Veroordeling tot voorwaardelijke geldboete voor overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. AVAS-verweer verworpen.

Rechtbank Noord-Nederland 2 april 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:1621 Verdachte vervoert in open cryohouders sperma in sterk gekoeld, vloeibaar stikstof. De stikstof is een gevaarlijke stof in de zin van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg: de stikstof wordt aangeduid met de internationale code UN 1977. Bij één van de betreffende open cryohouders is door de politie blijkens het proces-verbaal van 16 maart 2014 niet de vereiste etiketten geconstateerd, dan wel dat deze onvolledig aan die cryohouder zijn aangebracht.

Bij strafbeschikking is aan verdachte een geldboete van € 1.007 opgelegd. Hiertegen is door verdachte verzet ingesteld.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat: dat zij op of omstreeks 9 maart 2014 in [pleegplaats], althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij, verdachte, met een motorrijtuig, zijnde een transporteenheid een hoeveelheid vloeibaar gemaakt gas (stikstof), UN nummer 1977, klasse 2 zonder inachtneming van de regels/voorschriften gesteld in bijlage 1 behorende bij de regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, hierin bestaande dat: in strijd met het bepaalde in voorschrift 5.2.1.6 van het ADR op een hervulbare (cryo)houder niet duidelijk leesbaar en duurzaam het opschrift UN-nummer was aangebracht, en/of in strijd met bepaalde in voorschrift 5.2.2.1.1 van het ADR niet voor welk voorwerp en/of elke stof, genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2  de etiketten, aangegeven in kolom 5 waren aangebracht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair aanhouding van de zaak geadviseerd om door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een onderzoek te laten doen of verdachte met haar handelen aan de wet heeft voldaan. De economische politierechter zou zich nader kunnen laten adviseren over de regelgeving alvorens uitspraak te doen. Daartoe zal de zaak dan bij tussenvonnis heropend dienen te worden.

De officier van justitie heeft subsidiair aangevoerd, in het geval dat de economische politierechter zich voldoende voorgelicht acht om uitspraak te kunnen doen, dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de regeling duidelijk voorschrijft dat elke verpakking moet zijn voorzien van de juiste waarschuwingsetiketten voor gevaarlijke stoffen. Het feit dat verdachte ervoor heeft gekozen om een extra verpakking te laten maken voor het vervoer van de cryo houders ontslaat ze niet van de verplichting om de cryo houders te voorzien van de juiste etiketten. Op grond van de constateringen door verbalisant en de verklaring die ter zitting door de vertegenwoordiger van de rechtspersoon is gedaan kan het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De vertegenwoordigers van de rechtspersoon hebben ter zitting betoogd dat de verdachte rechtspersoon weliswaar niet naar de letter van de wet, maar wel in de geest van de wet heeft gehandeld.

In de cryo houders bevinden zich inseminatierietjes. Als deze rietjes uit de cryohouder worden gehaald kan er stikstof over de buitenkant van de vaten gemorst worden. Dit kan na een paar dagen, maar ook pas na een paar maanden na het aanbrengen van de nieuwe etiketten gebeuren. De cryo houders worden jaarlijks gecontroleerd op de aanwezigheid van de juiste etiketten. Het is voor het bedrijf ondoenlijk om dit vaker te controleren, omdat men niet weet wanneer er door het morsen van stikstof beschadigingen optreden aan de etiketten.

In de auto's waarin de cryo houders worden vervoerd zijn inseminatie-units gemaakt. Deze units komen niet uit de auto en de cryo houders niet uit de units. Dat gebeurt slechts voor onderhoud of reparatie. Het bedrijf heeft veel geld geïnvesteerd in het laten ontwikkelen van de inseminatie-units. Door op de inseminatie-units extra etiketten aan te brengen wordt het personeel dat met de cryohouders werkt in haar ogen eerder en extra gewaarschuwd voor de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen.

Beoordeling rechtbank

De economische politierechter acht zich voldoende voorgelicht om een vonnis te kunnen wijzen in deze strafzaak en wijst daarom het verzoek van de officier van justitie om deze casus voor te leggen aan de Inspectie van Leefomgeving en Transport af.

Verdachte vervoert in open cryohouders sperma in sterk gekoeld, vloeibaar stikstof. De stikstof is een gevaarlijke stof in de zin van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg: de stikstof wordt aangeduid met de internationale code UN 1977. Bij één van de betreffende open cryohouders is door de politie blijkens het proces-verbaal van 16 maart 2014 niet de vereiste etiketten geconstateerd, dan wel dat deze onvolledig aan die cryohouder zijn aangebracht. De etiketten zijn wel aangebracht aan de zogeheten inseminatie-units. De economische politierechter merkt op dat de veiligheid van het vervoer van de open cryohouders zoals verdachte dat pleegt te doen: in speciaal daartoe geconstrueerde inseminatie-units niet in het geding is. Niet alleen blijkt dat niet uit het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, maar uit de stukken blijkt naar het oordeel van de economische politierechter dat deze wijze van vervoer van de open cryohouders, in elk geval in het onderhavige geval, als veilig kan worden beschouwd.

OVAR?

De vertegenwoordigers van verdachte hebben gepleit voor het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en derhalve voor ontslag van alle rechtsvervolging.

De kern van het verweer van verdachte is dat, nu bij het uithalen van de spermarietjes bij de veehouder de stikstof over de wand van de cryohouder kan heenlopen, de daaraan aangebrachte etiketten daardoor snel beschadigen, waardoor verdachte zich genoodzaakt voelde de etiketten ook aan de inseminatie-unit aan te brengen. Ook het feit dat de open cryohouder niet zichtbaar wordt vervoerd, heeft verdachte kennelijk doen besluiten de vereiste etiketten mede aan de inseminatie-unit te bevestigen (brief namens verdachte d.d. 27 mei 2014, gericht aan het OM, deel uitmakend van het dossier; desgevraagd door vertegenwoordiger verdachte bevestigd ter zitting d.d. 19 maart 2015).

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat de verdachte zich met betrekking tot de tenlastegelegde gedragingen beroept op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Meer in het bijzonder heeft de vertegenwoordiger van de verdachte zowel bij voormelde brief als ter zitting aangevoerd dat verdachte, door de etiketten mede te bevestigen aan de stikstof-unit en niet aan de open cryohouders, naar de geest van voormelde wet heeft gehandeld. Deze handelwijze, zo is namens verdachte gesteld, dient het belang dat in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg en in de krachtens die wet vigerende regelgeving door de hier relevante bepalingen tot uitdrukking komt, namelijk: de veiligheid van het vervoer, van de vervoerders en die van derden die zich in de nabijheid van de vervoerde stoffen bevinden.

De economische politierechter overweegt ten aanzien van dat verweer als volgt.

Zoals namens verdachte terecht is aangevoerd, is het rechtsbelang dat door de Wet gevaarlijke stoffen over de weg en de krachtens die wet geldende regelgeving wordt beschermd, te weten: de bescherming van de veiligheid voor een grote groep mensen, waartoe niet alleen vervoerders, maar alle anderen die zich in de nabijheid van de vervoerde stof bevinden. De door verdachte vervoerde stikstof wordt gezien als een gevaarlijke stof in de zin van voormelde wet. De aanduiding van wat zich in een te vervoeren eenheid bevindt, in casu: sterk gekoelde stikstof, dient ervoor gebruikers en derden te informeren over het buitengemeen gevaarzettend karakter van de stikstof.

Naar het oordeel van de economische politierechter zou het aanvaarden van het verweer zoals dat namens verdachte is aangevoerd, in het onderhavige geval neerkomen op het stellen van het bedrijfsbelang boven dat van het algemeen belang van de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen op de weg en van hen, die zich in de (onmiddellijke) nabijheid van die stoffen gedurende het vervoer ervan bevinden. De wetgever heeft door middel van wet- en regelgeving het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg met inachtneming van zowel het bijzondere belang van de vervoerder en het algemene belang van veiligheid van personen en goederen (welk belang overigens ook hen die ten behoeve van de vervoerder werkzaamheden verrichten, aangaat), willen regelen. In een geval als het onderhavige, waarin – zo begrijpt de economische politierechter – kennelijk structureel door verdachte open cryohouders niet regelmatig worden voorzien van de vereiste etiketten, zou de aanvaarding van een door verdachte zelf gestelde norm betekenen dat daarmee en daardoor de wet structureel het onderspit zou delven ten bate van het eigen bedrijfsbelang. Naar het oordeel van de economische politierechter zou aanvaarding van dit verweer, er van uitgaande dat de economische politierechter de door verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden omtrent het veroorzaken van terugkerende schade aan de etiketten door de over de vaten heenlopende stikstof aannemelijk acht, de verhouding tussen rechter en wetgever danig op de proef stellen. Ten overvloede merkt de economische politierechter op dat, doordat in het onderhavige geval de wet structureel lijkt te worden overtreden, de gelijkenis met het door de (vertegenwoordiger van) verdachte aangehaalde zogenaamde Huizer veearts-arrest (HR 29 februari 1933, p. 918 e.v.) haar doel mist.

De economische politierechter verwerpt het verweer.

Overmacht?

Het door verdachte ter zitting aangevoerde kan redelijkerwijs ook verstaan worden als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand (art. 40 Sr). Immers, namens verdachte, die overigens zonder rechtsgeleerde bijstand haar zaak ter zitting heeft bepleit, is aangevoerd dat de stikstof die bij het overbrengen van de sperma vanuit de open cryohouders over de vaten heenloopt, bewerkstelligt dat de aan die vaten gebrachte etiketten loslaten, hetgeen verdachte noopt tot het aanbrengen van de etiketten op de inseminatie-units in plaats van of ook op de open cryohouders. Het komt er op neer dat verdachte, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de voor haar zwaarstwegende plicht heeft laten prevaleren. In het onderhavige geval is de keuze gevallen op het aanbrengen van de vereiste etiketten aan de unit waarin de open cryohouders worden vervoerd.

De economische politierechter oordeelt hierover als volgt.

De economische politierechter acht de namens verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden omtrent de open cryohouders aannemelijk. De economische politierechter is evenwel van oordeel dat deze feiten en omstandigheden niet leiden tot de aanvaarding van het verweer van verdachte, indien en voor zover dit als een beroep op overmacht-noodtoestand is bedoeld. Naar het oordeel van de economische politierechter mogen individuele vervoerders van gevaarlijke stoffen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden van geval tot geval beoordelen of de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg en de krachtens die wet opgestelde nadere regelgeving, mag worden overtreden. Een dergelijk zeer uitzonderlijk geval doet zich naar het oordeel van de economische politierechter in de strafzaak tegen verdachte niet voor. Daarnaast lijkt de uitkomst van de afweging door verdachte te passen, zo volgt naar het oordeel van de economische politierechter uit datgene wat er zitting is besproken, in de bedrijfsvoering van verdachte, waarin het besluit van verdachte is genomen de open cryohouders in het geheel niet meer te voorzien van de vereiste etiketten. Het had op de weg van verdachte gelegen om, in het kader van een zorgvuldige belangenafweging, bij de autoriteiten nadere informatie in te winnen over de vereisten van het vervoer van de open cryohouders en over alternatieve mogelijkheden van aanduidingen. Het is de economische politierechter onvoldoende gebleken dat verdachte nagegaan heeft of er onuitwisbare merktekens als bedoeld in art. 5.2.2.1.2 Algemene bepalingen en bepalingen betreffende gevaarlijke stoffen en voorwerpen, in plaats van de etiketten gebruikt kunnen worden, dan wel of er mogelijkheden bestaan om de etiketten aan [de] cryohouders te brengen met lijm die bestand is tegen de stikstof. Van deze verdachte met haar specifieke kennis omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen mag, naar het oordeel van de economische politierechter, verwacht worden dat zij in staat is om bij de daartoe bevoegde instanties de juiste vragen daaromtrent te formuleren. Het beroep op overmacht-noodtoestand wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Naar het oordeel van de economische politierechter staat vast dat verdachte inziet dat het vervoer van  gevaarlijke stoffen die verdachte pleegt te vervoeren, omgeven dient te zijn met de wettelijke veiligheidsvoorschriften zoals vermeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg en de daaraan gekoppelde regelgeving. Ook in het onderhavige geval heeft verdachte op zich zelf gehandeld conform de vigerende veiligheidsvoorschriften, wat er zij van de handelwijze van de bestuurder van het betreffende voertuig met betrekking tot één cryohouder die kennelijk niet geborgd zou zijn. Naar het oordeel van de economische politierechter heeft verdachte echter een verkeerde keuze gemaakt met betrekking tot de wijze waarop de kennelijke problematiek van gemorste stikstof dient te worden opgelost: het niet meer voorzien van etikettering van de open cryohouders. Hiermee is de veiligheid op dat punt niet voldoende in acht genomen.

In een en ander ziet de economische politierechter aanleiding om de eis van de officier van justitie in die zin te matigen dat, na vernietiging van de strafbeschikking, de door het OM gevorderde geldboete zal worden opgelegd, maar dat deze geldboete niet betaald hoeft te worden tenzij verdachte binnen een periode van twee jaar zich andermaal schuldig maakt aan strafbare feiten.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF