Veroordeling ondanks dat OvJ vrijspraak heeft gevorderd

Rechtbank Noord-Holland 22 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2305 De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het onder 4 ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie en de raadsman dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank komt echter wel tot bewezenverklaring van het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde (straatroof).

De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is bij de beroving waarbij de pinpas van het slachtoffer is weggenomen (het onder 1 ten laste gelegde feit) en bepleit dienaangaande vrijspraak. Verdachte ontkent bij de beroving betrokken te zijn geweest. Hem kan slechts worden verweten dat hij met de gestolen pinpas van het slachtoffer geld van diens rekening heeft gehaald (feit 4). Verdachte heeft hiertoe bij de rechter-commissaris aangegeven dat hij ’s avonds het huis uit was gegaan en een rondje was gaan lopen om een sigaret te roken. Hij zag toen een goede vriend van hem die tegen hem zei: “Ren mee, ren mee”. Nadat diegene zijn kleding in de prullenbak deed, vroeg hij of verdachte wilde pinnen, hetgeen hij heeft gedaan. De vriend was alleen. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat de wandeling naar de pinautomaat op de straat ongeveer tien minuten duurde. De verklaring van verdachte over de wijze waarop hij aan de pinpas van het slachtoffer is gekomen, is volgens de raadsman aannemelijk. Tevens kan uit de aangifte niet met honderd procent zekerheid worden opgemaakt dat aangever door drie jongens is beroofd, terwijl verdachte in ieder geval niet voldoet aan het signalement van de twee overvallers die door hem zijn waargenomen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van verdachtes bekennende verklaring, het verhoor van aangever en het proces-verbaal persoon op camerabeelden staat vast dat verdachte op 15 januari 2016 om 21:49:20 bij de geldautomaat bij de ABN AMRO bank aan de straat te plaats een bedrag van 250 euro van de rekening van aangever naam heeft gepind en derhalve dat hij op dat moment de eerder die avond van aangever naam gestolen pinpas voorhanden had en in bezit was van de pincode.

Vooropgesteld zij dat aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (Hoge Raad 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880).

De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden van belang.

De beroving van naam, waarbij onder meer zijn pinpas is weggenomen en hij onder bedreiging zijn pincode heeft moeten geven, vond blijkens de aangifte plaats op 15 januari 2015 tussen 21:10 en 21:25 uur aan de straat te plaats. Aangever heeft aangegeven dat hij door drie personen is beroofd, van twee van hen kon hij een signalement gegeven.

Aangever heeft daarbij aangegeven dat er tegen hem werd gezegd dat hij zijn pincode moest afstaan en dat zijn maatje dan ging pinnen. Uit het bankafschrift van aangever in combinatie met de camerabeelden blijkt dat er om 21.49 uur die avond door verdachte met die gestolen pinpas een geldbedrag van aangevers rekening is gepind bij de geldautomaat gelegen aan de straat te plaats.

Volgens de routebeschrijving van Google Maps is het 23 minuten lopen van de straat naar de straat.

Ervan uitgaande dat de beroving om 21:10 uur heeft plaatsgevonden, waarbij de rechtbank uitgaat van het vroegste tijdstip, blijft er, met in achtneming van het gedurende 23 minuten lopen, een periode van ongeveer 16 minuten over tussen de beroving en het pinnen. Indien er van het latere tijdstip van 21:25 uur wordt uitgegaan, blijft er slechts 1 minuut over.

De rechtbank constateert dat verdachte zeer kort na de beroving, waarbij de pinpas is weggenomen van aangever, in het bezit is van de gestolen bankpas van aangever. Gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de overval en het opnemen van geld met die bankpas, wordt het ervoor gehouden dat verdachte eveneens betrokken is geweest bij de gewelddadige beroving van naam, tenzij verdachte voor het voorhanden hebben van die gestolen bankpas zo vlak na de beroving een aannemelijke verklaring heeft.

De rechtbank stelt dienaangaande vast dat verdachte in eerste instantie bij zijn verhoor bij de politie op 20 april 2015 ontkent dat hij met de gestolen pas heeft gepind. In zijn verhoor van 21 april 2015 verklaart verdachte nog na confrontatie met de foto’s van de camerabeelden van de geldautomaat van de ABN AMRO bank aan de straat in plaats en de bij de huiszoeking bij verdachte aangetroffen jas, dat hij de hele avond thuis is geweest omdat hij de volgende dag weer naar school moest. Voor het overige beroept hij zich op zijn zwijgrecht. Eerst tegenover de rechter-commissaris op 23 april 2015 bekent verdachte dat hij heeft gepind en dat hij zijn gezicht bedekt had omdat hij het koud had. Hij verklaart dat hij die avond om 21.30 uur het huis uit is gegaan om een sigaret te roken, toen hij een goede vriend op de fiets aan zag komen, die tegen hem zei: ‘Ren mee, ren mee’. Nadat die vriend zijn kleding in de prullenbak deed, vroeg hij hem of hij wilde pinnen, hetgeen verdachte deed. Ter zitting verklaart verdachte dat hij de bewuste avond om 21.30 uur het huis was uit gegaan om een sigaret te roken en een rondje te lopen. Een goede vriend van hem, van wie hij de naam niet wil noemen, kwam naar hem toe en vroeg verdachte of hij wilde pinnen. Zij zijn vervolgens gezamenlijk, ondanks dat er in de buurt meerdere geldautomaten zijn, naar de geldautomaat aan de straat gelopen, dat ongeveer tien minuten in beslag nam en tijdens het lopen en ook nogmaals bij de pinautomaat kreeg hij van die vriend de pincode. Hij had zijn gezicht bedekt om zich aan de camera’s te onttrekken en wel het vermoeden had dat het niet deugde. Hij wil niet zeggen waar hij de vriend tegen kwam en voor wie het gepinde geld bestemd was.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in eerste instantie in het geheel geen openheid van zaken heeft willen geven en zich na confrontatie met de camerabeelden en het aantreffen van zijn jas die op de camerabeelden stond, alsnog op zijn zwijgrecht heeft beroepen en vervolgens wisselend en ook uiterst vaag heeft verklaard over hoe hij in het bezit is gekomen van de gestolen pinpas vlak na de overval.

De lezing van verdachte dat een vriend vlak na de roof, die niet in de nabijheid van het huis van verdachte plaatsvond, hem ergens op straat uit het niets een zojuist gestolen pinpas overhandigde met het verzoek voor hem te gaan pinnen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte geen naam heeft willen noemen van degene die hij heeft ontmoet en hem vroeg te pinnen, noch de plaats waar hij deze persoon tegenkwam en niet heeft willen zeggen voor wie het gepinde geld bestemd was. De lezing van verdachte is daardoor in het geheel niet te verifiëren. Daarnaast is de verklaring van verdachte ter zitting dat hij is gaan lopen met deze vriend naar een pinautomaat in strijd met de verklaring bij de rechter-commissaris dat de vriend zei, “ren mee, ren mee.” Voorts is niet aannemelijk dat de vriend, in het bezit van de pinpas, van de plek van de beroving in de straat eerst naar de omgeving van het huis van verdachte is gegaan, terwijl zij vervolgens samen naar de pinautomaat op de straat zijn gegaan en dit alles binnen het uiterst korte tijdsbestek tussen de beroving en het geld pinnen. Blijkens Google Maps is het van het huis van verdachte, dat hij naar eigen zeggen om 21.30 uur verliet, ongeveer zeventien minuten lopen naar de pinautomaat aan de straat.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat getuige naam heeft verklaard dat hij op 17 februari 2015 op een feestje in plaats was, waar ook verdachte aanwezig was. Hij hoorde toen dat verdachte samen met medeverdachte aan het praten en opscheppen was over wat er was gebeurd met naam. Hij hoorde hen praten over een pet en een riem waar zij vanaf moesten, waardoor het voor getuige duidelijk was dat zij daar wat mee te maken hadden. Ook ziet getuige naam medeverdachte naam een buitenlandse L&M-sigaret roken, waarvan hij weet dat naam die altijd heeft.

Verdachte heeft, na dit eerst ontkend te hebben, later alsnog bevestigd dat hij op het feestje in plaats waar getuige naam over spreekt, is geweest.

Uit de telecomgegevens van de telefoon van medeverdachte is gebleken dat hij op 15 januari 2015 om 21.23 uur naar een ander persoon belt, waarbij de telefoon aanstraalt via het basisstation aan de straat in plaats, hetgeen 1 kilometer verwijderd is van de plaats delict, en dat diens telefoon om 21.29 uur aanstraalt bij het basisstation aan de straat in plaats, hetgeen 950 meter verwijderd is van de straat waar met de ontvreemde pas is gepind.

Nu de rechtbank de verklaring die verdachte heeft gegeven over het voorhanden krijgen van de bankpas, niet geloofwaardig acht, is de rechtbank van oordeel dat, op grond van het zo snel na de beroving met een gestolen bankpas geld opnemen, in onderling verband bezien met de verdere bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich naast het pinnen met een gestolen bankpas tevens schuldig heeft gemaakt aan de gewelddadige beroving van naam.

De rechtbank ziet voorts geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever naam dat er drie personen bij de beroving betrokken waren, nu hij in eerste instantie tegenover verbalisant vlak na de beroving in zijn aangifte heeft aangegeven drie verschillende stemmen te hebben gehoord en twee personen te hebben gezien, waarvan hij een signalement heeft gegeven.

Medeplegen veronderstelt een nauwe en bewuste samenwerking tussen de deelnemers. Aangever is naar een afgelegen plek gelokt en zijn naam wordt door iemand geroepen en vervolgens wordt hij naar de grond gewerkt en door drie personen geslagen en geschopt. Aangever moet dan zijn spullen afgeven en zijn pet wordt afgepakt. Vervolgens wordt er door verdachte met de gestolen bankpas geld opgenomen nadat eerder door medeverdachte is gedreigd dat aangever zijn pincode moest geven en anders wordt neergestoken en het maatje nu gaat pinnen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat sprake is van een dermate bewuste en nauwe samenwerking dat gesproken moet worden van medeplegen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF