Veroordeling boekhouder voor verduistering van ruim 2,5 miljoen in dienstbetrekking en medeplegen van gewoontewitwassen

Rechtbank Oost-Brabant 4 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1599

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en aan medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 1

De heer slachtoffer 1 van bedrijf 1 in Veghel doet aangifte van verduistering van geld door hun boekhouder verdachte, verdachte. Op 12 oktober 2011 is de fraude binnen het bedrijf ontdekt. Verdachte is in februari 2005 bij het bedrijf in dienst gekomen. Mevrouw medeverdachte, medeverdachte in de onderhavige strafzaak, was zijn assistente. Verdachte en medeverdachte waren verantwoordelijk voor de administratie van het bedrijf tot oktober 2011. verdachte was de enige die de betalingen deed. Het bedrijf heeft accountantskantoor Deloitte de omvang van de verduistering en de dientengevolge ontstane schade voor het bedrijf laten onderzoeken. Het rapport van Deloitte maakt onderdeel uit van het dossier.

De rechtbank merkt op evenals de officier van justitie het rapport van Deloitte als uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van feit 1. Het betreft een rapport van een gerenommeerd accountantskantoor en de rechtbank verstaat dat onafhankelijk onderzoek door dit kantoor is verricht zoals ook is verwoord op pagina 6 van het rapport van Deloitte, zodat de rechtbank geen reden heeft om aan de bevindingen en onderzoeksresultaten van Deloitte als neergelegd in het rapport te twijfelen.

Verdachte bekent het feit te hebben gepleegd. Hij heeft jarenlang in zijn functie als boekhouder wederrechtelijk geldbedragen onttrokken en zich deze gelden van zijn werkgever toegeëigend.

Geconfronteerd met de inhoud van tabel 5, weergevende onder meer een overzicht van de onttrekkingen per jaar, waarbij de bedragen zijn onderverdeeld in bedragen welke rechtstreeks naar bankrekeningen van “verdachte en/of medeverdachte” zijn overgemaakt, als vermeld op pagina 31 van het rapport van Deloitte, heeft verdachte erkend gelden te hebben overgemaakt van de rekening van zijn werkgever naar zijn eigen bankrekeningen, naar die van zijn broer en diens echtgenote, naar zijn eigen en/of rekening met zijn (inmiddels ex-) echtgenote, naar bankrekeningen van medeverdachte en naar een en/of rekening van verdachte met medeverdachte. Hoewel de exacte hoogte van de onttrokken bedragen verdachte niet meer bijstaat, heeft verdachte verklaard dat het totaalbedrag van de onttrekkingen loopt in de miljoenen. Ook heeft verdachte erkend dat hij heeft gehandeld bij bovenomschreven onttrekkingen zoals in het rapport van Deloitte is gerelateerd, met dien verstande dat hij kort gezegd de betalingen/overschrijvingen codeerde, zogenoemde code-betalingen, en op diverse wijzen wegwerkte in de financiële administratie zonder een deugdelijk controlespoor, zodat deze niet direct tot verdachte te herleiden waren. Geconfronteerd met de overigens in eerder genoemde tabel 5 vermelde discutabele betalingen, als zodanig benoemd om reden dat hier mogelijk sprake was van onterechte betalingen aan derden, heeft verdachte eveneens erkend dat hij betalingen/overschrijvingen heeft verricht aan derden, niet zijnde personen of bedrijven die een (zakelijke) relatie onderhielden met verdachtes werkgever bedrijf 1. Ook ten aanzien hiervan staat verdachte de hoogte van de bedragen niet meer bij. Hij heeft dit alles alleen gedaan.

Voor wat betreft de onttrekkingen door overschrijvingen op voornoemde bankrekeningen ten gunste en op naam van verdachte en/of zijn familieleden en/of zijn medeverdachte gaat de rechtbank uit van de juistheid van de in genoemde tabel 5 op pagina 31 in het rapport van Deloitte vermelde bedragen, met een totaalomvang van € 1.405.418,-. Gelet op verdachtes erkenning omtrent de handelswijze bij de onttrekkingen door gebruikmaking van codebetalingen, rekent de rechtbank ook de bedragen als in tabel 5 genoemd bij “bankspecificatie ontbreekt” tot genoemd bedrag aan onttrekkingen.

De totale omvang van de onttrekkingen door betalingen aan derden ten gunste van verdachte of medeverdachte als berekend in het rapport van Deloitte, betwist verdachte.

In het dossier van de politie bevindt zich een Excel-overzicht waarop diverse begunstigden en bedragen staan vermeld onder de kopjes “betalingen aan derden ten gunste van verdachte”, “betalingen aan derden ten gunste van medeverdachte” en “nader onderzoek”. Dit overzicht vindt zijn oorsprong in het rapport van Deloitte, maar een nadere onderbouwing van het hoe en waarom verdachte en/of medeverdachte met betalingen aan deze derden ten nadele van verdachtes werkgever bedrijf 1 zouden zijn begunstigd, ontbreekt met uitzondering van de drie grootste begunstigden. Immers, naar die begunstigden is blijkens het rapport van Deloitte nader onderzoek ingesteld; het ging bij deze drie begunstigden steeds om bedragen van meer dan € 100.000,-. Verdachte heeft ten aanzien van deze drie begunstigden bevestigd dat voor zover sprake is van betalingen aan deze derden, dit inderdaad bedrijfsvreemde betalingen betreffen aan derden, niet zijnde relaties van verdachtes werkgever bedrijf 1. Ter zitting heeft verdachte daarop nog aangevuld dat de post/begunstigde “bedrijf 2” in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring, wel een post betreft waarbij geld is overgemaakt ten gunste van hem, aan bedrijf 2, samenhangend met naam 1, en ten nadele van zijn werkgever. De rechtbank stelt op basis van de onderzoeksresultaten als neergelegd in de balken 1, 2 en 3 in tabel 7 op pagina 35 in het rapport van Deloitte vast dat het daarbij gaat om de volgende bedragen:

  • in totaal aan bedrijf 3 een bedrag van € 527.482,-,
  • in totaal aan naam 1 /bedrijf 2 een bedrag van € 489.472,-, en
  • in totaal aan naam 2 een bedrag van € 162.096,-.

De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze bedragen, hetgeen voor wat betreft betalingen aan deze derden uitkomt op een totaalbedrag van € 1.179.050,-.

Met de overige derden die betalingen zouden hebben ontvangen ten gunste van verdachte of medeverdachte als vermeld in het Exel-overzicht, is verdachte geconfronteerd door de politie met de vraag of hij kon aangeven welke personen als vermeld in het overzicht onterechte betalingen hebben ontvangen en welke niet. Verdachte heeft ten aanzien van een aantal van de in het Exel-overzicht genoemde derden verklaard dat er al dan niet sprake is geweest van onterechte betalingen aan deze derden, met als gevolg dat bij onterechte betalingen zijn werkgever bedrijf 1 werd benadeeld. Verdachte stelt evenwel dat een groot aantal derden als vermeld op het overzicht geen onterechte door hem gedane betalingen betreffen. Gelet op het gegeven dat een nadere onderbouwing van de in het Exel-overzicht genoemde derden en bedragen (anders dan ten aanzien van de drie grootste begunstigden als vorenoverwogen) ontbreekt, kan de rechtbank in deze strafzaak niet buiten enige gerede twijfel vaststellen of deze juist of onjuist zijn en of deze al dan niet voor rekening van verdachte dienen te komen.

Dit betekent dat in het voordeel van verdachte niet het genoemde bedrag in de tenlastelegging zal worden bewezen, maar dat de rechtbank zal bewijzen - gelet op al het vorenstaande - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zich wederrechtelijk toe-eigenen, het verduisteren, van enig geldbedrag in dienstbetrekking.

Feit 2

Verdachte heeft met het onder feit 1 verduisterde geld van zijn werkgever en in die genoemde periode jarenlang diverse giften gedaan, spullen gekocht, en zichzelf en zijn medeverdachte (verder te noemen: medeverdachte) onderhouden. Verdachte bekent dat ook ter terechtzitting, maar zegt daarbij dat het ook voor een deel zijn eigen geld is geweest. Het onterechte geld was gemengd met zijn eigen geld. Dit laatste doet naar het oordeel van de rechtbank echter niets af aan het gegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Verdachte heeft jarenlang geldbedragen waarvan hij wist dat deze hem niet toebehoorden gebruikt voor zijn eigen doeleinden.

De rechtbank overweegt dat ook medeverdachte daarbij een rol heeft gespeeld. Verdachte liet haar op haar naam percelen kopen in Suriname, gaf haar dure cadeaus (waaronder een nieuwe auto), boekte reizen, en voorzag in haar levensonderhoud. Medeverdachte verklaart dat zij onder meer geld, een nieuwe auto, te weten een Suzuki Vitara, benzine, reizen naar Suriname, een tv, laptops en kleding van verdachte heeft gekregen. Ook verklaart zij percelen in Suriname te hebben gekocht en op haar naam bankrekeningen te hebben geopend voor verdachte. Medeverdachte geeft aan dat zij jarenlang heeft geprofiteerd.

Medeverdachte verklaart echter dat zij niet wist dat verdachte dit alles heeft gefinancierd met ontvreemd geld van hun toenmalige gezamenlijke werkgever. Zij heeft nooit ergens naar gevraagd en vertrouwde verdachte volledig. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaring – wat er van de geloofwaardigheid daarvan verder ook zij – medeverdachte niet disculpeert. Jarenlang heeft medeverdachte geschenken, waaronder dure cadeaus zoals een gloednieuwe auto, geld en reizen, van verdachte ontvangen. Ook heeft zij blindelings stukken voor hem ondertekend met betrekking tot de aankoop van verschillende percelen in Suriname en bankrekeningen geopend. Onder deze omstandigheden had het op haar weg gelegen om nadere vragen aan verdachte te stellen met betrekking tot de wijze waarop dergelijke uitgaven konden worden gefinancierd. Het volstaan met het antwoord van verdachte dat hij alles kon financieren als gevolg van het winnen van de loterij en het ontvangen van een erfenis, moet onder de gegeven omstandigheden als volstrekt onvoldoende worden beschouwd. Ieder redelijk gemiddeld weldenkend mens had immers kunnen en moeten vermoeden dat een en ander een niet legale achtergrond heeft gehad. Door geen nader onderzoek te doen, maar welbewust jarenlang haar ogen te sluiten, moet zij naar het oordeel van de rechtbank geacht worden willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat zij zich mede schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn er naar het oordeel van de rechtbank niet. Gelet daarop, alsmede gelet op het aantal van de bewezen verklaarde handelingen en de tijdsduur waarover het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdacht tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer bedrijf 1 van een bedrag van EUR 2.524.468.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Oost-Brabant 4 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1598

De assistente van de boekhouder, tevens zijn partner, wordt vrijgesproken van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking omdat zij niet als heer en meester over het geld heeft kunnen beschikken en zij geen handelingen heeft verricht waardoor zij het geld zichzelf wederrechtelijk heeft toegeeigend.

Wel wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen. Zo heeft zij voor haar partner, die veroordeeld is voor de verduistering in dienstbetrekking, percelen grond gekocht en bankrekeningen geopend. Ook kreeg zij dure cadeaus.

Opgelegd wordt een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF