Vergoeding naar redelijkheid: hoogte uurtarief en inzet meerdere advocaten(kantoren) een en ander mede afgezet tegen relatieve ingewikkeldheid zaak

Rechtbank Limburg 28 mei 2013, LJN CA2793

Het verzoekschrift houdt in een verzoek tot toekenning van een vergoeding van door verzoeker voornoemd gemaakte kosten die het belang van het onderzoek hebben gediend in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer, zijnde de kosten voor rechtsbijstand voor twee raadslieden en andere kosten gemaakt in het belang van de verdediging alsmede reiskosten van verzoeker zoals nader gespecificeerd in het verzoekschrift groot totaal € 117.269,80.

Voorts houdt het verzoekschrift in een verzoek tot toekenning van een vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de raadkamerprocedure van € 2.565,20 indien geen behandeling ter terechtzitting nodig is en met aanvulling van de gemaakte kosten indien wel een behandeling ter terechtzitting nodig wordt geacht.

Standpunten officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de gevraagde vergoedingen.

De officier van justitie stelt voor – in verband met de vele dubbellingen in verband met overleg - de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak te matigen tot een vergoeding groot € 15.000 voor mr. K. en een vergoeding groot € 5.000 voor mr. H..

Ook de factuur van T dient daarom gematigd te worden. Het rapport van M.P. diende strikt genomen alleen voor de schorsing en is niet van belang geweest voor de strafzaak. De post V.V. dient geheel te worden afgewezen, onder andere omdat de officier niet vermag in te zien in hoeverre een pro-actief media-overleg een zodanig verband heeft met de strafzaak dat dit voor vergoeding in aanmerking komt. Als de reiskosten van een partner in de praktijk worden afgewezen, waarom zou er thans dan ruimte zijn om de reiskosten van een manager te vergoeden? De overige posten komen voor vergoeding in aanmerking. Daar waar gedeclareerd wordt aan de management BV, is de BTW voor verrekening vatbaar, en dient dat deel van de vordering te worden afgewezen. De officier van justitie is verder van mening dat de gebruikelijke forfaitaire kosten voor rechtsbijstand groot € 540 aan beide raadslieden worden toegewezen.

Beoordeling Rechtbank

Het verzoek heeft als opschrift verzoek tot schadevergoeding ex 591a Sv. Nu enkele van de hiervoor genoemde posten vallen onder 591 Sv, zal de rechtbank het verzoek ambtshalve opvatten als tevens betrekking hebbende op artikel 591 Sv.

Vast staat dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Een deel van de feiten die stonden op de vordering inbewaringstelling zijn geseponeerd. Voor het overige (vernieling van een aantal goederen) is het OM op 28 augustus 2012 door de politierechter in de rechtbank Roermond niet ontvankelijk verklaard. Het verzoek is op 15 november 2012 ingediend en derhalve binnen de geldende 90 dagen termijn na het eindigen van de zaak. Het verzoek is dan ook ontvankelijk.

Met betrekking tot de verzochte vergoeding van kosten overweegt de rechtbank dat een gewezen verdachte in beginsel aanspraak kan maken op volledige vergoeding van kosten van rechtsbijstand, voor zover de verrichte werkzaamheden en de daarvoor berekende vergoeding redelijk zijn. In dit kader is onder meer door de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een forensisch technische complexe zaak en de omstandigheid dat deze zaak de nodige publiciteit heeft genoten omdat verzoeker de status van bekende Nederlander heeft. Omdat het bedrijf van verzoeker te vereenzelvigen is met zijn bekende Nederlanderschap waren er als rechtstreeks gevolg van het gegeven dat deze strafzaak in de publiciteit kwam de nodige zakelijke verwikkelingen en beslommeringen.

De rechtbank is van oordeel dat de forensisch technische aspecten in deze zaak niet zo complex zijn als door de verdediging gesteld. Het oorspronkelijk zwaarste feit waarvan verdachte verdacht werd (uiteindelijk geseponeerd) betrof een poging doodslag door middel van inrijden na een ruzie in de relationele sfeer. Het betrof een typische één op één situatie waarbij hetgeen nog objectief forensisch vastgesteld kon worden zowel spoorde met de ontlastende eigen verklaring van verzoeker als de aanvankelijk belastende verklaring van aangeefster. Het enige niet standaard element in deze zaak is dat verzoeker een zogenaamde bekende Nederlander is met een internationale bekendheid en dat deze zaak zowel in de regionale, nationale als internationale pers de nodige aandacht heeft gehad. De rechtbank zal deze omstandigheden mede betrekken bij voormelde redelijkheidstoets.

Overigens is niet vast komen te staan dat justitie enige actieve bemoeienis heeft gehad bij het inlichten van de pers. De stelling van de verdediging dat het het Openbaar Ministerie is geweest dat deze zaak in de pers onder de aandacht heeft gebracht, is gemotiveerd weersproken door de officier van justitie en voorts verder niet onderbouwd. Tenaamstelling facturen en BTW 

De facturen van K.’ advocaten zijn gericht aan het management (uit hetgeen ter zitting is besproken is er sprake van een management BV) van verzoeker en de rekeningen van mr. H. zijn gericht aan verzoeker in persoon.

Gelet op het gegeven dat het op deze wijze negatief in de publiciteit komen van verzoeker niet alleen nadelig is voor de persoon van verzoeker maar met name voor zijn zakelijke en commerciële activiteiten die dusdanig aan de persoon verknocht zijn dat er zonder verzoeker de facto geen onderneming is, is de rechtbak van oordeel dat de facturen gericht aan de management bv in deze zaak in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt ook voor de facturen van V. (via K.’ advocaten) en de facturen van M.P.. Anderzijds brengt voorstaande redenering met zich mee dat van de facturen van H. advocaten, gericht aan verzoeker in persoon, ten laste van de onderneming kunnen komen.

Het gegeven dat het een factuur van ondernemer naar ondernemer betreft, brengt tevens mee dat de in rekening gebrachte BTW verrekend kan worden. Omdat de BTW derhalve geen schadepost vormt, komt deze niet voor vergoeding in aanmerking.

Schadeposten

K.’ advocaten

Gevorderd is een bedrag van € 63.441,51 (excl. BTW).

Met betrekking tot de hoogte van deze nota overweegt de rechtbank dat het maar de vraag is of de toch wel relatieve ingewikkeldheid van de zaak het inschakelen van een advocaat met een uurtarief van tegen de € 700 rechtvaardigt, te meer daar er daarnaast nog een ander advocatenkantoor aan de zaak werkt. Voorts zijn er qua tijd ook de nodige dubbeltellingen. Niet alleen waren twee advocatenkantoren betrokken bij deze zaak, hetgeen extra overleg vereiste, ook binnen K.’ advocaten waren er diverse advocaten bij betrokken.

Anderzijds zijn er in deze zaak, gelet op de publiciteit die de zaak gegenereerd heeft en het gegeven dat nu verdachte en zijn onderneming in feite één zijn er ook de nodige zakelijke belangen in het spel zijn, wel degelijk argumenten om iemand in te huren die naast juridische expertise ook ervaring heeft met het omgaan met de media. Voorts is het ontegenzeglijk zo dat de verdediging hemel en aarde heeft moeten bewegen om van het openbaar ministerie überhaupt enige inhoudelijk reactie te ontvangen met betrekking tot de wijze van afdoening van deze zaak en hebben de redelijke argumenten die aangevoerd zijn om deze zaak buiten de zitting strafrechtelijk af te wikkelen (bijvoorbeeld door middel van een transactie) geen enkele weerklank bij het openbaar ministerie mogen ontvangen.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van deze kosten tot een bedrag van € 25.000 redelijk.

H. advocaten 

Gevorderd is een bedrag van € 17.000 . De laatste factuur à raison van € 1.000 (excl. BTW) betreft een creditnota, die kennelijk per abuis bij het totaal is opgeteld, terwijl deze ervan afgetrokken had dienen te worden. Daarnaast zijn er in verband met de vele overleg momenten tussen beide advocatenkantoren de nodige dubbeltellingen. Dat zo zijnde zal de rechtbank met betrekking tot deze post in redelijkheid een vergoeding vaststellen van € 12.000.

VMW T advocaten 

Ter zitting van 16 april 2013 is gebleken dat mr. H., nog voordat verzoeker zich meldde bij de politie, door de zaakwaarnemer van verzoeker is benaderd, waarna mr. H. een eerste gesprek heeft gehad met verzoeker. Daarna is door deze zaakwaarnemer T advocaten ingeschakeld voor een zogenaamde second opinion, welk kantoor de zaak heeft doorverwezen naar K.’ advocaten vanwege de forensisch technische aspecten in deze zaak.

Zoals de naam al doet vermoeden zijn de strafrechtelijke activiteiten van T advocaten blijkens hun website beperkt tot het fiscale strafrecht. Hiervan is in deze casus in de verste verte geen sprake, zodat deze kostenpost, mede gezien het gegeven dat mr. H., een gespecialiseerd strafrechtadvocaat, de verdediging reeds op zich had genomen, in redelijkheid niet voor vergoeding in aanmerking komt. Deze post wordt dan ook afgewezen.

V.V. 

V.V. betreft de onderneming van R.V., zijnde de zaakwaarnemer van verzoeker, die de belangen van verzoeker zowel tijdens de voorlopige hechtenis als tijdens de verdere afwikkeling van de zaak heeft behartigd. Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze kosten niet onder de kosten die ingevolge artikel 591a Sv dan wel 591 Sv voor vergoeding in aanmerking komen. Deze post wordt dan ook afgewezen.

M.P. 

M.P. is benaderd teneinde verzoeker ook tijdens een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis te begeleiden. Gesteld is dat deze onderneming ervaring heeft in het begeleiden van oud-top-sporters. Uit het dossier komt naar voren dat er bij verzoeker sprake was van reeds bestaande persoonlijke problematiek waarvoor begeleiding dan wel behandeling aangewezen was. Gelet hierop kan niet volgehouden worden dat de inzet van M.P. enkel te relateren is aan de strafzaak. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

V. 

Deze post komt voor vergoeding in aanmerking en zal worden toegewezen tot een bedrag van € 750.

Reiskosten 

Deze post komt voor vergoeding in aanmerking en zal integraal worden toegewezen, zijnde een bedrag van € 114,80.

Kosten indienen verzoekschrift 

De rechtbank acht geen termen aanwezig af te wijken van het forfaitaire standaardbedrag van € 455 voor zowel dit verzoek als het verzoek ex 89 sv. De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de mogelijkheid van verrekening van de BTW.

Voor vergoeding komt derhalve in aanmerking een bedrag van € 890.

Conclusie

De rechtbank stelt het bedrag van de aan verzoeker toekomende vergoeding ten laste van de Staat vast op € 38.754,80.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF