Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging twee banken op te lichten door zich voor te doen als bewindvoerder van een klant van die banken

Rechtbank Amsterdam 6 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:8114

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft geprobeerd de Rabobank Amsterdam en de Rabobank Graafschap Noord te Hengelo op te lichten door zich aan de balie van deze banken uit te geven als bewindvoerder van persoon 1 en van persoon 2, ter onderbouwing waarvan hij valse beschikkingen van een rechtbank heeft overgelegd. Onder feit 2 is hem het gebruikmaken van die beschikkingen ten laste gelegd.

Feiten

Op 16 juli 2013 loopt verdachte de Rabobank te Amsterdam, locatie de Dam, binnen. Verdachte overhandigt een uittreksel uit de Kamer van Koophandel aan de baliemedewerkster, waaruit blijkt dat verdachte eigenaar en enig bestuurder is van verzekeringsmaatschappij A (BV). Hij vertelt dat zijn bedrijf ook bewindvoeringen doet en dat hij als bewindvoerder is aangesteld van de persoon 1. Ter onderbouwing overlegt hij een beschikking van de “rechtbank Zuid-Holland” waarin verdachte staat vermeld als bewindvoerder over de persoon 1 per 12 juli 2013. Hij verzoekt de baliemedewerkster namens persoon 1 een bedrag over te maken van de rekening van persoon 1 naar de rekening van verzekeringsmaatschappij A (BV), ter hoogte van € 94.149,- ten behoeve van de belastingen. Daarnaast verzoekt hij een bedrag van rond de € 90.000,- over te maken naar diezelfde rekening. Medewerkers van de Rabobank vertrouwen het niet en vertellen verdachte dat het geld niet direct kan worden overgemaakt. Later blijkt dat het stuk van de “rechtbank Zuid-Holland” vals is. Verdachte blijft die middag meermalen bellen met de vraag wanneer de transactie wordt voltooid.

Op diezelfde dag gaat verdachte ook naar de Rabobank te Hengelo (Gld). Aan de balie zegt hij bewindvoerder te zijn van persoon 2. Ter onderbouwing daarvan legt hij een beschikking over van de “rechtbank ’s-Gravenhage, Zuid-Holland” waarin verdachte staat vermeld als bewindvoerder van persoon 2. Verdachte vraagt ook bij deze bank de baliemedewerker een geldbedrag over te maken naar de rekening van verzekeringsmaatschappij A (BV). Echter, ook bij de Rabobank Hengelo vertrouwen de medewerkers het niet. Zij gaan niet over tot betaling. Later blijkt dat ook deze beschikking vals is.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij in opdracht handelde en dat hij niet wist dat de beschikkingen vals waren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd van alle ten laste gelegde feiten, afgezien van het onderdeel terzake het onder 1 ten laste gelegde feit, dat ziet op het medeplegen. De officier van justitie meent dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te komen tot de bewezenverklaring van het medeplegen van het feit. Daarvoor heeft zij dan ook partiële vrijspraak gevraagd.

Het oordeel van de rechtbank

Wetenschap valsheid beschikkingen van “rechtbank Zuid-Holland”, feiten 1 en 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen geconcludeerd moet worden dat verdachte wist dat de door hem overgelegde beschikkingen van de “rechtbank Zuid-Holland”, vals waren omdat in die beschikkingen is vermeld dat hij was aangesteld tot bewindvoerder terwijl hij wist dat dit niet zo was. Hij heeft dat laatste immers in zijn verhoor bij de politie toegegeven.

Medeplegen feit 1

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard niet alleen te hebben gehandeld. Die stelling vindt steun in verdachtes telefoongegevens van 8 juli 2013. Op die dag heeft verdachte het door hem geopende rekeningnummer voor verzekeringsmaatschappij A (BV) (rekeningnummer 1), in een bericht gestuurd naar een persoon genaamd naam. Dit rekeningnummer is het nummer dat verdachte bij de Rabobank opgaf als het rekeningnummer waarop de gelden zouden moeten worden gestort. Verdachtes verklaring vindt ook steun in het feit dat bij verdachte thuis tijdens de doorzoeking geen stukken zijn aangetroffen die verband houden met de oplichting. Dat wijst erop dat verdachte mogelijk niet zelf de valse beschikkingen heeft opgemaakt, maar dat deze aan hem zijn verstrekt, zoals hij ook verklaard heeft.

Dat verdachte als volwaardig medepleger dient te worden aangemerkt blijkt mede uit hetgeen is voorafgegaan aan het feit. Verdachte heeft zich bij de kamer van koophandel laten inschrijven als bestuurder van de stichting A, de enig aandeelhouder en bestuurder van verzekeringsmaatschappij A (BV) waardoor het beheer over deze rechtspersonen op zijn naam kwam te staan. Ook heeft hij verklaard dat hij bankrekeningen voor het bedrijf heeft geopend, waarna hij een van deze rekeningen heeft gebruikt bij de poging de Rabobank te bewegen de geldbedragen over te maken.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander. Of sprake was van medeplegen met meerdere personen dan alleen met voornoemde naam, kan niet worden vastgesteld. Het Openbaar Ministerie heeft immers nagelaten te onderzoeken wie bevoegd waren met betrekking tot de rekening van het verzekeringsmaatschappij A (BV).

Beide ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
  2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF