Veroordeling tot 4 jaar cel voor grootschalige oplichting met investeringen in wijnbeleggingsfonds Bordeaux Advisory blijft in stand

Hoge Raad 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3023

De verdachte is bij arrest van 23 december 2015 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren wegens oplichting, meermalen gepleegd (als feitelijk leidinggever) (feit 1) en witwassen, meermalen gepleegd (feit 2).

Voorts heeft het hof de vorderingen van 21 benadeelde partijen toegewezen (al dan niet gedeeltelijk) en de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld, en 7 benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot vergoeding van geleden schade.
 

Feiten

In 2002 vindt de oprichting van de wijnbeleggingsmaatschappij [A] B.V. plaats. Deze maatschappij wordt in 2006 in Luxemburg voortgezet onder de naam [B] S.A.R.L. Beleggers kunnen investeren in dure kwaliteitswijnen die – zo wordt de geïnteresseerde beleggers in een aantrekkelijke brochure voorgespiegeld, mede aan de hand van bijgevoegde, maar onware, resultaten uit het verleden – dankzij de expertise en deskundigheid van de wijnbeleggingsmaatschappij(en) en haar wereldwijde contacten met handelaars kunnen worden doorverkocht met een gemiddelde winst van tot wel 30%. Daarbij worden ogenschijnlijk solide garanties gegeven: indien in een periode van 18 of 24 maanden winst uitblijft, is terugkoop van de niet verkochte wijn door de wijnbeleggingsmaatschappij gegarandeerd. Met deze vooruitzichten voor ogen, worden (honderden) beleggers over de streep getrokken; zij investeren in totaal bijna 20 miljoen euro. In werkelijkheid worden de beloofde rendementen echter betaald door de inleg van (steeds) nieuwe investeerders, terwijl medeverdachte [medeverdachte] , die ook wel onder de naam [C] of [D] handelt, de wijn inkoopt bij een Franse groothandel. De inkoopprijzen worden door de verdachte kunstmatig opgeschroefd en doorgegeven aan [medeverdachte] , die deze bedragen op de facturen vermeldt. Zo liggen de aan de beleggers doorberekende prijs van een fles wijn vele malen hoger dan de inkoopprijs. Bovendien blijkt dat veel van het gezamenlijke inleggeld door de verdachte, dan wel door [medeverdachte] in opdracht van de verdachte, ten behoeve van de verdachte is overgeboekt naar bankrekeningen van in het buitenland gevestigde ondernemingen en vennootschappen.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 80 RO.
 

Eerste en tweede middel

Het eerste middel klaagt, in samenhang met de toelichting, met onder meer een beroep op HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ2014/303 m.nt. Keijzer dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd. Het tweede middel klaagt (meer in het bijzonder) dat de onder 2 bewezenverklaarde delictsgedragingen “omzetten“ en “gebruikmaken” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Conclusie AG

6. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in (met het oog op de leesbaarheid en het vierde middel geef ik meteen ’s hofs overwegingen met betrekking tot de oplichting weer):

“Het ten laste gelegde feit onder 1 (oplichting)

(…)

Het oordeel van het hof

De oplichting

Medio 2002 is [A] B.V. te Amsterdam begonnen met de verkoop van wijn. Via internet, door toezending van een goed ogende brochure (D-002 en D-003), schriftelijke correspondentie en telefonische informatieverstrekking werd wijn als lucratieve investering aangeboden. De informatie die aan klanten werd verstrekt met de bedoeling hen te bewegen tot afgifte van geldbedragen bleek echter in strijd met de waarheid.

Zo werd in de brochure vermeld dat één van de belangrijkste redenen voor het succes van [A] zou liggen in haar handel op de internationale markten. [A] had volgens de brochure contacten met handelaars, dealers, veilinghuizen, particuliere verzamelaars en commerciële bedrijven wereldwijd. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat [A] helemaal geen internationaal netwerk had en ook geen ervaring of expertise op dit gebied. In werkelijkheid kocht [A] slechts in bij één handelaar (medeverdachte [medeverdachte] , al dan niet handelend onder de naam [C] of [D] ), die op zijn beurt de wijn voor een veel lagere prijs inkocht bij (voornamelijk) een groothandel in Frankrijk ( [G] ).

In de brochure stond ook vermeld dat [A] in het verleden met 95% (brochure D-002) van de gekochte wijnen een substantiële winst heeft kunnen realiseren en dat [A] op jaarbasis een winst van 29,6% heeft gerealiseerd (D-003). Ook in de brieven werd vermeld dat in het verleden duizelingwekkende resultaten waren behaald, tot wel 30% per jaar (D-004). In werkelijkheid was [A] medio 2002 van start gegaan met de voorbereiding van haar activiteiten. De informatie over rendementen uit het verleden was in strijd met de waarheid.

Beleggers werd verder een solide garantie geboden waardoor zij geen verlies konden lijden op hun investering. Mocht immers een klant binnen een periode van 18 (D002), respectievelijk 24 (D003) maanden geen winst hebben gerealiseerd, dan gold een terugkoopgarantie, op basis waarvan [A] de wijn zou terugkopen. Ook in brieven aan de investeerders werd vermeld dat investeren in wijn dankzij de terugkoopgarantie volkomen veilig was. In werkelijkheid waren [A] noch de door haar opgerichte stichting [H] financieel in staat om aan deze verplichting tot terugkoop te kunnen voldoen.

In de brochure stond verder vermeld dat [A] deskundigen, zogeheten “(wijn)consulenten”, in huis had, terwijl in werkelijkheid [A] niet over deskundigen beschikte. Uit het dossier volgt niet dat de personen die werkzaam waren voor [A] en zich voordeden als wijnconsulent aantoonbare ervaring of deskundigheid hadden op het gebied van wijn.

Daarnaast werden de beleggers benaderd door telefonische verkopers en werd gebruik gemaakt van een fraai verzorgde website, allemaal met de bedoeling om bij de beleggers de indruk te wekken dat zij te maken hadden met een bonafide beleggingsonderneming of aanbieder van beleggingsobjecten die het door de beleggers ingelegde geld volledig of nagenoeg geheel zou aanwenden voor de aankoop van wijn. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat slechts een zeer klein gedeelte van het totale bedrag dat door beleggers is ingelegd, daadwerkelijk werd geïnvesteerd in wijn. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [A] circa € 19,4 miljoen van ongeveer 350 investeerders heeft ontvangen (Dl62, AH49, AH61). Van dit bedrag is slechts circa € 1,6 miljoen geïnvesteerd in wijn. Voor de beleggers betekent dit dat gemiddeld slechts 10% van hun inleg werd geïnvesteerd in wijn.

Verder volgt uit de bewijsmiddelen (onder andere AH-49) dat de beleggers door de aan hen verstrekte informatie zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen, maar ook dat de prijzen die zij betaalden voor de wijn vele malen hoger lagen dan reguliere marktprijzen. Ter illustratie enkele voorbeelden:

De getuige [betrokkene 3] is bewogen tot afgifte door een geplaatste advertentie, telefonisch contact met [betrokkene 14] , door [A] toegezonden informatie en een welkomstbrief (D-021). De getuige [betrokkene 3] heeft onder meer een kist Château Les Fiefs de Lagrange Saint Julien gekocht. De in rekening gebrachte prijs betrof € 1.500, met andere woorden € 125 per fles. [C] heeft de wijn ingekocht voor € 12,30 per fles (D015 nr. 47), ofwel voor nog geen 10% van de inleg (AH 09).

De getuige [betrokkene 1] is bewogen door middel van een toegestuurde brief (D-016), telefonisch contact met wijnconsulent [betrokkene 14] , een nieuwsbrief (D-017) en een welkomstbrief (D-023a).

De getuige [betrokkene 1] heeft in juli 2005 een bestelling geplaatst voor 1 kist Chancelade Medoc 2000, prijs € 1.120. De inkoopprijs bij [G] bedroeg € 4,75 (Dl01 / D 015 nr. 91) per fles, ofwel 5% van het geïnvesteerde bedrag (AH 011).

De getuige [betrokkene 10] is bewogen door middel van internet, folders, krantenberichten, persoonlijk contact met wijnconsulent [betrokkene 14] en de toezegging minimaal de inleg terug te krijgen door het garantiefonds. De getuige [betrokkene 10] heeft net als de getuige [betrokkene 3] onder meer een kist Château Les Fiefs de Lagrange Saint Julien gekocht. De in rekening gebrachte prijs betrof € 1.500, of te wel € 125 per fles. [C] heeft de wijn ingekocht voor € 12,30 per fles (D-015n47), nog geen 10% van het geïnvesteerde bedrag (AH 014).

De prijzen die [A] aan de beleggers doorberekende lagen in sommige gevallen dus 95% hoger dan de reguliere marktprijzen. Deze prijzen kwamen tot stand doordat de verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] doorgaf welke bedragen hij op de facturen moest vermelden. Gelet op deze kunstmatig opgeschroefde inkoopprijzen was het naar het oordeel van het hof reeds bij de aanschaf van de wijnen door de aangevers duidelijk dat de verwachtingen omtrent de goede verkoopbaarheid van de wijnen nimmer konden worden waargemaakt.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat dat [A] , en - na verplaatsing van haar activiteiten naar Luxemburg in mei 2007 (DO 17) - [B] Sarl, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen beleggers heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof in redelijkheid worden toegerekend aan die rechtspersonen.

Feitelijk leidinggeven

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [A] en later [B] Sarl gepleegde oplichting en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte was van 3 juni 2002 tot 2 januari 2006 als Managing Director van [A] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (Dl77, zie ook Dl65). Hij was contactpersoon voor de Stichting [H] (D172, D173) en bezat een volledige volmacht.

De verdachte is bovendien betrokken geweest bij de aankoop van de vennootschap, het opzetten van de constructie, het opstellen van de brochure, de dagelijkse leiding, het aannemen van personeel, de inkoop via [C] , de verkoop van wijn, het onderhouden van contacten met [C] alsmede de verplaatsing van de activiteiten naar Luxemburg.

Dat de verdachte de dagelijkse leiding had bij [A] vindt eveneens zijn ondersteuning in verklaringen van personen die werkzaam waren voor [A] (en later [B] Sarl).

Zo heeft medeverdachte Dekker verklaard dat de verdachte managing director was en verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken. Het idee om [A] op te zetten kwam van de verdachte. De verdachte bepaalde het verschil tussen de prijzen en was verantwoordelijk voor de marketing, financiën en de brochure.

De getuige [betrokkene 14] heeft verklaard dat de verdachte de eigenaar en leidinggevende was van [A] . Hij had (in het begin) de dagelijkse leiding. Hij zorgde voor de inkoop van de wijnen en regelde daarnaast alle juridische zaken. Ook de getuigen [betrokkene 15] en [betrokkene 16] hebben verklaard dat de verdachte bij [A] de dagelijkse leiding had.

De verdachte was bovendien beneficial owner van [A] (via [J] SA te Luxemburg, D174, D163-6, 7, D164) en voor 99% aandeelhouder van [B] Sarl (D174 en D180).

De naam van de verdachte komt verder voor in het “ondernemingsplan” (D59) en in een fax van november 2002, waarin de verdachte naar de getuige [betrokkene 17] schrijft dat ze klaar zijn om geld van [C] naar [J] over te maken (D161).

Dat verdachte de economische begunstigde was van [A] en [B] Sarl vindt voorts zijn ondersteuning in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 18] en [betrokkene 19] . Zo heeft de getuige [betrokkene 18] ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 17 september 2014 verklaard dat verdachte de economische begunstigde was van [B] Sarl. De getuige [betrokkene 19] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 18 september 2014 verklaard dat de verdachte de economische begunstigde was van [B] Sarl en dat [B] en [A] een en dezelfde vennootschap zijn zodat de verdachte feitelijk ook de economische begunstigde was van [B] .

De getuige [betrokkene 17] heeft op 30 oktober 2007 ten overstaan van Luxemburgse verbalisanten verklaard:

‘Ik heb mij nooit met de zaken van [A] in Nederland bemoeid. [verdachte] was voor 99% de feitelijke aandeelhouder en economische begunstigde van [A] krachtens zijn participatie voor 100% in [J] holding. Twee jaar later, in 2004, kocht [verdachte] de firma [B] Sarl met de bedoeling om zijn zaken op internationaal niveau te starten.’

(…)

Geconcludeerd moet dan ook worden dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan oplichting, gepleegd door [A] BV en [B] Sarl.

Het ten laste gelegde feit onder 2 (witwassen)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijk requisitoir gerequireerd tot bewezen verklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van oplichting door [A] zodat het geld dat [A] heeft ontvangen, niet van misdrijf afkomstig is. Indien het hof wel van oordeel is dat sprake van oplichting is, is niet komen vast te staan dat de verdachte beneficial owner was van de bedrijven waarnaar het geld is overgemaakt.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [A] BV en [B] Sarl in totaal € 19.377.852 van beleggers hebben verkregen door middel van oplichting. De verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de door de vennootschappen gepleegde oplichting en wist derhalve dat de ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren.

Vervolgens is via de rekening van [A] , waarover de verdachte beschikkingsmacht had, in totaal € 2.509.852 overgeboekt naar [C] en in totaal € 4.900.716 naar [D] .

Via de rekening van [B] S.A.R.L., waarover verdachte eveneens beschikkingsmacht had, is in totaal € 707.976 overgeboekt naar [D] .

Vervolgens heeft de medeverdachte [medeverdachte] , al dan niet handelend onder de naam [C] of [D] - in opdracht van de verdachte - in totaal € 3.316.338 overgeboekt naar de rekening van [E] S.A.R.L. te Luxemburg en in totaal € 120.046 naar de rekening van [F] S.A.R.L. te Luxemburg.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vermelde bedragen door de verdachte, dan wel in opdracht van de verdachte zijn witgewassen, nu de verdachte de van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft overgeboekt en/of laten overboeken naar rekeningen van in het buitenland gevestigde ondernemingen en vennootschappen, ten behoeve van hemzelf.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte geen beneficial owner was van de in de bewezenverklaring genoemde ondernemingen en verwijst hiervoor onder meer naar wat reeds is overwogen onder het ten laste gelegde feit onder 1. Het hof wijst voorts op AH-43 waaruit volgt dat verdachte niet alleen economische begunstigde was van [B] (99%) en [A] (via [J] , 98%) maar ook van [E] (99% zie D-056) alsmede [F] (51% zie D-142), wat eveneens zijn ondersteuning vindt in de op 30 oktober 2007 ten overstaan van Luxemburgse verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 17] :

‘Daarna, in 2004, kocht [verdachte] [E] om vorm te geven aan een afspraak met een Nederlandse handelaar op het gebied van kunstvoorwerpen in Groot-Brittannië. Rond 2004 kocht hij [F] als werkmaatschappij voor de kunstvoorwerpen.’”

7. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidt, voor zover hier van belang:

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…); b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.”

8. Door het hof is bewezenverklaard dat de verdachte via verschillende ondernemingen geldbedragen heeft omgezet en hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit grondmisdrijf is in de bewezenverklaring van het witwasdelict nader gespecificeerd als oplichting. In de bewijsoverwegingen van het hof worden de geldbedragen eveneens in verband gebracht met oplichting, dat wil zeggen rechtstreeks met de oplichting zoals onder feit 1 is bewezenverklaard. De gevolgtrekking daaruit luidt dan ook dat de onder feit 2 genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daarmee is evenwel niet gezegd dat hier de rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven" en het “voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen van toepassing is.

9. Ik wijs op de volgende rechtspraak van de Hoge Raad. Indien sprake is van het "verwerven" en/of het "voorhanden hebben" van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. In een dergelijk geval moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De ratio hiervan is dat voorkomen wordt dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het gewoon (schuld)witwassen van die voorwerpen. Daarnaast wordt hiermee bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

10. In de onderhavige zaak heeft het hof het “gebruik maken" en het "omzetten" bewezenverklaard. Op deze delictsgedragingen heeft de hierboven genoemde rechtspraak van de Hoge Raad geen betrekking, behoudens:

“(..) in het bijzondere geval dat zulk (…) "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 3.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 3.3 omschreven zin.”

11. Een bijzonder geval als hiervoor bedoeld doet zich in de regel voor in een situatie dat het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als “omzetten” of “overdragen” in de betekenis van art. 420bis, eerste lid aanhef en sub b, Sr. In een dergelijk geval zal, om de betreffende gedragingen als witwassen te kunnen kwalificeren, sprake moeten zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

12. Volgens de steller van het middel doet het voormelde bijzondere geval zich ook in de onderhavige zaak voor. Aangevoerd wordt dat het geld ‘slechts’ is verplaatst en dat de verdachte de beschikkingsmacht is blijven houden over het geld, zodat deze gedragingen niet wezenlijk verschillen van het verwerven en/of het voorhanden hebben van voorwerpen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn.

13. Vooropgesteld zij dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende termen “omzetten” en “gebruik maken” voldoende feitelijke betekenis hebben en derhalve niet nader omschreven hoeven te worden.6 Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het bij gebruikmaken “om het op een of andere wijze aanwenden van het betrokken voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden. Het heeft een element van profijttrekking in zich.” Daarbij worden enkele voorbeelden genoemd, zoals het op reguliere wijze maar met crimineel geld kopen van een dure auto bij een bonafide bedrijf en het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn)onderneming, teneinde dat onroerend goed de schijn van legaliteit te geven. Voor het omzetten wordt aansluiting gezocht bij de betekenis die Van Dale daaraan geeft: (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Daarom kan, aldus de Memorie van Toelichting, het kopen van een luxe auto ook omzetten opleveren en bijgevolg sprake zijn van overlap met het gebruik maken.

14. De bewijsmiddelen houden in dat de beleggers ruim 19 miljoen euro hebben geïnvesteerd in [A] B.V. Daarvan zijn ten eerste een drietal bedragen – te weten € 2.509.825,108, € 4.900.716,00, en € 707.976,83 – overgeboekt naar rekeningnummers van [C] respectievelijk [D] (bewijsmiddelen 46 en 50). Deze bedragen zijn blijkens het als bewijsmiddel 30 gebezigde stroomschema vervolgens gedecoupeerd overgeboekt naar bankrekeningnummers van onderscheidenlijk de verdachte, [medeverdachte] – als eerder gezegd de man achter [C] en [D] (bewijsmiddel 47) – en (andere) ondernemingen waaraan zij verbonden waren. De wijnen werden (nagenoeg) enkel ingekocht voor [A] B.V., de verdachte bepaalde de prijzen die aan de beleggers werden gefactureerd (bewijsmiddel 40). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van de verdachte geld overmaakte en betalingen deed (met name de bewijsmiddelen 29 en 40). Ik noem als enkele voorbeelden: het overmaken van € 25.000,00 aan een garage met het oog op de aanschaf van een auto voor de verdachte (bewijsmiddelen 36, 37, 38 en 40); de overboeking van een bedrag van € 112.000,00 met omschrijving [verdachte] en de cash opnamen bij de Lloyds Bank in Londen aan “ [verdachte] ”, waarmee volgens de verklaring van [medeverdachte] [verdachte] wordt bedoeld (bewijsmiddel 29); de overboekingen van geldbedragen naar de Luxemburgse bedrijven [E] S.A.R.L. (in totaal € 3.316.338,00) en [F] S.A.R.L. (€ 120.046,00) (bewijsmiddelen 29, 40 en 49); de betalingen die op verzoek van de verdachte door [medeverdachte] verricht zijn met een andere valuta (bewijsmiddel 29). Telkens wordt als naam van de economisch begunstigde de naam van de verdachte genoemd, en met het hof kan worden vastgesteld dat de verdachte ook beneficial owner was van ‘ [E] ’ en ‘ [F] ’ (bewijsmiddel 43). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een percentage van 10 procent inhield op deze betalingen, naar ik begrijp voor zijn verdiensten (bewijsmiddel 48).

15. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het door de beleggers ingelegde geld goeddeels is verplaatst naar, kort gezegd, de twee ondernemingen van [medeverdachte] ( [C] en [D]) en van daaruit verder uit het zicht is verdwenen door het in parten opgedeeld over te boeken naar bepaalde bankrekeningnummers van weer andere (buitenlandse) ondernemingen – waaronder [E] S.A.R.L. en [K] S.A.R.L., waarvan de verdachte beneficial owner was – en waarbij ook andere personen dan de verdachte en [medeverdachte] betrokken waren, zoals [betrokkene 20] en [betrokkene 21] (stroomschema, bewijsmiddel 30). Ook werd het geld gedeeltelijk omgezet in andere valuta of besteed aan de aanschaf voor een auto voor de verdachte, etc.

16. Op grond van het voorgaande luidt mijn slotsom dat het bewezenverklaarde “omzetten” en “gebruik maken” stevig steun vindt in de bewijsmiddelen. Niet doet zich hier het hierboven in randnummer 10 genoemde bijzondere geval voor dat het “gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft.

17. Mitsdien faalt zowel het eerste middel als het tweede middel.
 

Derde middel

Het derde middel klaagt dat het hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd, maar vervolgens voor de bewijsmiddelen toch weer naar dat vernietigde vonnis heeft verwezen.

Conclusie AG

19. Inderdaad heeft het hof het beroepen vonnis vernietigd en in de aanvulling verkort arrest onder het hoofd “De bewijsmiddelen” zelf enkel tien bewijsmiddelen (44 t/m 53) zelf uitgeschreven en wat de overige 28 bewijsmiddelen betreft kortheidshalve verwezen naar de aanvulling verkort vonnis, met de toevoeging dat het hof deze bewijsmiddelen overneemt.

20. Een dergelijke werkwijze is voor zover mij bekend niet ongebruikelijk en mijns inziens biedt de wet ook ruimte voor deze praktische werkwijze. Art. 423, derde lid, Sv bepaalt immers dat bij vernietiging van het vonnis, het hof niettemin bevoegd is bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen.9 Dat betekent dat alsdan niet vereist is dat de bewijsmiddelen integraal in het arrest, of de aanvulling, wordt opgenomen. Een andere opvatting zou het bepaalde in art. 423, derde lid, Sv zinledig maken.10 Overigens ontgaat mij het belang bij dit middel. Gaat het de steller van het middel in dit verband alleen maar om dat het hof de bedoelde bewijsmiddelen op zijn beurt nog eens uitschrijft?

21. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF