Veroordeling tandarts tot taakstraf wegens valselijk opmaken patiëntenkaarten. Vrijspraak van witwassen.

Rechtbank Rotterdam 18 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1032

De verdachte, een tandarts, heeft zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van meerdere patiëntenkaarten. Hij heeft op de patiëntenkaarten behandelingen vermeld die in het geheel niet of bij een familielid van de desbetreffende patiënt waren uitgevoerd of hij heeft een andere behandeling vermeld dan de behandeling die daadwerkelijk op die patiënt was uitgevoerd. Hierdoor kon hij naar eigen zeggen patiënten de behandeling geven die zij nodig hadden, terwijl zij daar niet voor waren verzekerd. De verdachte heeft de behandeling vervolgens gedeclareerd bij de zorgverzekeraars en daar geld voor ontvangen.

De verdachte heeft door zijn handelen een administratieve chaos gecreëerd bij diverse zorgverzekeraars, die niet of slechts na tijdrovend onderzoek kan worden hersteld.

De verdachte heeft de zorgverzekeraars schade toegebracht omdat zij declaraties aan de verdachte hebben uitbetaald, waartoe zij niet waren gehouden. Het vaststellen van de exacte omvang van de door hen geleden schade – waarvoor moet worden achterhaald of er nog meer declaraties ten onrechte zijn uitbetaald – is nagenoeg ondoenlijk. Dat is reeds gebleken. Het huidige dossier bevat alleen al door het eerste, beperkte onderzoek dat de zorgverzekeraars hebben verricht een enorme hoeveelheid aan patiëntgegevens omdat niet meer vertrouwd kan worden op de juistheid van de invoer daarvan in het systeem. 
 

Geldigheid dagvaarding

Feit 1

De raadsvrouw heeft betoogd dat de tenlastelegging onder feit 1 partieel nietig is voor wat betreft de term “onder meer”. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het voor de verdachte niet duidelijk is welke specifieke gedragingen hem met de woorden “onder meer” worden verweten naast de zes gedragingen die wel in de tenlastelegging zijn uitgewerkt, zodat hij niet weet waar hij zich tegen moet verdedigen.

De officier van justitie heeft betoogd dat feit 1 op de tenlastelegging in het licht van het dossier duidelijk is, zodat de verdachte kon weten waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich moet verdedigen. Zij acht de tenlastelegging geldig.

Rechtbank: Ingevolge het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat zijn bedrijf [bedrijf 2] “onder meer” zes patiëntenkaarten valselijk heeft opgemaakt en dat hij daar feitelijke leiding aan heeft gegeven. De steller van de tenlastelegging heeft voor wat betreft de zes patiëntenkaarten specifiek in de tenlastelegging omschreven waar de valsheid uit zou bestaan.

Uit de bewoordingen “onder meer” begrijpt de rechtbank dat [bedrijf 2] het valselijk opmaken van nog meer patiëntenkaarten wordt verweten. Die gedraging zijn echter niet uitgewerkt in de tenlastelegging en ook op basis van de inhoud van het dossier kan niet zonder meer worden vastgesteld op welke patiëntenkaarten het verwijt nog meer ziet.

De woorden “onder meer” zijn derhalve, ook in onderlinge samenhang bezien met het dossier, onvoldoende feitelijk omschreven. De tenlastelegging voldoet dus niet aan de daaraan gestelde, in artikel 261 Sv genoemde eisen.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit nietig zal verklaren, voor zover het betreft de woorden “onder meer”.
 

Feit 2 en 4

Ook ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat niet geconcretiseerd is welke gedragingen de verdachte worden verweten, zodat de verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen. De verdediging verzoekt de rechtbank om de tenlastelegging voor wat betreft feit 2 nietig te verklaren.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder feit 2 ten laste gelegde voldoende feitelijk is omschreven en dat het in combinatie met het dossier voor de verdachte duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. Zij acht de dagvaarding geldig.

Rechtbank: Bedrijf 2 wordt verweten dat zij opzettelijk in strijd met de Wet marktordening gezondheidszorg tarieven in rekening heeft gebracht voor niet verrichte, bij een andere persoon verrichte, of niet conform de declaratie uitgevoerde handelingen (feit 4) en zij door deze handelingen te declareren bij diverse zorgverzekeraars die zorgverzekeraars heeft opgelicht (feit 2). De verdachte wordt verweten dat hij aan deze gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

De steller van de tenlastelegging heeft de feiten 2 en 4 zeer algemeen geformuleerd, zonder concrete gevallen te noemen en het exacte verwijt dat de verdachte daarbij wordt gemaakt.

Het opsporingsonderzoek heeft een dossier opgeleverd met een grote hoeveelheid aan gegevens van zorgverzekeraars. Dit betreffen uitgebreide lijsten met namen van jeugdigen die onder behandeling waren bij [bedrijf 2] over een periode van meerdere jaren en op wiens naam door de verdachte met name wortelkanaalbehandelingen, extracties en vullingen zijn gedeclareerd.

De zorgverzekeraars vermoedden dat deze behandelingen niet of niet conform de declaratie zijn uitgevoerd door de verdachte, maar uit het dossier blijkt dat bij navraag door de zorgverzekeraars bij de desbetreffende jeugdigen of hun ouders is gebleken dat in meerdere gevallen de gedeclareerde behandelingen wél zijn uitgevoerd door de verdachte. Ook de verdachte heeft verklaringen in het geding gebracht van 42 patiënten, die worden vermeld op de genoemde namenlijsten van de zorgverzekeraars, waaruit blijkt dat hij de betreffende handelingen wel heeft verricht.

Het dossier bevat geen overzicht of conclusie waaruit concreet blijkt welke behandeling de verdachte bij welke patiënt níet zou hebben verricht, welk tarief hij daarvoor in rekening heeft gebracht en bij welke zorgverzekeraar hij dat bedrag -onterecht- heeft gedeclareerd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging onder de feiten 2 en 4, mede bezien in verband met de inhoud van het strafdossier, onvoldoende duidelijk en concreet is met betrekking tot de vraag ter zake van welke specifieke feiten de verdachte zich dient te verdedigen. Om die reden voldoet de omschrijving van het onder 2 en 4 tenlastegelegde niet aan de eisen van artikel 261 Sv.

De rechtbank zal de dagvaarding met betrekking tot de feiten 2 en 4 nietig verklaren.
 

Vrijspraak witwassen

Aangevoerd is dat de verdachte door het indienen van valse declaraties ten onrechte een bedrag van € 405.858,20 van zorgverzekeraars heeft ontvangen. Op 7 januari 2012 hebben drie overboekingen plaatsgevonden. Van de bankrekeningen van de verdachte, bedrijf 2 en bedrijf 2 is in totaal een bedrag van € 530.000,- overgemaakt naar de bankrekening van de vader van de verdachte. Deze overboekingen moeten worden aangemerkt als gedragingen die kennelijk gericht zijn geweest op het verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Er is daarom sprake van witwassen.

Het openbaar ministerie heeft de tenlastelegging toegesneden op de periode van 7 tot en met 10 januari 2012. Het onterecht door de verdachte ontvangen geldbedrag van de zorgverzekeraars zou in deze periode zijn witgewassen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van zes patiëntenkaarten.

De verdachte heeft bekend dat hij in een aantal gevallen niet de behandeling heeft verricht die hij op de patiëntenkaart heeft ingevoerd, maar ook dat hij die behandeling opzettelijk onterecht heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraars, die het geld het ten behoeve van deze onterecht ingediende declaraties hebben uitgekeerd op de bankrekening van bedrijf 2.

Volgens de verklaring van de verdachte ter zitting zijn de ten onrechte uitgekeerde geldbedragen, zonder onderscheid te maken, meegegaan in de totale geldstroom binnen zijn tandartspraktijk. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de door de verdachte ten onrechte ontvangen geldbedragen zijn omgezet binnen de praktijkvoering van de verdachte, zodat er in zoverre sprake is van witwassen.

Uit het dossier blijkt echter dat het valselijk opmaken van de patiëntenkaarten en het ten onrechte declareren bij de zorgverzekeraars zich heeft afgespeeld in de periode van juni 2008 tot en met oktober 2010. De verdachte en bedrijf 2 hadden op 7 januari 2012 dus al een geruime tijd, variërend van meer dan één jaar tot zelfs vier jaar, de beschikking over de door de zorgverzekeraars ten onrechte uitgekeerde geldbedragen.

Gezien dit grote tijdverloop kan geen rechtens relevant verband meer worden gelegd tussen de onterecht ontvangen bedragen van de zorgverzekeraars en de in de ten laste gelegde periode van 7 januari 2012 tot en met 10 januari 2012 overgeboekte bedragen, zodat ten aanzien van die geldtransacties niet (meer) gesproken kan worden van witwassen.

De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde witwassen.
 

Geen medeplegen

De verdachte heeft diverse valse patiëntkaarten opgemaakt. Deze strafbare gedragingen kunnen in deze zaak worden toegerekend aan de rechtspersoon bedrijf 2 en aan de verdachte als de feitelijke leidinggevende aan die gedragingen.

Uit de enkele omstandigheid dat de strafbare gedragingen kunnen worden toegerekend aan zowel de verdachte als aan bedrijf 2 volgt evenwel niet zonder meer dat bij de uitvoering daarvan sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beiden. Nu van enige nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, anders dan de mogelijkheid van strafrechtelijke toerekening aan zowel de verdachte als bedrijf 2, niet is gebleken, zal de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen worden vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF