag kon worden verkregen, één en ander zoals in de tenlastelegging onder E bedoeld. Doorgaans was overigens helemaal geen sprake van betaalde kinderopvang in de periode tussen de beoogde datum van ingang en de datum waarop de overeenkomsten met De Appelbloesem werden getekend, maar werden de kinderen om niet of tegen symbolische tegenprestaties door familieleden of kennissen opgevangen. Door deze handelwijze van De Appelbloesem is de Belastingdienst bewogen tot het afgifte van een (aanzienlijk) bedrag aan kinderopvangtoeslag.

Zoals al eerder overwogen volgt de rechtbank de verdediging niet in de stelling dat de wettelijke bepalingen zo moeten worden uitgelegd dat ten allen tijde, ook als niet aan de wettelijke vereisten werd voldaan, met terugwerkende kracht recht bestond op kinderopvangtoeslag. Evenmin volgt de rechtbank de verdediging in de stelling dat verdachte in ieder geval in de veronderstelling verkeerde en ook mocht verkeren dat hij juist handelde. Uit het doelbewust en op grote schaal antedateren van bemiddelingsovereenkomsten kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte wist dat er alleen een recht op kinderopvangtoeslag bestond indien reeds vanaf de beoogde ingangsdatum daarvan kinderopvang plaatsvond door tussenkomst van De Appelbloesem.

Bovenbedoelde verboden gedragingen kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Verdachte kan, gelet op zijn al eerder aangehaalde actieve, initiërende en sturende rol hierbij, als opdrachtgever van de verboden gedragingen worden beschouwd.

Met betrekking tot de overige, onder A t/m D genoemde feitelijkheden overweegt de rechtbank dat de Belastingdienst op zichzelf niet wordt bewogen tot verstrekking van kinderopvangtoeslag door het feit dat er een uurtarief is afgesproken (B); dat laatste vloeide voort uit de hierboven bedoelde overeenkomsten. De onderdelen A en C zijn gericht op het bewegen van de ouders, niet de Belastingdienst. Met betrekking tot de verklaring omtrent het gedrag (D) overweegt de rechtbank dat nergens in de aanvraag wordt gevraagd of die aanwezig is; voor zover dit onderdeel meer in zijn algemeenheid ziet op de eis dat aan alle relevante voorschriften wordt voldaan voordat er recht bestaat op kinderopvangtoeslag, valt dit naar het oordeel van de rechtbank onder hetgeen zij hierboven ten aanzien van onderdeel E heeft overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat bij het bewegen van de Belastingdienst tot het afgeven van kinderopvangtoeslag geen sprake is geweest van medeplegen met de vraagouders en dat de verweten gedragingen alleen door de rechtspersoon zijn begaan. De vraagouders hadden het aanvragen van kinderopvangtoeslag immers juist gemachtigd aan De Appelbloesem en vertrouwden daarbij op de informatie die hen door de consulenten van De Appelbloesem werd verstrekt. Van nauwe en bewuste samenwerking met de vraagouders kan derhalve niet worden gesproken; van eventuele anderen die als medeplegers kunnen worden aangemerkt is niet gebleken.

Ten aanzien van het verwijt dat De Appelbloesem de vraagouders onder valse voorwendselen heeft bewogen tot de afgifte van geld aan De Appelbloesem, te weten de bijdragen van de bureaukosten die per oppasuur van de kinderopvangtoeslag werden afgetrokken, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van de vraagouders blijkt dat de consulenten hen voorhielden dat zij recht hadden op kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht, ook indien er in het verleden feitelijk geen kosten voor de opvang werden gemaakt, één en ander zoals onder A bedoeld. De vraagouders zijn, zo blijkt ook uit hun verklaringen, mede om deze reden ertoe bewogen om een overeenkomst met De Appelbloesem aan te gaan.

De rechtbank heeft eerder al overwogen dat deze voorstelling van zaken niet strookt met de wettelijke bepalingen en dat verdachte dat wist. Er is immers in redelijkheid geen ander motief denkbaar voor het op grote schaal antedateren van de overeenkomsten. Uit de stukken blijkt dat verdachte de consulenten heeft geïnstrueerd om de vraagouders één en ander voor te spiegelen.

Onderdeel van de overeenkomst die de ouders met De Appelbloesem aangingen was dat het gastouderbureau een deel van de verstrekte kinderopvangtoeslag (aanvankelijk € 0,70 en later € 1,00 per oppasuur) inhield als vergoeding voor de verrichte diensten. Door de ouders – onder valse voorwendselen – te bewegen een overeenkomst aan te gaan, werden zij feitelijk derhalve tevens bewogen tot de afgifte van dit bedrag.

Ook hier geldt dat de bovenbedoelde gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend en dat verdachte als opdrachtgever daarvan kan worden beschouwd.

Ten aanzien van de onderdelen B, D en E merkt de rechtbank op dat deze feitelijkheden zien op het bewegen van de Belastingdienst. Ten aanzien van onderdeel C overweegt de rechtbank dat de daarin bedoelde schenkingsregeling niet in strijd met de wet of regelgeving is (zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarnaar de verdediging heeft verwezen), zodat reeds daarom niet van oplichting kan worden gesproken.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat verdachte veroordeeld dient te worden voor het opdracht geven aan het plegen van oplichting door De Appelbloesem, zowel ten aanzien van de Belastingdienst als ten aanzien van de vraagouders, meermalen gepleegd.

Feit 4

Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het geld dat in de tenlastelegging wordt bedoeld, van misdrijf afkomstig is. De rechtbank overweegt dat een duidelijke criminele herkomst van het geld dat in de tenlastelegging wordt bedoeld, ontbreekt, in die zin dat op grond van de beschikbare stukken niet met zekerheid valt te zeggen uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig zou zijn. Volgens vaste rechtspraak kan het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’ niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit de processtukken blijkt dat op de rekening van verdachte en de rekeningen van zijn bedrijf besloten vennootschap vanuit verschillende plaatsen in het land meerdere kasstortingen zijn gedaan variërend van € 5.000,- tot € 20.000,- per keer. Het gaat in totaal om 64 stortingen in een periode van twee maanden tijd. Verdachte heeft aangegeven dat hij denkt dat deze stortingen gedaan zijn door medeverdachte 1, een kennis uit de zakenwereld. Van deze medeverdachte 1 heeft verdachte daarnaast in een restaurant een bedrag van € 100.000,- contant, in coupures van € 500,- ontvangen. Verdachte heeft niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam en heeft het in gedeeltes contant op zijn eigen rekening(en) gestort. In totaal is een bedrag van € 410.000,- middels kasstortingen bijgeboekt op de rekeningen van verdachte en zijn bedrijf.

Op verzoek van medeverdachte 1 heeft verdachte vanaf de rekening(en) van zijn bedrijf twee stortingen van € 50.000,- gedaan aan een voor hem onbekend bedrijf in Zwitserland. Verdachte wist niet wat hiervan de reden was en heeft hier ook niet naar gevraagd. Hij heeft een nota van deze betaling verzocht en heeft deze (valse) nota in de administratie van zijn bedrijf opgenomen om daarmee de ontvangst en de betaling van het bedrag van € 100.000,- te kunnen verantwoorden.

Daarnaast heeft verdachte, eveneens op verzoek van medeverdachte 1, een bedrag van in totaal € 360.000,- overgemaakt naar de rekening van een hem verder onbekende persoon genaamd medeverdachte ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië. Dit deed verdachte nadat een eerdere rechtstreekse overboeking naar Brazilië niet was geslaagd. Verdachte heeft aangeven met deze transacties in totaal € 4.000,- te hebben verdiend

De rechtbank overweegt dat het zeer ongebruikelijk is om in een restaurant een bedrag van € 100.000,- in coupures van € 500,- die in het normale betalingsverkeer nauwelijks voorkomen en waarvan bekend is dat deze bij misdaad vaak gebruikt worden, te ontvangen en vervolgens zonder opgaaf van reden per bank voor een ander naar een buitenlandse firma over te boeken. Eveneens is het zeer ongebruikelijk, zo heeft verdachte zelf ook verklaard, om zonder vermelding van of duidelijkheid omtrent de herkomst ervan, een bedrag van ongeveer € 360.000,- in tientallen relatief kleine bedragen door kasstortingen gestort te krijgen en het totale bedrag vervolgens, tegen een fors bedrag aan commissie, over te maken op de rekening van een onbekend persoon ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië.

Gelet op bovengenoemde gang van zaken en het feit dat verdachte hiervoor geen plausibele verklaring heeft gegeven, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig was en dat het opzet van verdachte, op zijn minst in voorwaardelijke zin, daarop ook was gericht.

Nu verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het medeplegen van gewoontewitwassen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 3 subsidiair: oplichting, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl tot het feit opdracht is gegeven, meermalen gepleegd;
  • Feit 4: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF