Veroordeling tot gevangenisstraf van 7 maanden (onvoorwaardelijk) wegens uitkeringsfraude

Rechtbank Utrecht 21 september 2012, LJN BY3400 (gepubliceerd op 16 november 2012) Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van de inkomsten die hij genoot uit schoonmaakwerkzaamheden die hij verrichte. Het bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkeringsgelden is door de uitkeringsinstantie berekend op € 154.531,65.

Verdachte heeft gedurende een zeer lange periode een bijstandsuitkering genoten terwijl hij daarnaast ruim voldoende inkomen verwierf uit werk. Hierdoor heeft verdachte riant kunnen leven. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij een bankrekening van zijn dochter heeft gebruikt om zijn inkomen uit werk op te laten storten. Dit wijst erop dat verdachte op ook op die wijze bewust heeft geprobeerd zijn inkomsten uit werk verborgen te houden voor de uitkeringsinstantie.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de periode waarin verdachte de fraude heeft gepleegd, de wijze waarop verdachte de fraude heeft willen verhullen, alsmede het bedrag dat ten onrechte aan de maatschappij is onttrokken, niet volstaan kan worden met het opleggen van een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd omtrent de gezondheidstoestand van verdachte kan hieraan niet afdoen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke gevallen door de rechtbank worden opgelegd. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de strafeis zoals door de officier van justitie verwoord (10 maanden onvoorwaardelijk).

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF