Verdachte heeft gedurende een periode van bijna een half jaar op zeer grote schaal gehandeld in valse bankbiljette

Rechtbank Den Haag 8 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:214

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat de verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de resultaten voortvloeiend uit het onderzoek aan de smartphone van de verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten en dat de verdachte mitsdien wegens onvoldoende bewijs dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Voor zover deze resultaten niet van het bewijs worden uitgesloten, heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit. Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman in dat geval betoogd dat vrijspraak moet volgen van het onderdeel ‘uitgeven en/of ontvangen en/of verschaft’, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte in de tenlastegelegde periode daadwerkelijk valse biljetten geleverd heeft.

Voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er naast de verklaring van de verdachte onvoldoende wettig en overtuigend (steun)bewijs aanwezig is dat het ging om vals geld, nu een onderzoek aan de biljetten nooit heeft plaatsgevonden.

Beoordeling rechtbank

Feit 1

Onrechtmatig verkregen bewijsverweer

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het onderzoek aan de smartphone van de verdachte op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onrechtmatig is geweest omdat niet alleen toegang tot de verkeersgegevens is verkregen maar ook tot de contactpersonen, Whatsapp-gesprekken, e-mailberichten, gebruikte wifi-netwerken en zoekgeschiedenis op internet. Volgens de raadsman is sprake van een zeer ingrijpende inbreuk op het recht op privacy van de verdachte, nu men tegenwoordig een zeer goed beeld kan krijgen van iemands persoonlijk leven indien men zijn smartphone doorlicht. De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2015:2954) – op het standpunt gesteld dat artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) een onvoldoende wettelijke grondslag biedt voor deze inbreuk. De raadsman heeft geconcludeerd dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte een ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a WvSv oplevert, waardoor de verdachte is benadeeld. Het gevolg daarvan moet volgens de raadsman zijn dat al het bewijs dat door het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte is verkregen, van het bewijs moet worden uitgesloten.

De officier van justitie heeft in reactie op dit verweer aangevoerd dat het door de raadsman aangehaalde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op zichzelf staat en dat het openbaar ministerie daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld, en heeft voorts gewezen op een arrest van het gerechtshof Amsterdam (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2015:5007) waarin een soortgelijk verweer is verworpen.

De rechtbank overweegt dat artikel 94 WvSv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen, teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564 en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, onder 3.4). Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om ten aanzien van de gegevens opgeslagen in een smartphone anders te oordelen. De smartphone van de verdachte is dan ook – met het oog op de waarheidsvinding – rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 WvSv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag – als bedoeld in artikel 8 EVRM – voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim, zodat – nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden zijn op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen – de resultaten uit het onderzoek aan de smartphone van de verdachte kunnen dienen tot het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewijsmiddelen feit 1

Op 4 september 2015 heeft een controle plaatsgevonden van horecagelegenheid bedrijf te Den Haag. Daarbij is de verdachte op grond van de Opiumwet gefouilleerd. De verdachte heeft twee witte enveloppen uit zijn trainingsjack gepakt. In deze enveloppen zijn in totaal 195 biljetten van 50 euro aangetroffen.

De biljetten, alle voorzien van hetzelfde serienummer P29142364951, zijn onderzocht door een verbalisant die werkzaam is als senior forensische opsporing en deskundige documentonderzoek. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken:

Bij vergelijking van de kenmerken van de ter onderzoek aangeboden bankbiljetten met de kenmerken van een soortgelijk origineel bankbiljet zijn onder andere de volgende afwijkingen geconstateerd:

  • afwijkende reproductietechniek (inkjet techniek versus de originele offset techniek);
  • ontbreken van de plaatdruk (voelbare druk – diepdruk);
  • ontbreken van het originele holo-/kinegram en de nabootsing daarvan die detail mist op microniveau;
  • ontbreken van de originele vezelminutering in het papier;
  • ontbreken van het originele watermerk in het papier, en de nabootsing daarvan middels opdruk;
  • ontbreken van de originele veiligheidsdraad in het papier;
  • ontbreken van een origineel optisch variabel element (paarse waardeaanduiding aan de achterzijde) en de nabootsing daarvan die niet van kleur wijzigt bij kantelen.

Op basis van deze onderzoeksresultaten heeft de verbalisant geconcludeerd dat de aangeboden biljetten vals zijn.

De verdachte heeft verklaard dat hij in café bedrijf twee enveloppen uit de binnenzakken van zijn trainingsjas heeft gehaald en dat in de enveloppen ‘neppe’ briefjes van 50 zaten.

Bij onderzoek aan de smartphone van de verdachte zijn foto’s aangetroffen. Op een van deze foto’s, gemaakt en opgeslagen op 2 september 2015 om 23.06 uur, is een biljet van 50 euro te zien, met als biljetnummer P29142364951. Deze (of een vergelijkbare) foto is op 2 september 2015 tussen 23.06 en 23.21 uur via Whatsapp verzonden aan ‘Moreno’, in welke conservatie de verdachte even later zegt: “Ik doe niet klein. Vanaf 100 stuks tot 2000 stuks.”

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 4 september 2015 195 valse bankbiljetten van 50 euro, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad heeft gehad en dat die valsheid hem bekend was toen hij die biljetten in zijn bezit kreeg. De verklaring van de verdachte dat hij de biljetten onder een auto had gevonden en tijdelijk onder zich had, acht de rechtbank niet geloofwaardig, onder meer gelet op de foto in de smartphone van de verdachte van een bankbiljet met hetzelfde biljetnummer, welke foto twee dagen voor de aanhouding van de verdachte is genomen, en (onder meer) de Whatsapp-berichten die duiden op handel in valse bankbiljetten.

Vrijspraak feit 2

Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 3

Verklaringen van de verdachte

Verdachte heeft bekend dat hij in de tenlastegelegde periode in valse bankbiljetten heeft gehandeld op de in de tenlastelegging genoemde plaatsen.

In zijn tweede politieverhoor heeft de verdachte als volgt verklaard. Hij is rond december 2013 / januari 2014 benaderd om valse briefjes van € 50,- te gaan verkopen. De eerste aflevering heeft plaatsgevonden in februari 2014 in Rotterdam aan Mo. De verdachte heeft in totaal vijftien of twintig keer vals geld weggebracht en heeft hiermee € 2.800,- verdiend.

In zijn derde politieverhoor heeft de verdachte hierover nader verklaard. Hij is in verschillende plaatsen in Nederland geweest in verband met vals geld, waaronder in Nootdorp, Gouda en Rotterdam.

De verdachte is drie keer in Rotterdam geweest. De eerste en tweede keer heeft hij daar steeds 25 biljetten weggebracht naar een Turkse jongen die zich Mo noemde. De derde keer waren dit 75 valse biljetten. De verdachte heeft hieraan naar eigen zeggen € 100,- of € 125,- overgehouden.

Een andere keer heeft de verdachte op een parkeerplaats in Nootdorp afgesproken met Nick. Daar kreeg hij van Nick een pakketje – dat tussen de 15 en 25 biljetten bevatte – met daarbij een telefoonnummer. De verdachte heeft het pakketje uiteindelijk afgeleverd op het station in Almere aan een jongen uit Lelystad. Hierna heeft de verdachte in Den Haag nog driemaal met deze jongen afgesproken en respectievelijk 25, 40 en 68 valse biljetten afgeleverd, waar hij ongeveer € 390,- aan heeft verdiend.

Weer een andere keer heeft de verdachte wederom, zoals – naar eigen zeggen – eigenlijk altijd, biljetten van Nick ontvangen in Nootdorp. Vervolgens heeft de verdachte in Delft afgesproken met een jongen die uit Den Bosch kwam. De verdachte heeft aan hem 50 valse biljetten van € 50,- gegeven voor € 10,- per stuk, waarvan de verdachte € 200,- zelf mocht houden.

Ook heeft de verdachte tweemaal met een Marokkaanse jongen (‘Almere’) afgesproken, eenmaal in Haarlem en eenmaal in Den Haag. Beide keren heeft hij 100 valse biljetten van € 50,- afgegeven, waaraan hij in totaal € 600,- heeft verdiend.

In Den Haag heeft de verdachte ook driemaal afgesproken met een jongen uit Breda. Hij heeft in totaal 190 biljetten weggebracht naar deze jongen en heeft daar € 450,- aan verdiend.

Met een man uit Zeeland heeft de verdachte afgesproken in Rijswijk. De verdachte heeft deze man 15 valse biljetten geleverd en heeft daar € 105,- aan verdiend.

Ook heeft de verdachte in Rijswijk afgesproken met een man die zei dat hij uit Rotterdam kwam. Hij heeft hem in totaal 90 briefjes geleverd en heeft daar € 270,- aan verdiend.

Aan een Marokkaanse jongen uit Gouda heeft de verdachte minstens vier keer geleverd, waarvan twee keer in Den Haag en minstens twee keer in Gouda. Die leveringen gingen om 50, 100 of 110, 100 en 100 biljetten, waaraan de verdachte respectievelijk € 150,-, € 250,- of € 300,-, € 250,- en € 200,- heeft verdiend. De eerste keer had de verdachte het nummer van deze jongen van Nick gekregen. De andere bestellingen liepen via de telefoon van de verdachte, waarbij de verdachte op zijn beurt bestelde bij Nick.

Ten slotte heeft de verdachte tweemaal afgesproken in Delft met een jongen die zei dat hij uit Schiedam kwam. Aan hem heeft de verdachte in totaal ongeveer 205 biljetten geleverd, waaraan hij ongeveer € 400,- heeft verdiend.

Levering in Gouda

Ten aanzien van de levering in Gouda wordt de verklaring van de verdachte ondersteund door de verklaring van de verdachte medeverdachte 1 en tapgesprekken.

medeverdachte 1 heeft bevestigd dat hij meerdere keren valse biljetten van een jongen uit Den Haag heeft gekocht en dat de leveringen plaatsvonden in Den Haag en Gouda.10 Nadat hem een foto van de verdachte is getoond, heeft hij verklaard dat dit de jongen uit Den Haag was met wie hij op station Gouda Goverwelle heeft afgesproken.

Uit tapgesprekken van 29 mei 2014 volgt dat medeverdachte 1 op die dag een afspraak met de verdachte bij station Gouda Goverwelle heeft gehad.

Overige leveringen

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte bij de politie zeer gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over de leveringen van valse biljetten op verschillende plaatsen in Nederland. Voorts is de rechtbank, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat het dossier ook voor deze leveringen voldoende steunbewijs bevat.

De verklaring van de verdachte dat hij handelde in valse bankbiljetten wordt bevestigd door hetgeen bij de doorzoeking van zijn slaapkamer is aangetroffen, waaronder een portemonnee met daarin € 760,- aan briefgeld, vier mobiele telefoons en vier kassabonnen.

De kassabonnen betreffen 4 nota’s van kleding, gekocht in Amsterdam op 8 mei 2014 en Den Haag op 13 mei 2014, met een totaalbedrag van € 1.984,-. De verdachte heeft bevestigd dat hij van het geld van de handel in valse bankbiljetten kleding heeft gekocht.

In een van de onder de verdachte in beslag genomen telefoons (Blackberry) zijn berichten aangetroffen. Deze houden onder meer het volgende in:

  • van Joey op 17 juni: “Is veel gedoe geweest he laatste dagen om die 45 briefjes haha de volgende keer moet het wel sneller gaan tog als we het driedubbele doen”
  • aan Hologram delft op 17 juni: “Ik probeer juist nu een kring op te bouwen en uiteindelijk ga ik met de vaste afnemers verder” en “Nee geen inktvlekken. Kijk je moet het niet onder de kraan doen. Maar regen of er valt drinken overheen, dat kan het hebben” en “Oud vals geld werd geprint. Dit word gedrukt. En dat is al heel veel kwaliteits verschil”,
  • aan Schiedam 17 juni: “Je money leverancier. Me andere is bijna leeg. Hologramme??”

De rechtbank leidt uit deze berichten af dat de verdachte kort voor zijn aanhouding actief bezig was met het verhandelen van valse bankbiljetten.

Hoewel geen van de verhandelde bankbiljetten in beslag is genomen en is onderzocht, is er naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel mogelijk dat er werd gehandeld in valse bankbiljetten. Niet alleen heeft de verdachte bekend dat het om valse bankbiljetten ging, ook de verdachte medeverdachte 1 heeft dit bevestigd en in de berichten in de telefoon van de verdachte gaat het met zoveel woorden over vals geld. Bovendien is het, zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht, volkomen onlogisch dat de verdachte zou hebben gehandeld in echte bankbiljetten, gelet op de bedragen die door de afnemers voor de biljetten werden betaald.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het onder 3 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring 

Feit 1: in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven;

Feit 3: opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, meermalen gepleegd en ontvangen en in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, meermalen gepleegd;

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF