Verdachte is als verkoper van zes appartementen betrokken bij oplichting van hypotheekbanken door voor de kopers een gefingeerd dienstverband te regelen

Rechtbank Rotterdam 15 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3681

De verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen meerdere valse arbeidsovereenkomsten, valse werkgeversverklaringen en valse loonafrekeningen opgemaakt. Deze valse stukken zijn door een medeverdachte gebruikt om in totaal 6 hypotheekbanken te bewegen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening, hetgeen steeds oplichting in vereniging oplevert. De hypothecaire leningen, die op basis van de valse stukken zijn verstrekt, werden door de drie kopers gebruikt om elk twee panden te kopen die behoorden tot een vastgoedportefeuille die in bezit was van de verdachte en een medeverdachte. De verdachte heeft verder op een tweetal koopovereenkomsten de handtekening van zijn toenmalige echtgenote vervalst. De verdachte heeft samenvattend samen met medeverdachten een frauduleuze constructie opgetuigd ten behoeve van zijn eigen financiële gewin.

De kopers beschikten in werkelijkheid niet over voldoende inkomen om de hypotheeklasten te kunnen dragen, laat staan voor twee panden. De zes aangekochte panden zijn uiteindelijk executoriaal verkocht, waarbij de opbrengst ver is achtergebleven bij de verstrekte hypotheekbedragen. 

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde oplichting de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, maar uitsluitend als medeplichtige. Daarom dient vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde te volgen.

De verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit. De verklaring van de verdachte dat hij de handtekening heeft gezet is niet serieus te nemen. Hij lijkt dit te hebben verklaard nadat hij gedurende tweeëneenhalve dag langdurig was verhoord en het verhoor zat was. Hij heeft dit onderdeel van zijn verklaring tijdens het verhoor op de volgende dag dan ook weer ingetrokken. Mevrouw naam verklaart slechts dat zij haar handtekening niet herkent. Dit is onvoldoende bewijs om aan te nemen dat haar handtekening vals is.

Beoordeling rechtbank

De verdachte was (feitelijk) eigenaar van 6 appartementen die hij in de periode 2005/2006 heeft verkocht aan de medeverdachten naam medeverdachte 1, naam medeverdachte 2 en naam medeverdachte 3. De kopers kochten elk 2 appartementen van de verdachte. De medeverdachte naam medeverdachte 4 trad bij deze transacties op als makelaar zowel namens de kopers als namens de verdachte. Hoewel de kopers tegelijkertijd twee appartementen kochten vond het transport steeds bij twee verschillende notarissen plaats, telkens binnen een tijdsbestek van circa een uur.

Voor elke hypotheekaanvraag werd een werkgeversverklaring, een arbeidscontract en een loonafrekening overgelegd. Deze stukken waren opgesteld namens de werkgever naam bedrijf 1 Geen van de kopers heeft daadwerkelijk bij naam bedrijf 1 gewerkt. Er is wel steeds over enkele maanden loon betaald. De loonbetalingen stopten kort nadat het notariële transport van de appartementen had plaatsgevonden. De verdachte heeft samen met naam medeverdachte 4 deze constructie bedacht, om er op die manier voor te zorgen dat de kopers voor ieder pand een hypotheek konden verkrijgen. De verdachte was in die periode werkzaam als boekhouder bij naam bedrijf 1 Hij kreeg de gegevens van de kopers via naam medeverdachte 4 aangeleverd en stelde op basis daarvan de loonafrekeningen op en een arbeidsovereenkomst. Deze arbeidsovereenkomst werd vervolgens getekend door de medeverdachte naam medeverdachte 5 en de betreffende koper. Naam medeverdachte 5 stelde op basis van de door naam medeverdachte 4 aangeleverde gegevens een werkgeversverklaring op.

De kopers hebben geen van allen aan hun financiële verplichtingen richting de hypotheeknemers (de banken) voldaan. De zes appartementen zijn uiteindelijk executoriaal verkocht voor bedragen die (aanzienlijk) onder de door de verdachte ontvangen koopprijs lagen.

Feit 2

De verdediging voert aan dat de verdachte slechts de randvoorwaarden voor het plegen van het delict heeft geschapen, zodat hij slechts is aan te merken als medeplichtige en niet als medepleger. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

De verdachte heeft samen met naam medeverdachte 4 de onderhavige oplichtingsconstructie bedacht, waarbij aan de banken valselijk opgemaakte stukken werden verstrekt waarmee ten onrechte de indruk werd gewekt dat de kopers een vast dienstverband hadden bij naam bedrijf 1 De verdachte heeft de daartoe benodigde valse stukken (te weten arbeidsovereenkomsten en loonafschriften) opgesteld en naam medeverdachte 5 de benodigde gegevens verstrekt voor het opmaken van de valse werkgeversverklaringen. De verdachte heeft er voorts op toegezien dat door naam bedrijf 1 loonbetalingen aan de kopers werden voldaan, ondanks het feit dat zij niet bij het bedrijf in dienst waren. De verdachte deed dit met het oogmerk om de banken er toe te bewegen een hypothecaire geldlening te verstrekken die zij niet zouden hebben verstrekt indien zij over de juiste informatie omtrent de kopers hadden beschikt. De verdachte heeft voorts de koopovereenkomsten met de kopers getekend en was aanwezig bij de notarissen bij het passeren van de aktes. Tot slot heeft de verdachte een deel van de verkoopwinst geïncasseerd.

De verdachte was derhalve voor (het beramen van de plannen), tijdens (het (laten) opstellen en verstrekken van de valse stukken) en na (het incasseren van een deel van de winst) het plegen van het feit bij de oplichting betrokken. Dat de verdachte niet zelf de stukken bij de bank heeft ingediend, doet niet af aan de wezenlijke en significante bijdrage die de verdachte heeft geleverd aan het plegen van de onderhavige oplichting.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten is komen vast te staan. Daarmee acht de rechtbank het onder feit 2 primair tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Feit 3

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de toenmalig echtgenote van de verdachte, mevrouw naam – in het kader van een politieverhoor de koopovereenkomsten van de straatnaam 1 huisnummer 7, straatnaam 1 huisnummer 2 en straatnaam 2 huisnummer 3 zijn getoond. Anders dan de verdediging heeft betoogd, heeft naam daarbij aangegeven dat de handtekeningen op de getoonde overeenkomsten vals zijn (en niet zoals verdediging zegt dat zij haar handtekening niet herkent). Naam heeft hiervan aangifte gedaan.

De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie d.d. 25 juli 2012 verklaard dat hij de handtekeningen van naam op de koopovereenkomsten van de straatnaam 1 huisnummer 7 en straatnaam 1 huisnummer 2 heeft geplaatst.

Ter terechtzitting is namens de verdachte betoogd dat deze verklaring niet serieus genomen moet worden omdat de verdachte in tweeënhalve dag zes keer is verhoord en uit het verhoor is op te maken dat hij het zat was.

Anders dan door de verdediging is betoogd ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaring van de verdachte in voornoemd verhoor buiten beschouwing te laten. Het verhoor is gestart om 11:00 uur en om 14:50 uur beëindigd. Tussendoor is gepauzeerd van 12:00 uur tot 13:15 uur, in welke pauze de verdachte heeft gesproken met zijn advocaat. Er is geen sprake van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte niet meer in staat was om te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de verdachte de handtekening van naam op de koopovereenkomsten van de straatnaam 1 huisnummer 7 en straatnaam 1 huisnummer 2 heeft geplaatst. Daarmee acht de rechtbank die onderdelen van het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het tevens ten laste gelegde valselijk laten opmaken van de koopovereenkomst van de straatnaam 2 huisnummer 3 ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1 primair: medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 2 primair: medeplegen oplichting, meermalen gepleegd. 
  • Feit 3: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. 

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 234 uur. 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF