Verduistering & unus testis

Hoge Raad 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:724

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 23 juli 2015 voor A onder 1 primair: een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, A onder 2 subsidiair: verduistering, A onder 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, B onder 1: verduistering, en B onder 2: oplichting, veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Tevens heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest bepaald.

Tweede middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof het in de zaken A met parketnummer 15-670525-05 onder 2 en B met parketnummer 15-661380-08 onder 1 bewezenverklaarde uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van telkens één getuige.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat:

"Zaak A (parketnummer 15-670525-05)

(...)

2 subsidiair:

hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 maart 2005 te Purmerend en/of Alkmaar en/of Amsterdam opzettelijk de hierna te noemen goederen, toebehorende aan de hierna te noemen bedrijven:

(zaak 3)

- machines toebehorende aan A en

(zaak 7)

- een boormachine en boren toebehorend aan B B.V. en

(zaak 24)

- een glasbok toebehorend aan C, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten huur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(...)

Zaak B (parketnummer 15-661380-08)

1

hij in de periode van 30 december 2005 tot en met 9 maart 2006 te Schagen opzettelijk een verwarmingselement van het merk Remko, toebehorende aan D B.V., welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als huurder van dat verwarmingselement, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Ten aanzien van feit 2 subsidiair in zaak A:

24. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL9999/05-013951 van 24 februari 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 1 (dossierpagina's 53-54).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 februari 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van betrokkene 1 :

Ik doe hierbij aangifte. Ik ben shopmanager van het bedrijf A te Alkmaar. Op 22 oktober 2004 heeft verdachte een rekening bij ons geopend. Dezelfde dag heeft hij een aantal machines bij ons gehuurd. Tot op de dag van vandaag hebben wij nog niets van het verhuurde materiaal teruggezien. Er is ook geen factuur betaald.

25. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL9999/05-020363 van 23 maart 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 1 (dossierpagina's 119-120).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van betrokkene 2 :

Ik doe hierbij aangifte tegen verdachte. Ik ben werkzaam op de afdeling boekhouding bij het bedrijf B B.V., gevestigd te Amsterdam. Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte.

verdachte is bij ons bedrijf sedert 3 januari 2005 ingeschreven als ' E '. Op 12 januari jl. heeft verdachte bij ons een boormachine en diverse boren gehuurd. Hij heeft deze boormachine en boren tot op heden nog niet bij ons retour gebracht, ondanks de laatste huurdag van 28 februari 2005. Ook de factuur, inzake de huur, is tot op heden nog niet voldaan.

26. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL9999/05-060905 van 4 september 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 2, inclusief de daaraan gehechte bijlagen (voorin het dossier, dossierpagina's ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Pleegplaats Amsterdam

Benadeelde C

Bijlage:

Schrijven d.d. 26 augustus 2005 van betrokkene 3, namens C Amsterdam aan de Recherche, t.a.v. verbalisant 2.

Hierbij willen wij aangifte doen tegen E.

Dit bedrijf is nog steeds in het bezit van een glasbok waarvoor de huur (€ 2/dag) nog doorloopt.

(...)

Ten aanzien van feit 1 in zaak B:

30. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL 1030/06-142394 van 23 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 3 (doorgenummerde pagina's 16-18)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2006 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van betrokkene 4 :

Ik doe aangifte van verduistering. Op 30 december 2006 heb ik een verwarming verhuurd aan een persoon die zich als eigenaar uitgaf van E. De verhuurperiode was van 30 december 2006 tot 9 maart 2006 (het hof begrijpt: van 30 december 2005 tot 9 maart 2006).

Ik heb op 9 maart 2006 geen bericht van dit bedrijf gekregen over een eventuele verlenging van het verhuurcontract. De kachel was ook niet op 9 maart 2006 terug.

De kachel was op 30 december 2005 opgehaald door iemand die zich legitimeerde als verdachte, geboortedatum 1981 te geboorteplaats.

Benadeelde: D te Schagen

Goederenbijlage

Benadeelde : D B.V.

Soort : verwarmingselement

Merk : Remko

Hoeveelheid : 1 stuk

Bijlage bij de aangifte:

Een schriftelijk stuk, namelijk een kopie van het paspoort van verdachte, nr 001."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben (...)"

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de in de zaken A met parketnummer 15-670525-05 onder 2 en B met parketnummer 15-661380-08 onder 1 bewezenverklaarde feiten slechts steunen op de verklaring van telkens één aangever, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
 

Derde middel

Het middel klaagt dat het in de zaak B met parketnummer 15-661380-08 onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"hij op 20 december 2005 te gemeente Schagen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid F heeft bewogen tot de afgifte van vier kerstpakketten ter waarde van totaal 214,62 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

- naar het pand van F B.V. gegaan,

- zich bij een aldaar werkzaam personeelslid gemeld

- aan deze verkoopster gemeld dat hij nog vier kerstpakketten wilde hebben,

- aan deze verkoopster verklaard dat hij geen geld bij zich had maar wel een inschrijvingsbewijs van de Kamer van Koophandel

- aan haar dit inschrijvingsbewijs heeft getoond

- een kopie van dat inschrijvingsbewijs aan de verkoopster heeft overhandigd

- en zich daarmee heeft voorgedaan als vertegenwoordiger van E gevestigd aan de a-straat 1 te Tuitjenhorn,

waardoor F BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"31. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL 1030/06-144211 van 27 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 4 (doorgenummerde pagina's 23-24)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 maart 2006 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van betrokkene 5 :

Ik ben boekhouder van F B.V., gevestigd te Schagen. Ik doe namens dit bedrijf aangifte. Op 20 december 2005 meldde zich een persoon bij een verkoopster. Hij zei dat hij nog vier kerstpakketten wilde hebben. Hij verklaarde dat hij geen geld bij zich had, maar wel een bewijs dat hij ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Dit liet hij aan haar zien en daar heeft de verkoopster een kopie van gekregen. De magazijnmedewerker heeft vier kerstpakketten afgegeven. De kerstpakketten werden echter niet betaald. Ik heb toen namens F aanmaningen gestuurd naar het adres dat was opgegeven bij afgifte van de kerstpakketten. Dit adres was van E, a-straat 1 (het hof begrijpt... ) te Tuitjenhorn.

32. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL10DH/06-144211 van 12 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant 5 (doorgenummerde pagina 28).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 oktober 2007 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik ben eigenaar geweest van een klusbedrijf ' E ' gevestigd b-straat 1 te Volendam. Ik heb in december 2005 ooit wel kerstpakketten gehaald, waar weet ik niet meer. De rekening heb ik niet betaald."

Aangezien de bewezenverklaring van het in de zaak B met parketnummer 15-661380-08 onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte "door het aannemen van een valse hoedanigheid F heeft bewogen tot de afgifte van vier kerstpakketten ter waarde van totaal 214,62 euro", niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF