Veroordeling voor bankieren zonder vergunning. Bevoegdheid niet-economische kamer na vordering 314a Sv. Begrip betaaldienstverlener.

Rechtbank Rotterdam 25 februari 2013, LJN BZ2467 Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank overweegt ambtshalve dat zij, ook als niet-economische kamer, na de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten gevolge waarvan het commune delict witwassen is komen te vervallen, bevoegd blijft om kennis te nemen van de ten laste gelegde economische feiten, nu de bevoegdheid van de rechtbank reeds bestond op het moment van de betekening van de dagvaarding aan de verdachte op 9 mei 2012.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft zich gedurende enkele maanden als medepleger schuldig gemaakt aan het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener en het werkzaam zijn als een geldtransactiekantoor. Hij heeft voor derden internationale geldtransfers en betaalrekeningtransacties uitgevoerd en onderhield telefonische contacten met de medeverdachten en met derden.

De verdachte beheerde de tegoeden voor derden op betaalrekeningen waarop ontvangen en uitgekeerde gelden geadministreerd werden. Hij noteerde de ingelegde en de uitgaande gelden met vermelding van viercijferige codes met bijnamen waaruit de saldi van de betaalrekeningen kunnen worden afgeleid uit de geadministreerde kassaldi. In de administratie werden bovendien bedragen in Britse ponden en in euro’s met een omwisselkoers opgenomen. De verdachte voerde ook geldwisseltransacties uit; hij wisselde grote geldbedragen van kleine naar grote coupures. Daarnaast beheerde hij een zogenaamde geldstash en gaf hij instructies aan geldkoeriers die grote geldbedragen vanuit Frankrijk en Duitsland vervoerden naar Amsterdam waar die geldbedragen werden ontvangen door de verdachte. Hierdoor heeft de verdachten niet alleen deelgenomen aan het ondergronds bankieren, maar ook anderen daartoe in staat gesteld.

Betaaldienstverlening

Op grond van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, onderdelen ‘betaaldienst’, ‘betaaldienstverlener’ en ‘richtlijn betaaldiensten’, in samenhang met de bijlage bij richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, moet onder betaaldiensten onder andere worden verstaan:

  1. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn.
  2. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.
  3. Geldtransfers

Uit de gevonden administratie blijkt dat van een groot aantal verschillende personen gelden zijn ontvangen en ook aan een groot aantal verschillende personen gelden zijn uitgekeerd. Voor zover gelden tussen ontvangst en uitkering zijn gehouden op een rekening, is sprake van de eerste twee hierboven genoemde betaaldiensten (betaalrekeningtransacties).

Voor zover gelden tussen ontvangst en uitkering niet zijn gehouden op een rekening, is sprake van de hierboven genoemde betaaldienst, de geldtransfer.

Omdat (1) elke transactie ofwel een betaalrekeningtransactie, ofwel een geldtransfer is, (2) beide onder het begrip betaaldienst vallen en (3) beide vormen ten laste zijn gelegd, behoeft niet elke transactie afzonderlijke te worden geduid.

Onder geldtransfer wordt, ingevolge artikel 4, aanhef en onder 13, van de Richtlijn, verstaan: een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld.

Het beroep van de raadsman op de uitzonderingen, genoemd in artikel 1:5a, lid 2, onder a, c en f, van de Wft, wordt verworpen. Onderdeel a behelst de juridische omschrijving van een contante betaling. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat verdachte en zijn medeverdachten niet gelden als betaler of betalingsbegunstigde. Onderdeel c ziet op feitelijke handelingen waarbij de betrokken chartale gelden zich niet onderscheiden van andere mogelijk te vervoeren zaken. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat telkens kennelijk vermenging en verrekening van gelden plaatsvindt; zulks blijkt uit de aangetroffen administratie. Aldus kan niet worden gezegd dat de betreffende gelden slechts zijn behandeld als een willekeurige andere zaak die kan worden vervoerd, verwerkt, opgehaald of geleverd. Ten slotte heeft de officier van justitie geen geldwisseltransacties ten laste gelegd onder 1, zodat onderdeel f onbesproken kan blijven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF