Veroordeling rechtspersoon voor overtreding van artikel 28 lid 1 Wet bodembescherming

Rechtbank Oost-Brabant 25 oktober 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5861

Op 4 juni 2008 heeft het verdachte de inschrijving voor de aanneming van Grondwerk meander, Werkomschrijving 5-2008 geopend. Bij de gehouden Nationaal Onderhandse procedure ARW 2005 zijn 4 inschrijvingen ingekomen, te weten:

bedrijf 1 met inschrijfsom € 32.000,00;

bedrijf 2 met inschrijfsom € 117.600,00;

bedrijf 3 met inschrijfsom € 169.656,00;

bedrijf 4met inschrijfsom € 191.300,00.

Het werk is gegund aan bedrijf 1. Op 10 juni 2008, voor de gunning, heeft een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van het verdachte en vertegenwoordigers bedrijf 1. Aanleiding voor dit gesprek was de – vergeleken met de overige inschrijvers – lage inschrijving door bedrijf 1 bedrijf 1is in dit gesprek nog een keer gewezen op de onderzoeksresultaten van de verontreiniging van de grond. Hierop werd door de vertegenwoordiger van bedrijf 1gezegd dat zij al een bestemming had voor de grond en dat zij het werk conform de geldende wet- en regelgeving zou (laten) uitvoeren.

In de werkomschrijving 5-2008 van Grondwerk meander (P009803 Inrichting RWZI Boxtel) is onder meer het volgende opgenomen:

De werkzaamheden vinden plaats op het terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Boxtel, gelegen aan de adres, woonplaatste Boxtel.

Bij deze werkomschrijving behoren twee tekeningen, te weten:

70601.02.024: op deze tekening is de nog aan te leggen effluentbaan en meander aangegeven;

70601.01.025: op deze tekening is de bestaande maaiveldhoogte aangegeven.

Bij de ontgraving van de meander komt grond vrij. De grond is milieuhygiënisch onderzocht, de onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd. Het betreft de volgende rapporten van bedrijf 5:

Rapport 1: Partijonderzoek grond op de locatie adres, woonplaatste Boxtel van 4 januari 2008.

Rapport 2: Indicatief onderzoek ter hoogte van de rioolwaterzuivering aan de adres, woonplaatste Boxtel, van 9 april 2008.

Rapport 3: Uitloogonderzoek partij MM3 ee MM4 gelegen ter plaatse van de rioolwaterzuivering te Boxtel. Dit is het uitloogonderzoek van partij MM3 en MM4 uit rapport 1.

Uit rapport 1 blijkt dat de te onderzoeken partij grond ongeveer 8500 m3 betrof en dat deze is opgedeeld in twee deelpartijen van elke 4250 m3, te weten MM1 en MM2 en MM3 en MM4 (zie tekening op dossierpagina 92). In de conclusie ten aanzien van deelpartij MM1 en MM2 staat vermeld dat op basis van de resultaten van het samenstellingsonderzoek kan worden geconcludeerd dat de partij kan worden gekwalificeerd als zijnde categorie 1 grond, aangezien de partij met deze insteek bemonsterd is en de toetsingswaarden aan de eisen voldoen.

In de conclusie ten aanzien van deelpartij MM3 en MM4 staat vermeld dat na toetsing de partij op grond van de parameters cadmium en minerale olie in categorie 1 of 2 moet worden ingedeeld. De definitieve categorie-indeling dient door middel van een uitloogonderzoek te worden vastgesteld. Het uitlooggedrag van de parameter cadmium kan worden bepaald.

Rapport 3 betreft het uitloogonderzoek van de partij MM3 en MM4 zoals opgenomen in rapport 1. Het resultaat is dat uit de toetsingsresultaten en de maximale toepassingshoogte naar voren komt dat de partij niet toepasbaar is, noch onder categorie-1 omstandigheden, noch onder categorie-2 omstandigheden.

Rapport 2 betreft het aanvullend indicatief onderzoek van 9 april 2008. Hierin staat vermeld dat partij MM3/MM4, na uitloging van cadmium, als niet toepasbaar moet worden gezien. De locatie is gelegen naast de Dommel, mogelijk is in het verleden ter plaatse van MM3 en MM4 rivierslib afgezet. Het is bekend dat het rivierslib van de Dommel verhoogde waarden aan metalen bevat. Bij een dergelijke verontreiniging wordt een heterogene verontreiniging verwacht. Met behulp van onderhavig onderzoek is bepaald of de verontreiniging heterogeen wordt aangetroffen op de locatie.

Het aanvullend onderzoek bestaat uit het opsplitsen van deellocatie MM3 en MM4 in 8 vakken. Het betreffen 4 vakken van de bovengrond (MM1.1, MM2.1, MM3.1, MM4.1) en 4 vakken van de ondergrond (MM1.2, MM2.2, MM3.2, MM4.2). De resultaten van dit aanvullend onderzoek zijn getoetst aan de Wet Bodembescherming (WBB). In de partij MM3.2 wordt de parameter koper in een concentratie boven de tussenwaarde (matige verontreiniging) aangetroffen en in de partijen MM4.1 en MM4.2 wordt de parameter cadmium in concentraties boven de tussenwaarde aangetroffen. Conform de WBB dient een nader onderzoek naar de verdere aard en omvang van de matige verontreiniging te worden uitgevoerd.

Bij een indicatieve toetsing van de resultaten van dit aanvullend onderzoek aan het Bouwstoffenbesluit kan worden geconcludeerd dat door de parameter minerale olie in MM3.2 de partij als niet toepasbaar moet worden gezien. De concentraties van cadmium in de deelpartijen MM4.1 en MM4.2 overschrijden ‘bijna’ (MM4.1) en ‘geheel’ (MM4.2) de waarde voor uitloging. Vermoedelijk zouden deze deelpartijen na uitloging als niet toepasbaar moeten worden gezien. Deze verwachting wordt uitgesproken naar aanleiding van de uitgevoerde partijkeuring van MM3/MM4 (zie rapport 1 en rapport 3).

Aanbevolen wordt om de deelpartijen MM3.2, MM4.1 en MM4.2 apart af te voeren als matig verontreinigde grond. De grond zal naar verwachting na een partijkeuring als niet toepasbaar moeten worden gezien.

Met betrekking tot de overige deelpartijen wordt aanbevolen om hier opnieuw een partijkeuring op uit te voeren. Naar verwachting zal de uitkomst voor deze deelpartijen ‘categorie 1’ grond zijn.

Op 19 augustus 2008 werd door de verbalisant waargenomen dat op de adres, woonplaats te Boxtel grond was ontgraven, waaronder grond met cadmiumverontreiniging volgens de situatietekening uit de rapportage van bedrijf 5. Op 25 augustus 2008 werd gezien dat de reeds afgegraven grond in een aantal vrachten via de Bosscheweg vanaf de locatie de adres, woonplaatste Boxtel werd afgevoerd. Een van de vrachten werd vervoerd naar de gemeente Son, naar een wegenbouwkundig werk, te weten de aanleg van een viaduct en verbreding van de A58. Op 26 augustus 2008 is toezichthouder toezichthouder van de Provincie Noord-Brabant in kennis gesteld. Het werk op de RWZI te Boxtel werd vervolgens namens Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant stilgelegd omdat de werkzaamheden zonder hiertoe gedane melding werden uitgevoerd.

Ontheffing van de melding

De verdediging beroept zich op de uitzondering van 28 lid 5 WBB. Een melding kan achterwege blijven indien het gaat om minder dan 50 m3 verontreinigde grond.

De rechtbank verwerpt het beroep op deze uitzondering en overweegt het volgende.

persoon 1 werkzaam bij van bedrijf 1 heeft onder meer verklaard dat uit de interpretatie van de analysegegevens bleek dat een deel van de partij van de in de aanbesteding genoemde grond licht tot matig verontreinigd was en dat dit deel naar verwachting niet toepasbaar zou zijn. Persoon 1 heeft dit met persoon 2, werkzaam bij bedrijf 6besproken. persoon 2had volgens persoon 1 een andere optie. Het ging om een deel van de partij MM3 en MM4, in totaal groot 2355 m3.

Een deel van de partij grond, in totaal groot 2355 m3, was op basis van de rapporten van bedrijf 5 (rapport 1 en rapport 3) naar verwachting niet toepasbaar.

De verdediging heeft niet nader onderbouwd dat het verontreinigde deel van deze partij grond (2355 m3) kleiner of gelijk was dan 50 m3. De rechtbank acht het gelet op de omvang van de partij grond (2355 m3), onwaarschijnlijk dat dit deel - dat naar verwachting niet toepasbaar was - kleiner of gelijk was dan de in artikel 28, vijfde lid, WBB genoemde 50 m3. Het beroep op de uitzondering gaat derhalve niet op. Het bestaan van de ontheffing als bedoeld in artikel 28, zesde lid, WBB is niet aangevoerd en daarvan blijkt ook bij ambtshalve toetsing niet uit het dossier of uit het verhandelde ter terechtzitting.

Het is niet in geschil dat het verdachte de partij is geweest die de werkzaamheden heeft laten verrichten. Na overleg met bedrijf 5en gezien het indicatief aanvullend onderzoek werd besloten om het werk toch ‘gewoon’ aan te besteden. Niet was duidelijk of het een sanering betrof, dat liet men aan de markt. Dit betekent dat ten tijde van de aanbesteding er nog steeds sprake was van een verdachte locatie op basis van het aanvullende indicatief onderzoek van 9 april 2008. Dit betekent ook dat voor aanvang van de aanbestede werkzaamheden, te kwalificeren als handelingen ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, door het waterschap een melding aan de Provincie gedaan had moeten worden.

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van overtreding van artikel 28 WBB, omdat a. verdachte niet voornemens was om te saneren, waardoor ook geen melding behoefde te worden gedaan en b. het voornemen bestond uit het graven van een meander, niet uit handelingen waardoor de verontreinigde grond zou worden verminderd of verplaatst. De naar verwachting niet toepasbare grond zou ook als niet toepasbaar/matig verontreinigd worden afgevoerd. Dan wel was verdachte niet de overtreder van de norm.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging. Of verdachte al dan niet het voornemen tot het saneren van de grond had, is niet relevant. Bepalend is dat verdachte handelingen aan de grond zou laten verrichten door middel van aanbesteding van het werk op de RWZI te Boxtel. Door het laten graven van de meander komt verontreinigde grond vrij. Uit het dossier blijkt in voldoende mate dat deze grond weer is toegepast op het werk Ekkersrijt. Dat was de bedoeling van de medeverdachten bedrijf 1en Van bedrijf 6 verdachte wist dat deze bedrijven de grond elders zouden gaan toepassen. Verdachte was als eigenaar van de grond gehouden de melding als bedoeld in artikel 28 WBB bij de Provincie Noord-Brabant te doen.

De verdediging heeft voorts betoogd dat er geen plicht tot saneren bestond, omdat geen sprake was van een ernstige verontreiniging en verdachte overigens kon en mocht afgaan op de mededeling van bedrijf 5 dat het mogelijk geen te saneren locatie betrof. BRL 9335 gecertificeerde aannemers mogen op basis van vooronderzoeksgegevens partijen grond innemen en blijven vervolgens verantwoordelijk voor het gehele traject ten aanzien van die partijen grond. Verdachte had naar de mening van de verdediging derhalve geen (voorwaardelijk) opzet op het niet voldoen aan de meldplicht van artikel 28, eerste lid, WBB.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Verdachte heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van haar handelen en kan zich derhalve niet verschuilen achter adviezen van anderen. Daarbij komt dat verdachte eenvoudigweg bij de Provincie Noord-Brabant had kunnen en ook moeten informeren of de voorgenomen handelingen aan de grond op de RWZI te Boxtel. Dat verdachte een dergelijke melding niet heeft gedaan komt voor rekening van verdachte.

De inname van partijen grond door een BRL 9335 gecertificeerd bedrijf of anderszins komt pas aan de orde nadat het werk op de locatie van de RWZI te Boxtel is gegund. Dat betreft het traject nadat verdachte het voornemen had handelingen aan de grond te laten verrichten op deze locatie en doet derhalve niet af aan de meldplicht van verdachte. Of het een saneringslocatie betreft, is evenmin relevant. Dat laat namelijk onverlet dat verdachte op de locatie handelingen aan de grond zou laten verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. Op basis daarvan moest verdachte deze handelingen melden.

Het Waterschap wist dat de grond op de RWZI te Boxtel verontreinigd kon zijn. Het heeft immers zelf een bericht op zijn website geplaatst waarin staat vermeld dat het riviertje de Dommel al sinds jaren verontreinigd is met onder meer cadmium en zink.

Uit het indicatief onderzoek naar de bodemkwaliteit van bedrijf 5blijkt dat een deel van de partij grond op het perceel waarvoor de aanbesteding geldt vermoedelijk verontreinigd is. De mate van verontreiniging moet vervolgens uit een uitloogonderzoek blijken.

Uit het uitloogonderzoek blijkt daadwerkelijk van een verontreiniging van een deel van het perceel, zodanig dat deze grond naar verwachting niet toepasbaar is.

Het Waterschap geeft vervolgens opdracht tot de aanbestede werkzaamheden ten aanzien van het perceel grond op de RWZI, wetende dat bedrijf 1 wie de opdracht is gegund de gehele partij grond hoe dan ook zal gaan toepassen in het plan Ekkersrijt. De grond blijft dus niet liggen op het perceel en de grond wordt dus niet afgevoerd naar een reiniger, terwijl dit wel in de aanbestedingsopdracht is vermeld. Het melden van dergelijke handelingen aan verontreinigde grond is al verplicht als slechts een vermoeden bestaat van een verontreiniging.

Uit artikel 28, eerste lid, WBB volgt dat het om voorgenomen handelingen moet gaan ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. Hieruit kan niet worden afgeleid dat bedoeld wordt dat melding alleen dan aan de orde is wanneer het een ernstige verontreiniging betreft. Omdat voldoende duidelijk is dat er sprake was van een verontreiniging van de grond, had het Waterschap de voorgenomen handelingen aan de grond moeten melden bij de Provincie Noord-Brabant. Verdachte wist immers van de verontreinigingen en verdachte heeft als eigenaar en beschikkingsbevoegde van de grond opdracht gegeven om handelingen aan de grond te laten verrichten (aanbesteding van een te ontgraven meander). Artikel 28 WBB biedt geen ruimte voor het overdragen van de meldplicht door bijvoorbeeld een civielrechtelijke overeenkomst zoals de aanbesteding van het werk. Dit laat onverlet dat de partij die het werk aanneemt ook een (zelfstandige) meldplicht heeft.

Gelet op het voorgaande is het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen als hierna te melden.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er geen bewijs is voor het medeplegen van het niet melden van de voorgenomen handelingen. Als eigenaar van de grond en opdrachtgever tot het ontgraven van de grond was het verdachtegehouden deze voorgenomen handelingen te melden. Niet blijkt dat andere (rechts-)personen mede-eigenaar waren van de grond. Dat na de aanbesteding de eigendom van de grond is overgegaan naar bedrijf 1 maakt dat niet anders. Die rechtspersoon had, zoals hiervoor al aangegeven, in dat geval een zelfstandige verplichting tot het melden van de uit te voeren handelingen ten aanzien van de grond op het perceel van het Waterschap.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF