Veroordeling notaris wegens nagelaten om ongebruikelijke (vastgoed)transacties te melden

Rechtbank Den Haag 14 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12281 Verdachte is notaris en wordt ervan verdacht dat hij vijfmaal ten onrechte geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie bij het daartoe opgerichte meldpunt in de zin van de Wwft. 

Ontvankelijkheid OM

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is, kort gesteld en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat beginselen van een goede procesorde zijn geschonden nu een afdoening van een overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) middels het tuchtrecht voorrang dient te hebben op de strafrechtelijke afdoening. Daarbij is verwezen naar paragraaf 5.1 van de ‘Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldrekening notaris’ van het College van Procureurs-Generaal. Door zonder meer te dagvaarden heeft het openbaar ministerie in strijd gehandeld met de in de Aanwijzing en wetsgeschiedenis gewekte verwachtingen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het Wwft-systeem uitgaat van een ‘risk based’ in plaats van een ‘rule based’ benadering. De wetgever heeft het in eerste instantie aan de beroepsgroep zelf gelaten om in dit verband de norm van het onderzoek naar transacties te bepalen en de wijze waarop daar uitvoering aan moet worden gegeven.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er lichtvaardig is vervolgd en daarbij gewezen op het zogenoemde Zwolsman-criterium.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, kort samengevat, betoogd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Strafrechtelijke handhaving kan gelijk lopen met tuchtrechtelijke handhaving. Voorts heeft zij gewezen op het doel van de Wwft: het aanstellen van poortwachters ter bescherming van het financiële rechtstelsel. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de raadsman teksten niet goed heeft aangehaald. Die teksten hebben namelijk betrekking op een bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke handhaving en niet op een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke handhaving.

Het openbaar ministerie heeft besloten verdachte te vervolgen, omdat hij de norm van de Wwft heeft geschonden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in de wetsgeschiedenis van de Wwft (Samenvoeging van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) — Kamerstukken II 2007-2008, 31 238, nr. 3, p. 34 – het volgende is opgemerkt:

Beide stelsels sluiten de aanvullende rol die strafrechtelijke handhaving voor de naleving van dit wetsvoorstel kan betekenen niet uit. De aard en de ernst van overtredingen van deze wet kan een strafrechtelijke sanctie vergen. Ook de samenhang met andere strafbare feiten of de behoefte aan een opsporingsonderzoek met bijbehorende bevoegdheden kan reden vormen voor strafrechtelijke handhaving. Overtreding van een aantal voorschriften van dit wetsvoorstel is daarom strafbaar gesteld in de Wet op de Economische delicten.

Anders dan door de verdediging is betoogd, geeft naar oordeel van de rechtbank de wetsgeschiedenis expliciet ruimte voor strafrechtelijke handhaving van voorschriften uit de Wwft. De mogelijkheid van tuchtrechtelijke handhaving staat aldus een strafrechtelijke vervolging niet in de weg. Het verweer wordt verworpen.

In het verlengde van het voorgaande wordt ook het verweer dat de Wwft uitgaat van een ‘risk based’ in plaats van een ‘rule based’ systeem, waardoor het aan de beroepsgroep zelf is te beoordelen of een melding moet worden gedaan, verworpen.

De verdediging heeft eveneens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, in die zin dat verdachte uit de wetsgeschiedenis van de Wwft alsmede uit de ‘Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldrekening notaris’ het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.

Reeds gelet op het voorgaande citaat uit de wetsgeschiedenis kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn geweest van een door de overheid in redelijkheid gewekte verwachting. Ook kan een dergelijke verwachting niet worden ontleend aan de door de verdediging aangevoerde Aanwijzing, die overigens ziet op een andere situatie, te weten de verplichting voor de notaris onder bepaalde voorwaarden in een strafrechtelijk onderzoek gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn derdengeldrekening. Bovendien sluit deze aanwijzing strafrechtelijke handhaving geenszins uit. In dat kader overweegt de rechtbank verder dat volgens vaste jurisprudentie de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Voor de opvatting dat in deze zaak lichtvaardig is vervolgd dan wel daaraan geen zorgvuldige afweging ten grondslag zou liggen bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen grond. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat van enige fundamentele schending van de rechten van de verdachte of van beginselen van een goede procesorde niet is gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bewijsoverwegingen

Gelet op de tenlastelegging dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of hiervan inderdaad sprake is en indien dit het geval is – gelet op het verweer van de raadsman – of verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van vijf transacties melding had moeten doen van een ongebruikelijke transactie bij het meldpunt en dat opzettelijk heeft nagelaten. Ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake was van ongebruikelijke transacties heeft de officier van justitie kort samengevat aangevoerd dat er gebruik werd gemaakt van stromannen, adressen afwijkend waren, de transacties door aard, omvang, frequentie en uitvoering ongebruikelijk waren en dat gelden afkomstig waren uit onduidelijke bron en onvoldoende waren gedocumenteerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing heeft de verdediging daartoe kort samengevat het volgende aangevoerd.

Primair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte voldoende onderzoek heeft verricht. Zo heeft hij gevraagd of partijen wisten waar het geld vandaan kwam. De uitkomsten van dit onderzoek waren niet van dien aard dat verdachte diende over te gaan tot het doen van meldingen van ongebruikelijke transacties. Verdachte was er niet van op de hoogte dat gebruik werd gemaakt van stromannen en er was geen sprake van een situatie waarbij de bemiddelaar zowel voor koper als verkoper optrad. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het opzet dan wel voorwaardelijk opzet tot het niet melden van de ongebruikelijke transacties ontbrak, omdat het professionele oordeel van verdachte was dat er geen sprake was van ongebruikelijke transacties. Verdachte was zich er niet van bewust dat hij meldingen diende te doen. In geval van een bewezenverklaring kan slechts de overtreding-variant bewezen worden verklaard en die overtreding is inmiddels verjaard.

De beoordeling rechtbank

 

Adres 1 te Den Haag

Op 18 februari 2009 passeerde verdachte een akte van levering ten aanzien van het appartementsrecht adres 1 te Den Haag. In de akte is het volgende vermeld. De koopprijs van het appartement is €89.000. Verkoper is Betrokkene 2, wonende aan de Woonadres betrokkene 2 te Den Haag en koper is Betrokkene 1, woonachtig aan de Woonadres betrokkene 1 te Den Haag. Koper werd middels een schriftelijke volmacht van 29 september 2004 vertegenwoordigd door Betrokkene 5, wonende aan de Woonadres betrokkene 2 te Den Haag. Betrokkene 5 is gehuwd met Betrokkene 6. De koper gaat het appartementsrecht gebruiken als woning en heeft de koopsom voldaan aan de notaris. Betrokkene 3 heeft op 18 februari 2009 €103.069,60 overgemaakt op de bankrekening van Bedrijfsnaam Notaris ten behoeve van adres 1.

Verdachte heeft over deze levering, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Betrokkene 5 heeft deze transactie in samenspraak Betrokkene 6 op zijn kantoor aangedragen. Met de koper, Betrokkene 1, heeft hij geen direct contact gehad. De volmacht van Betrokkene 1 betrof een algehele volmacht voor alle rechtshandelingen. Aan Betrokkene 1 is een brief verstuurd met daarin een verzoek om gegevens, zoals het telefoonnummer, e-mailadres en wijze van financiering. Daar is geen reactie op gekomen. Betrokkene 2 heeft verteld dat hij het appartement op de veiling had aangekocht voor een veilingschuwe cliënt. Verdachte kende Betrokkene 3 niet en hij heeft geen vragen gesteld over de herkomst van het op de bankrekening van de notaris gestorte geldbedrag. Verdachte heeft geen achterliggende leningdocumentatie opgevraagd. Volgens partijen was het niet nodig dat er hypothecaire zekerheid werd verstrekt voor de koopsom. Dat zou onderling worden geregeld. Op grond van informatie vernomen van makelaars en notarissen wist verdachte ten tijde van de levering dat Betrokkene 6 een bedenkelijke reputatie had. Verdachte wist dat Betrokkene 6 bekend stond als huisjesmelker en matrasverhuurder.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting overzichten uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de historische gegevens ten aanzien van de verblijfplaatsen van Betrokkene 5, Betrokkene 1 en Betrokkene 2 overgelegd. Hieruit volgt dat Betrokkene 5 per 15 januari 2009 en Betrokkene 2 per 16 december 2008 een adres in het buitenland hadden en ten tijde van de levering van de adres 1 derhalve geen officieel adres in Nederland hadden. Van de koper, Betrokkene 1, was zelfs in het geheel niets bekend in het GBA. Het verzoek om informatie betreffende de koper, dat verdachte naar het adres van de koper stuurde, werd niet beantwoord. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake van een situatie als bedoeld in indicator B3 uit voornoemde indicatorenlijst.

De rechtbank acht voorts indicator D2 hier van toepassing is: de aard en de uitvoering van de levering zijn ongebruikelijk. Immers, de transactie werd onder meer aangedragen door Betrokkene 6, een bij verdachte als bekendstaande huisjesmelker met een bedenkelijke reputatie. De koopprijs werd betaald door een derde zonder dat daar hypothecaire zekerheid voor werd gegeven. De koper werd vertegenwoordigd door de vrouw van Betrokkene 6. De volmacht die hieraan ten grondslag lag, was een algehele volmacht voor het verrichten van alle rechtshandelingen en ten tijde van de levering vierenhalf jaar oud. Verdachte heeft geen contact gehad met de koper. Zowel de verkoper als de gemachtigde van de koper zeiden op hetzelfde adres te wonen, zonder dat ze daar blijkens het GBA staan ingeschreven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook indicator E3 aan de orde is: de herkomst van de gelden is onduidelijk en onvoldoende gedocumenteerd. Immers, een derde betaalt de koopsom zonder dat duidelijk is uit welke bron dit geld afkomstig is en deze bron is niet gedocumenteerd. Deze laatste indicator E3, komt ook voor in de checklist in het geval van ABC, AB en BC transacties. Het betrof hier een BC transactie waarbij de herkomst van de koopsom dubieus was. Dat verdachte aan partijen heeft gevraagd of zij wisten waar het geld vandaan kwam, waarop deze bevestigend antwoordden, doet aan het voorgaande niets af.

Adres 2 te Den Haag

Op 30 november 2009 passeerde verdachte een akte van levering ten aanzien van het appartementsrecht adres 2 te Den Haag. In de akte is het volgende vermeld. De koopprijs van het appartement is €90.000 en is voldaan op de rekening van de notaris. Verkoper is Betrokkene 4 en koper is Betrokkene 6, gehuwd met Betrokkene 5. De koper gaat het appartementsrecht gebruiken als woning.

Op 1 december 2009 passeerde verdachte een akte van levering ten aanzien van het appartementsrecht adres 2 te Den Haag. In de akte is het volgende vermeld. De koopprijs van het appartement is €90.000. Verkoper is Betrokkene 6, wonende aan de Woonadres betrokkene 2 te Den Haag en koper is Betrokkene 1, woonachtig aan de Woonadres betrokkene 2 te Den Haag. Koper werd vertegenwoordigd door Betrokkene 5, wonende aan de Woonadres betrokkene 2 te Den Haag, middels een schriftelijke volmacht van 29 september 2004. Betrokkene 5 is gehuwd met Betrokkene 6. De koper gaat het appartementsrecht gebruiken als woning en heeft de koopsom voldaan aan de notaris. In de akte van levering van de adres 1 te Den Haag, verleden op 18 februari 2009, is opgenomen dat dezelfde koper, Betrokkene 1, zou gaan wonen op de Escamplaan. Betrokkene 7 heeft op 27 november 2009 €90.354,53 overgemaakt op de bankrekening van Bedrijfsnaam Notaris ten behoeve van de aankoop van de adres 2.

Verdachte heeft over deze levering, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Betrokkene 5 en Betrokkene 6 hebben deze transacties en de koopaktes bij zijn kantoor aangeleverd. Betrokkene 7 was geldschieter van Betrokkene 1. Verdachte heeft aan Betrokkene 5 gevraagd of zij wist van wie en waar het geld vandaan kwam en of zij de onderlinge schuldverhouding regelde, waarop Betrokkene 5 positief antwoordde. Betrokkene 1 had middels Betrokkene 5 toestemming gegeven aan Betrokkene 6 om het geleende bedrag in eerste instantie aan te wenden voor de aankoop alvorens te leveren aan Betrokkene 1. Verdachte heeft geen leningdocumentatie opgevraagd. Met de koper, Betrokkene 1, heeft verdachte geen direct contact gehad. Aan Betrokkene 1 is een brief verstuurd met daarin een verzoek om gegevens, zoals het telefoonnummer, e-mailadres en wijze van financiering. Daar is geen reactie op gekomen. Op grond van informatie verkregen van makelaars en notarissen wist verdachte ten tijde van de levering dat Betrokkene 6 een bedenkelijke reputatie had. Verdachte wist dat Betrokkene 6 bekend stond als huisjesmelker en matrasverhuurder.

Er is sprake van een ABC transactie waarbij uiteindelijk Betrokkene 1 het appartementsrecht kreeg geleverd, net als bij de levering van de adres 1. Ook bij deze ABC transactie zijn Betrokkene 6 en Betrokkene 5 degenen die de feitelijke betrokkenen waren bij de transactie: zij leverden de transacties en de koopovereenkomsten aan. Net als bij de levering van de adres 1 heeft verdachte geen contact gehad met de uiteindelijke koper Betrokkene 1. Ook in dit geval werd de koopsom voor Betrokkene 1 door een andere private partij voldaan, waarbij Betrokkene 1 dit bedrag middels Betrokkene 5 kennelijk eerst aan Betrokkene 6 heeft uitgeleend om de eerste levering mee te financieren. Deze omstandigheden in samenhang met de omstandigheid dat verdachte wist dat Betrokkene 6 een bedenkelijke reputatie had leidt tot het oordeel van de rechtbank dat Betrokkene 1 kennelijk als stroman werd gebruikt. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank indicator B2 aan de orde.

Uit de akte van levering blijkt dat Betrokkene 6, Betrokkene 5 en Betrokkene 1 allen op hetzelfde woonadres – Woonadres betrokkene 2 te Den Haag – zouden wonen. Uit de door de officier van justitie overgelegde overzichten uit het GBA ten aanzien van Betrokkene 6, Betrokkene 5, en Betrokkene 1 volgt dat zij niet stonden in geschreven op het adres Woonadres betrokkene 2 te Den Haag. Betrokkene 6 had per 4 september 2009 een adres in het buitenland, Betrokkene 5 had per 30 juni 2009 een adres in het buitenland en over Betrokkene 1 was in het geheel niet bekend in het GBA. Bovendien had Betrokkene 1 op 18 februari 2009 eerder ook een appartementsrecht aan de adres 1 te Den Haag gekocht waarin zij zelf zou gaan wonen. Verdachte had ook deze akte gepasseerd. Betrokkene 1 heeft opnieuw een appartementsrecht gekocht. Het adres 1 te Den Haag is niet als woonadres opgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het vorenstaande voorts indicator B3 van toepassing.

De rechtbank is net als bij de levering van de adres 1 ook bij deze levering van oordeel dat eveneens de indicatoren D2 (de aard en de uitvoering van de levering zijn ongebruikelijk) en E3 (de herkomst van de gelden is onduidelijk en onvoldoende gedocumenteerd) aan de orde zijn. Aangezien deze situaties op zijn minst gelijk zijn aan de levering van de adres 1 verwijst de rechtbank voor de motivering naar hetgeen zij reeds eerder ten aanzien van deze indicatoren heeft overwogen. Voor zover de levering van de adres 2 afwijkt van de levering van de adres 1, te weten de gestelde woonplaats van koper Betrokkene 1 en de omstandigheid dat de door Betrokkene 7 betaalde koopprijs door Betrokkene 1 middels Betrokkene 5 aan Betrokkene 6 is geleend, zijn dit omstandigheden die het bestaan van de indicatoren verder bevestigen.

Adres 3 te Den Haag

Op 6 april 2010 passeerde verdachte een akte van levering ten aanzien van het appartementsrecht adres 3 te Den Haag. In de akte is het volgende vermeld. De koopprijs van het appartement is €53.500. Verkoper is Betrokkene 9 en koper is Betrokkene 8, woonachtig in Suriname. Koper werd middels een schriftelijke volmacht vertegenwoordigd door Betrokkene 10. De koper gaat het verkochte gebruiken als woning en heeft de koopsom voldaan aan de notaris. Betrokkene 7 heeft op 6 april 2010 €42.825,30 overgemaakt op de bankrekening van Bedrijfsnaam Notaris ten behoeve van de aankoop van de adres 3.

Verdachte heeft over deze levering, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Betrokkene 6 heeft deze transactie en de koopakte bij mijn kantoor aangeleverd. Betrokkene 7 heeft €42.825,30 overgemaakt op de rekening van het notariskantoor. Daarnaast heeft de heer Betrokkenen 11 €17.476,46 middels een notariskantoor overgemaakt. Aan Betrokkenen 11 is door Betrokkene 8 een recht van hypotheek verstrekt. Verdachte heeft aan Betrokkene 10 gevraagd of hij wist van wie de koopsom afkomstig was en of er nog zekerheid gesteld diende te worden, waarop Betrokkene 5 antwoordde dat hij wist waar het geld vandaan kwam en dat er geen verdere hypotheek gevestigd hoefde te worden. Verdachte heeft geen leningdocumentatie opgevraagd. Hij heeft niet gevraagd hoe Betrokkene 7 aan het geld kwam. Op grond van informatie verkregen van makelaars en notarissen wist verdachte ten tijde van de levering dat Betrokkene 6 een bedenkelijke reputatie had. Verdachte wist dat Betrokkene 6 bekend stond als huisjesmelker en matrasverhuurder.

De rechtbank is van oordeel dat indicator D2 van toepassing is: de aard en de uitvoering van de levering zijn ongebruikelijk. Immers, de transactie werd onder meer aangedragen door Betrokkene 6, waarvan verdachte wist dat hij bekend stond als huisjesmelker met een bedenkelijke reputatie. De koopprijs werd gedeeltelijk betaald door een derde zonder dat daar hypothecaire zekerheid voor werd gegeven. Uit overzichten uit het GBA ten aanzien van Betrokkene 10 en Betrokkene 5 volgt dat zij halfbroer en halfzus zijn. De koper werd aldus vertegenwoordigd door de halfbroer van de vrouw van Betrokkene 6.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook indicator E3 van toepassing is: de herkomst van de gelden is onduidelijk en onvoldoende gedocumenteerd. Immers, derden betaalden de koopsom zonder dat duidelijk is uit welke bronnen dit geld afkomstig is en deze bronnen zijn niet gedocumenteerd. Betrokkene 7 had bovendien ruim vier maanden eerder de aankoop van de adres 2 gefinancierd. Dat verdachte aan partijen heeft gevraagd of zij wisten waar het geld vandaan kwam, waarop deze bevestigend antwoordden, doet aan het voorgaande niets af.

 

Adres 4 te Rotterdam

Op 20 mei 2010 passeerde verdachte een akte van levering ten aanzien van het appartementsrechten adres 4 te Rotterdam. In de akte is het volgende vermeld. De koopprijs van het appartementen is €135.000. Verkoper is Betrokkene 12 en koper is Betrokkene 8, woonachtig in Suriname. Koper werd middels een schriftelijke volmacht vertegenwoordigd door Betrokkene 10. De koper heeft de koopsom voldaan aan de notaris. In de akte van levering van de adres 3 te Den Haag, verleden op 6 april 2010 is opgenomen dat de koper, Betrokkene 8 het appartement zelf zou gaan bewonen.

Betrokkene 13 heeft op 26 februari 2010 €135.300 overgemaakt op de bankrekening van Bedrijfsnaam Notaris ten behoeve van een persoonlijke lening ten behoeve van de aankoop van de adres 4Verdachte heeft over deze levering, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Betrokkene 6 en Betrokkene 5 hebben deze transacties en de koopakte bij zijn kantoor aangeleverd. Betrokkene 13 was geldschieter van Betrokkene 8. Verdachte heeft aan de gevolmachtigde van Betrokkene 8, Betrokkene 10, gevraagd of hij wist waar het geld vandaan kwam en of het onderling werd geregeld, waarop Betrokkene 10 bevestigend antwoordde. Verdachte heeft geen leningdocumentatie opgevraagd. Op grond van informatie verkregen van makelaars en notarissen wist verdachte ten tijde van de levering dat Betrokkene 6 een bedenkelijke reputatie had. Verdachte wist dat Betrokkene 6 bekend stond als huisjesmelker en matrasverhuurder.

De koper Betrokkene 8 had anderhalve maand eerder ook een appartement aan de adres 3 te Den Haag gekocht waarin zij zelf zou gaan wonen. Verdachte heeft deze akte gepasseerd. Nu Betrokkene 8 weer een appartement heeft gekocht en stelde daar te willen gaan wonen en niet woonachtig te zijn in de adres 3 te Den Haag, maar in Suriname, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van indicator B3: het correspondentieadres wijkt af van het werkelijke adres.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat indicator D2 aan de orde is: de aard en de uitvoering van de levering zijn ongebruikelijk. Immers, de transactie werd onder meer aangedragen door Betrokkene 6, waarvan verdachte wist dat hij bekend stond als een huisjesmelker met een bedenkelijke reputatie. De koopprijs werd betaald door een derde zonder dat daar hypothecaire zekerheid voor werd gegeven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook indicator E3 van toepassing is: de herkomst van de gelden is onduidelijk en onvoldoende gedocumenteerd. Immers, een derde heeft de koopsom betaald zonder dat duidelijk is uit welke bronnen dit geld afkomstig is en deze bronnen zijn niet gedocumenteerd. Dat verdachte aan partijen heeft gevraagd of zij wisten waar het geld vandaan kwam, waarop deze bevestigend antwoordden, doet aan het voorgaande niets af.

 

Algeheel oordeel van de rechtbank ten aanzien van de transacties

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op verdachte de plicht rustte om van deze transacties melding te maken bij het meldpunt. Niet alleen de enkele transacties op zichzelf beschouwd hadden aanleiding moeten geven om deze aan te merken als ongebruikelijk, maar ook in onderlinge samenhang bezien, waarbij hetzelfde patroon steeds als ongebruikelijk had moeten worden aangemerkt. Immers, de bij verdachte als dubieus bekend staande Betrokkene 6 heeft deze transacties steeds aangebracht waarbij de koper middels volmacht werd vertegenwoordigd door zijn vrouw of de halfbroer van zijn vrouw en waarbij de koopprijs door een derde werd voldaan zonder dat daar hypothecaire zekerheid tegenover stond.

Onbetwist staat vast dat verdachte ten aanzien van deze ongebruikelijke transacties geen melding bij het meldpunt heeft gedaan.

De rechtbank overweegt dat het opzet in het economisch strafrecht ‘kleurloos’ is. De voorschriften van de Wwft betreffen ordeningsrecht. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt. Er hoeft derhalve, anders dan door de raadsman aangevoerd, niet te worden bewezen dat er wetenschap was van het feit dat er sprake was van een ongebruikelijke transactie. Dat deze vijf transacties een klein gedeelte betroffen van alle transacties die het notariskantoor in de ten laste gelegde periode heeft begeleid, doet aan het voorgaande niets af. Dat verdachte (zoals ter zitting gesteld) in de periode november 2008 – november 2014 48 andere meldingen heeft gedaan, doet daar evenmin iets aan af.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wwft.

Bewezenverklaring

Opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €47.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF