Veroordeling (voormalig) dierenarts voor het meermalen overtreden van artikel 2.19 van de Wet Dieren

Rechtbank Gelderland 1 februari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:633

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen overtreden van de Wet Dieren. Hij werkte samen met verschillende Wolfederaties en leverde diergeneesmiddelen aan eindgebruikers, zonder de desbetreffende (schapen)bedrijven te bezoeken, zonder de schapen (tenminste éénmaal) klinische te inspecteren en zonder hun medicatiehistorie te bekijken. Ook leverde hij diergeneesmiddelen af, terwijl hij deze zelf bij de schapen had moeten toepassen.
 

Achtergrond

Verdachte heeft als dierenarts, samen met anderen, ten behoeve van de dieren van naam 1, naam 2, naam 3, naam 4 en naam 5, naam 6 en naam 11, en naam 8 opzettelijk URA diergeneesmiddelen voorgeschreven zonder deze (schapen)bedrijven daaraan voorafgaand te hebben bezocht, de schapen niet (tenminste één keer) aan een klinische inspectie/diagnose te hebben onderworpen dan wel hun medicatiehistorie na te hebben nagekeken.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte in strijd met artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen heeft gehandeld. Immers, indien een dierenarts uit eigen apotheek middelen voorschrijft en aflevert is er geen recept nodig. Het bestanddeel in de delictsomschrijving van het afleveren van een geneesmiddel met een recept kan daarom niet worden bewezenverklaard.
 

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen luidt als volgt:

Bij ministeriële regeling wordt geregeld:

a. in welke gevallen een diergeneesmiddel uitsluitend wordt afgeleverd na te zijn voorgeschreven.’

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het door een dierenarts zelf na een eigen beslissing uit de eigen apotheek afleveren van diergeneesmiddelen aan de eindgebruiker wel degelijk valt onder het bereik van artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen. Het artikel noch de ratio daarachter geeft immers aanleiding om de definitie van voorschrijven zodanig op te vatten dat een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen het voorschrijven en afleveren van diergeneesmiddelen uit eigen en andermans praktijk/apotheek. De beslissing om zelf diergeneesmiddelen te verstrekken dient gelijk te worden gesteld met de opdracht aan een andere apotheker om de geneesmiddelen te verstrekken.

De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van het tenlastegelegde feit.
 

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
 

Bewezenverklaring

  • Feiten 1 en 2, telkens: Medeplegen van het zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.
     

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt vast dat de verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van strijd met artikel 5.8 lid 1 onderdeel a van het Besluit diergeneesmiddelen. Daartoe is de dezelfde onderbouwing aangevoerd als bij de bewezenverklaring.

De rechtbank overweegt dat het verweer, op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen, faalt.
 

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft ten aanzien van verdachtes handelen onder feit 2 aangevoerd dat sprake was van een noodtoestand. Verdachte was niet in staat om, alvorens diergeneesmiddelen af te leveren aan naam 9 en naam 10, hen te bezoeken, maar hun dieren hadden dringend hulp nodig. Die hulp kon hij, als dierenarts, niet weigeren.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Daargelaten de vraag of de schapen daadwerkelijk in een zodanige toestand verkeerden dat acute hulp geboden was, is niet aannemelijk geworden dat van verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd had kunnen worden dat hij de strafrechtelijke norm zou hebben nageleefd. Immers, op geen enkele wijze is onderbouwd dat verdachte daadwerkelijk niet in staat was om naam 9 en naam 10 te bezoeken alvorens diergeneesmiddelen aan hen te leveren. Verder is gesteld noch gebleken dat hij de enige persoon was die hulp kon bieden. Er is slechts gesteld dat de vaste dierenarts niet beschikbaar was, maar dat laat onverlet dat een vervanger wel ter plaatse had kunnen komen.


Conclusie ten aanzien van beide feiten

De rechtbank concludeert dat verdachte strafbaar is, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
 

Strafoplegging

  • Geldboete van €30.000 waarvan €15.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF