Veroordeling terzake het medeplegen overtredingen van de Wet op de accijns betreffende het illegaal stoken van alcohol

Rechtbank Noord-Nederland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4950 Medeverdachte was in de tenlastegelegde periode horecaondernemer en als zodanig eigenaar van onder meer de horecagelegenheid 1 en horecagelegenheid 2. Gelet op zijn eigen, bekennende verklaring ter terechtzitting, de verklaringen van zijn voormalige werknemer 1 en werknemer 2 en de datum 7 december 2011 op het etiket van één van de door de FIOD aangetroffen dozen met toebehoren, staat vast dat hij eind 2011 bij het bedrijf een destilleertoestel heeft besteld en dat hij dit toestel in ieder geval vanaf 1 januari 2012 voorhanden heeft gehad. Vast staat ook dat medeverdachte hier geen vergunning voor had.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het dossier verder buiten redelijke twijfel vast dat medeverdachte wist dat het toestel bestemd was of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns, nu het van meet af aan de bedoeling was om daarmee buiten het zicht van de fiscus een accijnsgoed (namelijk alcohol) te vervaardigen. Zoals hieronder nader zal worden besproken, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat slechts sprake is geweest van kleinschalige experimenten, zoals de verdediging heeft betoogd, maar ook in dat geval zou sprake zijn geweest van strafbaar handelen.

Uit de verklaringen van werknemer 1 en werknemer 2, maar ook uit zijn eigen verklaringen, blijkt dat de verdachte in de eerste periode nadat het destilleertoestel was aangeschaft op een zodanige wijze bij het gebruik daarvan betrokken is geweest, dat gezegd kan worden dat ook hij dit toestel voorhanden heeft gehad. In het bijzonder is van belang dat werknemer 2 heeft verklaard dat de plaats waar het toestel in horecagelegenheid 2 stond alleen toegankelijk was voor hemzelf, voor medeverdachte en voor verdachte, en dat hij en verdachte bij alle stappen van het destilleren van alcohol betrokken waren. Daarnaast is van belang dat de FIOD in horecagelegenheid 1 een “werkinstructie” heeft aangetroffen, waarvan verdachte heeft erkend dat hij deze heeft opgesteld.

Nu ook verdachte wist dat het toestel was bestemd voor het vervaardigen van alcohol en daarmee tot ontduiking van de accijns, acht de rechtbank bewezen dat medeverdachte en verdachte het onder 1. ten laste gelegde in nauwe en bewuste samenwerking hebben gepleegd.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van werknemer 1, de bevindingen en conclusies van de FIOD met betrekking tot de onverklaarbaar hoge inkoop van suiker in de tenlastegelegde periode en de aanzienlijke hoeveelheid gedestilleerde alcohol, lege flessen en flesjes essence die de FIOD op 10 oktober 2013 bij de inval in de adres in pleegplaats heeft aangetroffen, bewezen dat medeverdachte tussen 1 januari 2012 en 10 oktober 2013 een grote hoeveelheid (door de FIOD geschat op 544 liter) alcoholhoudende drank vervaardigd heeft en deze alcoholhoudende drank daarmee tevens voorhanden heeft gehad. Vast staat dat deze hoeveelheid alcohol niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing betrokken is, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, en dat de locaties waar deze alcohol is vervaardigd (een horecagelegenheid en een woning) geen accijnsgoederenplaatsen zijn in de zin van deze wet.

Voor verdachte geldt hetzelfde, zij het dat de rechtbank op grond van zijn verklaringen er vanuit zal gaan dat hij slechts een korte periode bij het destilleren van alcohol betrokken is geweest, zodat het in zijn geval om een aanzienlijk kleinere hoeveelheid gaat. De rechtbank overweegt hierbij nog dat aan het begrip “vervaardigen” in dit geval een specifieke betekenis toekomst, namelijk de betekenis die daaraan wordt gegeven in artikel 1a onder w van de Wet op de Accijns: “Elk handelen waarbij of waardoor een accijnsgoed ontstaat of de samenstelling van een accijnsgoed wordt gewijzigd.” Anders dan de verdediging heeft betoogd kan uit hetgeen verdachte zelf heeft verklaard bij de FIOD, te weten dat hij diverse ingrediënten in de destilleerketel gooide en het mengsel doorroerde, derhalve zonder meer de conclusie worden getrokken dat hij betrokken is geweest bij het vervaardigen van een accijnsgoed.

De rechtbank acht derhalve eveneens bewezen dat medeverdachte en verdachte het onder 2. en 3. ten laste gelegde in nauwe en bewuste samenwerking gepleegd hebben, met dien verstande dat bij verdachte de pleegperiode beperkt zal worden tot 1 mei 2012.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van het in artikel 90, eerste lid van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, terwijl hij weet dat het distilleertoestel bestemd is of zal worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns
  • Feit 2: medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden
  • Feit 3: medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rol van verdachte is duidelijk kleiner dan die van zijn medeverdachte en bovendien is verdachte slechts een aantal maanden bij deze activiteiten betrokken geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie hiermee onvoldoende rekening houdt en zij zal aan de verdachte opleggen een geldboete van €2.000,- waarvan €1.000,- voorwaardelijk.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF