Veroordeling gebruik maken van valse geschriften: verdachte heeft in klaagschriftprocedure bij de rechtbank over in beslag genomen geld een drietal valse geschriften aan de rechtbank overgelegd

Rechtbank Amsterdam 2 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7143

Naar aanleiding van een aangifte van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, dat een onderzoek deed naar een facilitator, waar een belastingplichtige tussen zat wiens aangifte over 2013 door middel van het IP-adres van de eenmanszaak Assurantie- en Administratiebureau naam eenmanszaak was ingediend, heeft het team systeemfraude van de Belastingdienst een query gedraaid op het IP-adres van naam eenmanszaak. Uit de resultaten van deze query bleek dat via dit IP-adres honderden aangiften inkomstenbelasting waren ingediend. In bijna alle gevallen waren specifieke zorgkosten opgevoerd, in afgeronde bedragen. Het IP-adres stond op naam van medeverdachte, eigenaar van voornoemd eenmansbedrijf. De medeverdachte is getrouwd met verdachte.

Uit nader onderzoek rees bij de Belastingdienst het vermoeden dat sprake was van frauduleus aangiftegedrag, wat voor de Belastingdienst aanleiding was om het onderzoek naar naam eenmanszaak bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst aan te melden. Het onderzoek van de FIOD heeft ertoe geleid dat op 17 februari 2015 een doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van verdachte en de medeverdachte heeft plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking is een contant geldbedrag van in totaal €124.930 aangetroffen, waarvan €115.550 zich in een koffer bevond, die voorzien was van een label op naam van haar echtgenoot, medeverdachte. Verdachte heeft verklaard dat het in de koffer aangetroffen geldbedrag van haar is. Zij zou het geld hebben gespaard en een deel hiervan hebben verdiend tijdens haar loondienstbetrekking bij bedrijf 1 en bedrijf 2.

In de klaagschriftprocedure om het in beslag genomen geld terug te krijgen, heeft de voormalige advocaat van verdachte een drietal documenten overgelegd, te weten een arbeidsovereenkomst, een jaaropgaaf en een salarisspecificatie, alle van bedrijf 1 en bedrijf 2.

Tot slot zijn in het kader van het onderzoek meerdere belastingplichtigen over hun aangifte inkomstenbelasting gehoord. Gedurende dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat verdachte een aantal van hen heeft verzocht om de door hen reeds bij de FIOD afgelegde verklaring in te trekken, dan wel bij eventueel nieuwe verhoren zich te beroepen op hun zwijgrecht.

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de haar ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Feit 1

Uit de verklaringen van persoon 1 en persoon 2 en de onderzoeksbevindingen van de FIOD volgt dat verdachte gedurende het strafrechtelijk onderzoek persoon 3, persoon 4, persoon 1 en persoon 2, welke als getuigen door de FIOD zijn gehoord, heeft gevraagd om hun reeds bij de FIOD afgelegde verklaring in te trekken, dan wel om, indien zij (nog een keer) door de FIOD zouden worden gehoord, zich te beroepen op het zwijgrecht.

Feit 2

Ten aanzien van het in de koffer aangetroffen contante geldbedrag heeft verdachte verklaard dat het geld van haar was en dat zij het heeft uitgeleend aan haar naam stichting 1. Zij had dit geldbedrag voor de euroconversie gespaard uit haar salaris bij een bedrijf in het jaar 2000/2001. Daarnaast was er een bedrag van €30.000 betaald door de naam stichting 2, waarvan €20.000 contant. De verklaring van verdachte is geverifieerd en deze blijkt niet aannemelijk te zijn geworden. Verdachte heeft geen (zodanig) legaal inkomen gehad dat het in de koffer aangetroffen geldbedrag zou kunnen verklaren. Daarnaast is gebleken dat een groot deel van de aangetroffen geldbiljetten nog na 18 februari 2008 bij De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) zijn binnengekomen en vervolgens gesorteerd, hetgeen niet strookt met de verklaring van verdachte dat zij deze biljetten bij het wisselen van guldens naar euro’s in 2002 van de bank heeft ontvangen. Tot slot is van een geldleenovereenkomst tussen verdachte en haar naam stichting 1 niet gebleken.

De in de woning van verdachte aangetroffen contante geldbedragen kunnen geen legale herkomst hebben. Nu niet is gebleken dat deze geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn, kan het niet anders zijn dan dat zij – middellijk of onmiddellijk – van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist.

Ten aanzien van feit 3

Tot slot heeft verdachte in de eerder genoemde klaagschriftprocedure bij de rechtbank over het in beslag genomen geld een drietal geschriften aan de rechtbank overgelegd. Deze geschriften zien op haar dienstbetrekking bij bedrijf 1 en bedrijf 2 en zouden (deels) het in de koffer aangetroffen geldbedrag moeten verklaren. Gelet op de onderzoeksresultaten van de FIOD met betrekking tot de juistheid van de geschriften en de verklaring van de getuige persoon 5, voormalig eigenaar van bedrijf 1 en bedrijf 2, blijkt dat de door verdachte aan de rechtbank overgelegde geschriften vals zijn en dat verdachte hiervan gebruik heeft gemaakt in de klaagschriftprocedure.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de haar ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. 

Verdachte ontkent dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan beïnvloeding van getuigen. De getuigen persoon 3 en persoon 4 hebben niets verklaard waaruit kan volgen dat verdachte hen mogelijk zou hebben benaderd en beïnvloed. Ten aanzien van de getuigen persoon 2 en persoon 1 bevat het dossier onvoldoende bewijs waaruit kan blijken dat zij door verdachte zijn beïnvloed, dan wel dat sprake is geweest van een gedraging die valt onder de strafbaarstelling van artikel 285a van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van het in de koffer aangetroffen geldbedrag heeft verdachte verklaard dat dit van haar is. Verdachte stelt dat zij in de periode van 1990 tot 2000 (een groot deel van) haar salaris heeft gespaard en hiervan in totaal fl. 300.000 contant heeft opgenomen. Vanaf juli 2000 heeft zij een jaar gewerkt bij bedrijf 1 en bedrijf 2. In deze periode heeft zij ongeveer €32.000 contant aan salaris ontvangen. In het jaar 2002 hebben verdachte en de medeverdachte hun bedrijf genaamd “bedrijf 3” verkocht. Verdachte heeft kortom over de jaren heen veel contant geld opgenomen en ontvangen. Gelet op de door verdachte afgelegde verklaring en de door haar ingebrachte stukken ter onderbouwing hiervan, heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van legaal geld. Voorts stelt verdachte zich op het standpunt dat de door haar overgelegde documenten echt en onvervalst zijn.

Voor wat betreft de overige in de woning van verdachte aangetroffen geldbedragen blijkt niet dat verdachte wist van de aanwezigheid hiervan, dan wel dat zij beschikkingsmacht had over deze geldbedragen. De geldbedragen zijn bovendien niet van een dusdanige omvang dat het niet anders kan zijn dan dat het van enig misdrijf afkomstig is.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de door de FIOD gehoorde getuigen persoon 3 en persoon 4 onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte opzettelijk deze personen heeft beïnvloed om in alle vrijheid ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen.

Daarvoor is redengevend dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte deze getuigen heeft beïnvloed, te minder nu persoon 3 en persoon 4 hierover geen verklaring hebben afgelegd, daarover niet nader zijn bevraagd en er geen nader onderzoek naar de in dit verband van belang zijnde stukken is gedaan. Het enkele vermoeden dat verdachte hen zou hebben beïnvloed, doordat op de uitnodigingsbrief van persoon 3 ‘beroep op zwijgrecht’ staat geschreven en dat een brief op naam van persoon 4, inhoudende dat er onjuistheden in het proces-verbaal van zijn verhoor zitten, qua opmaak overeenkomt met de brief op naam van persoon 2 waarvan hij zegt dat deze door verdachte is opgesteld, is hiervoor onvoldoende.

De door persoon 1 en persoon 2 afgelegde verklaringen zijn eveneens onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De getuigen persoon 1 en persoon 2 hebben ten overstaan van de FIOD een verklaring afgelegd, inhoudende dat verdachte hun heeft verzocht om eerder afgelegde verklaringen bij de FIOD in te trekken, dan wel in geval van nieuwe verhoren zich te beroepen op hun zwijgrecht.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuigen, maar hun verklaringen worden niet ondersteund door ander bewijs. De enige bron waaruit kan worden afgeleid dat verdachte persoon 1 dan wel persoon 2 zijn beïnvloed, zijn persoon 1 en persoon 2 zelf en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen gelet op het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van hetgeen haar onder 1 ten laste is gelegd.

Feit 2

Op 17 februari 2015 is de woning van verdachte en de medeverdachte doorzocht. Tijdens de doorzoeking is een contant geldbedrag van in totaal €124.930 aangetroffen. Het overgrote deel hiervan bevond zich in een koffer, te weten een bedrag van in totaal €115.550. Het in de koffer aangetroffen geldbedrag bestond uit 71 biljetten van €500, 123 biljetten van €200, 216 biljetten van €100 en 677 biljetten van €50. Op de koffer stonden de initialen “ initialen medeverdachte ”, vermoedelijk “ medeverdachte ” (medeverdachte) en was een label bevestigd met de personalia van de medeverdachte. Verdachte heeft verklaard dat het in de koffer aangetroffen geldbedrag van haar is. Ook heeft zij verklaard dat de medeverdachte hiervan op de hoogte was en dat hij heeft geholpen met het tellen van het geld.2

Verder is in de werkkamer van de medeverdachte €6.775 aangetroffen. In de slaapkamer van verdachte en de medeverdachte is €1.120 aangetroffen. Tot slot is in de slaapkamer van de dochter van verdachte en de medeverdachte €1.485 aangetroffen.3

Uit onderzoek blijkt dat vanaf 1 september 2006 in totaal 470 van de 1.087 in de koffer aangetroffen biljetten zijn geregistreerd door DNB, met een gezamenlijke waarde van €26.250.

Nadere overweging

De rechtbank stel voorop dat voor een veroordeling ter zake (schuld)witwassen, dient te worden bewezen dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Slechts dan kan tot een bewezenverklaring worden gekomen als

  1. er gelet op alle omstandigheden waaronder de bij verdachte aangetroffen contante geldbedragen zijn aangetroffen, een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat sprake is van witwassen en
  2. de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld geeft, zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel terzijde behoort te worden gesteld,

zodat het op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat de desbetreffende geldbedragen geheel of gedeeltelijk – middellijk of onmiddellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Gerechtvaardigd vermoeden?

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich aan (schuld)witwassen schuldig heeft gemaakt, dient als uitgangspunt te worden genomen dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het onder 2 ten laste gelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Daarom zal ten eerste moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is.

Tijdens de doorzoeking van de t woning van verdachte en de medeverdachte is in totaal een contant geldbedrag van €124.930 aangetroffen. Het overgrote deel hiervan bevond zich in een koffer, te weten een bedrag van in totaal €115.550.

Het fysiek bewaren van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. Gelet hierop en gelet op

  • het nalaten van het aan de Belastingdienst opgeven van het in de koffer aangetroffen gespaarde geldbedrag;
  • het niet gebruik maken van gangbaar financieel verkeer;
  • de omstandigheid dat criminaliteit veelal gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld in diverse, vaak ook grote coupures van €500, die in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn,

is de rechtbank van oordeel dat meerdere typologieën van witwassen op deze zaak van toepassing zijn op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.

Gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.

Verifieerbare verklaring?

Verdachte heeft gedurende het strafrechtelijk onderzoek en ter terechtzitting meerdere en wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het grote geldbedrag in de koffer. Zo heeft zij verklaard dat zij vanaf september 1979 tot december 1994 – ten tijde van haar dienstverband bij bedrijf 4 haar volledige salaris – in totaal fl. 120.000 heeft gespaard. Ook heeft verdachte verklaard dat zij één jaar bij het bedrijf 1 en bedrijf 2 heeft gewerkt, alwaar zij ongeveer €3.000 per maand verdiende. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij fl. 3.000 netto per maand verdiende. Haar salaris werd contant uitbetaald, in totaal €32.000. In het jaar 2007 heeft zij de naam stichting 1 opgericht. Het aangetroffen geld zou zij contant en per kas als startkapitaal hebben ingebracht in de vorm van een lening, ten bewijze waarvan verdachte bij de FIOD door haar opgemaakte jaarstukken, bestaande uit 2 bladzijden, heeft overgelegd, die zich bij de stukken bevinden. Verdachte heeft verder verklaard dat zij een optie op 77 graven had genomen. In 2009 heeft zij deze optie opgezegd. De naam stichting 2 heeft hiervoor in totaal €30.000 betaald, waarvan €20.000 contant, aldus verdachte.

Tot slot heeft verdachte verklaard dat zij haar spaargeld in eerste instantie op een bankrekening had staan, maar – aldus de pleitnotities van de raadsvrouw van verdachte – dat zij dit in de periode van december 1990 tot 2000 – ruim fl. 300.000 – contant heeft opgenomen.

De aangetroffen €500 biljetten heeft zij van de bank ontvangen toen zij in 2002 guldens naar euro’s ging omwisselen.

Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek gedaan naar de, uit de verklaring van verdachte blijkende, herkomst van haar alternatieve inkomsten. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken:

  • uitgaande van de verklaring van verdachte, zou zij ten tijde van haar dienstverband bij de bedrijf 4 haar volledige salaris hebben gespaard en in diezelfde periode met de medeverdachte twee woningen hebben gekocht en hun vijf kinderen hebben onderhouden;
  • de voormalig eigenaar van bedrijf 1 en bedrijf 2 heeft verklaard dat verdachte 5 a 6 maanden bij hem heeft gewerkt, dat het salaris van verdachte via de bank werd uitbetaald en dat het door haar gestelde netto maandsalaris niet klopt;
  • de beheerster van de naam stichting 2 heeft verklaard dat de door verdachte gestelde betalingen niet hebben plaatsgevonden en dat de stichting nooit €20.000 contant aan naam stichting 1 heeft betaald;
  • vanaf 1 september 2006 zijn van de 1.087 in de koffer aangetroffen biljetten in totaal 407 biljetten geregistreerd door De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) met een gezamenlijke waarde van €26.250;
  • de vordering van verdachte op haar naam stichting 1 is niet in haar aangifte inkomstenbelasting opgevoerd.

Ter zitting is verder gebleken dat er geen leningsovereenkomst bestaat tussen verdachte en de naam stichting 1 en dat de “jaarstukken” van deze stichting, waaruit blijkt dat de “lening” contant per kas aan de stichting is verstrekt, door verdachte zelf zijn opgesteld en dat daarop geen controle door een onafhankelijke derde, bijvoorbeeld een accountant, is uitgevoerd.

Uit de stukken blijkt verder dat verdachte al enige tijd geen inkomen heeft en dat haar echtgenoot een relatief laag inkomen behaalt met zijn adviesbureau.

De rechtbank komt, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, tot de conclusie dat verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het in de koffer aangetroffen geldbedrag. Voor zover de verklaringen van verdachte wel geverifieerd konden worden, bleken deze onjuist en tegenstrijdig met elkaar te zijn.

Witwassen?

Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat het, op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De omstandigheid dat mogelijk een deel van het in de koffer aangetroffen geldbedrag daadwerkelijk op legale wijze door verdachte is verworven, doet niet af aan het oordeel dat ten aanzien van het gehele bedrag sprake is van witwassen, nu uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat, wanneer van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als geheel uit misdrijf afkomstig.

Uitzondering overige aangetroffen contante geldbedragen

De rechtbank is ten aanzien van de overige aangetroffen contante geldbedragen van oordeel dat, gelet op de wijze waarop deze bedragen in de woning van verdachte zijn aangetroffen en gezien de relatief geringe hoogte hiervan, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat deze geldbedragen een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enig aanvaardbare verklaring kan gelden. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte deze geldbedragen – groot €9.380 – heeft witgewassen, zodat zij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Feit 3

Op 24 juli 2015 is namens verdachte bij de Rechtbank Amsterdam een klaagschrift ingediend ex artikel 552a Sv. In het klaagschrift wordt melding gemaakt dat het in de koffer aangetroffen en inbeslaggenomen contante geldbedrag toebehoort aan verdachte. Het geldbedrag zou verdachte hebben verdiend tijdens haar loondienstbetrekkingen bij bedrijf 4, Randstad Uitzendbureau en bedrijf 1 en bedrijf 2.

Als bijlagen bij het klaagschrift zijn drie documenten opgenomen, te weten:

  • een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en bedrijf 1 en bedrijf 2 ;
  • een jaaropgave 2000 van bedrijf 1 en bedrijf 2, ten name van verdachte;
  • een salarisspecificatie van 23 mei 2001 van bedrijf 1 en bedrijf 2, ten name van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij voornoemde documenten naar haar voormalige advocaat heeft opgestuurd om die bij het klaagschrift te voegen.

De voormalig eigenaar van bedrijf 1, persoon 5, heeft verklaard dat verdachte bij hem in dienst is geweest en dat haar arbeidsovereenkomst conform de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) in het schoonmaak en glazenwassersbedrijf was. Het salaris van verdachte was eveneens conform de cao en werd via de bank uitbetaald. persoon 5 herkende de hem getoonde arbeidsovereenkomst tussen verdachte en bedrijf 1 en bedrijf 2 niet. Volgens persoon 5 is bovendien het in de arbeidsovereenkomst vermelde netto loon van fl. 5.100 per maand veel te hoog en mist er een stempel van zijn bedrijf op de arbeidsovereenkomst. Volgens persoon 5 is de jaaropgave 2000 niet afkomstig van bedrijf 1 en bedrijf 2 en vermeldt deze niet –zoals gebruikelijk- de naam van het bedrijf.

Hieraan valt nog toe te voegen dat blijkens het door de FIOD verrichte onderzoek verdachtes inkomen, uitgaande van de salarisspecificatie, in totaal fl. 116.447 bruto per jaar zou hebben bedragen. In dat geval lag haar inkomen hoger dan de maximumloongrens ter zake van de Ziekenfondswet en was zij niet verzekeringsplichtig voor de Ziekenfondswet. Volgens de salarisspecificatie hebben echter wel inhoudingen op haar loon plaatsgevonden voor de Ziekenfondswet.

Op basis van de destijds geldende cao was voorts de best betaalde functie binnen de schoonmaakbranche die van objectleider. Een objectleider met 12 jaar werkervaring verdiende in het jaar 2000 fl. 22,61 bruto per uur. Verdachte genoot – zonder werkervaring – volgens de documenten fl. 53,49 bruto per uur. Verder schrijft de cao voor dat uitbetaling van het loon giraal plaatsvindt en dat binnen 14 dagen na afloop van een loontijdvak een salarisspecificatie aan de werknemer verstrekt moet worden. Op de salarisspecificatie van 23 mei 2001 (over april) staat met de hand geschreven dat uitbetaling van het loon per kas heeft plaatsgevonden. Verder had deze salarisspecificatie voor 15 mei 2001 verstrekt moeten worden aan verdachte.

Tot slot zijn, ondanks verplichte deelname aan het bedrijfspensioenfonds en de naam stichting 3, geen premies op het loon van verdachte ingehouden.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte opgestuurde en namens haar overgelegde documenten vals zijn en dat verdachte ten behoeve van de klaagschriftprocedure hiervan opzettelijk gebruik heeft gemaakt, als ware deze documenten echt en onvervalst. Het onder 3 ten laste gelegde kan dus bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: medeplegen van schuldwitwassen; 
  • Feit 3: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. 

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uren. 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF