Verdachte heeft als feitelijk leidinggevende van een geldtransactiekantoor gedurende de periode van bijna een jaar veelvuldig en structureel kwitanties valselijk laten opmaken

Rechtbank Rotterdam 10 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:4057 Verdachte heeft als feitelijk leidinggevende van het geldtransactiekantoor (rechtspersoon) gedurende de periode van bijna een jaar veelvuldig en structureel kwitanties valselijk laten opmaken door de overige twee werknemers van rechtspersoon, en dat bovendien ook zelf gedaan.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. Om die reden kan geen sprake zijn van strafbaar feitelijke leidinggeven door de verdachte zoals is ten laste gelegd.

Indien de rechtbank wel bewezen acht dat rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, kan de verdachte niet als feitelijke leidinggever van die verboden gedraging worden aangemerkt, want zij was er niet van op de hoogte dat opzettelijk onjuiste gegevens werden vermeld op de money transfer receipts.

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

Oordeel rechtbank

Rechtspersoon betrof een geldtransactiekantoor, gevestigd in locatie, dat gelden overmaakte naar begunstigden op de Filippijnen via de moederbank. Volgens het procedurehandboek van rechtspersoon - dat is gestoeld op de Wet inzake geldtransactiekantoren (Wgt) - dienden personen die gelden wilden storten dit in persoon aan de balie te doen en zich daarbij te legitimeren.

Op het bewijs van de storting, het “money transfer receipt”, moest onder meer de naam van degene die het geld stortte, de “sender name” worden vermeld. Diegene diende zijn handtekening op het money transfer receipt te plaatsen. Voorts werden conform het procedurehandboek de gegevens van ieder money transfer receipt vermeld in het kasboek van rechtspersoon. Via het Micro Remittance Processing System werden alle transactiegegevens naar debank verzonden. In de periode van 1 december 2003 tot en met 3 november 2004 waren er drie personen werkzaam bij rechtspersoon, de verdachte als manager, medeverdachte 1 als marketing assistent en medeverdachte 2 als kassier.

Valsheid in geschrift

Medeverdachte 1 en medeverdachte 2 hebben beiden verklaard dat zij op instructie van hun leidinggevende, de verdachte, veelvuldig andere sender names op money transfer receipts hebben ingevuld dan de namen van de daadwerkelijke afzenders en dat de personen van wie zij de namen gebruikten daar niet van op de hoogte waren. Voorts hebben zij verklaard dat in dat geval de medewerkers van rechtspersoon, ook de verdachte, zelf handtekeningen op de money transfer receipts plaatsten. Uit de verhoren van de diverse op de money transfer receipts genoemde senders is gebleken dat die personen in de meeste gevallen nog nooit hadden gehoord of gebruik gemaakt van de diensten van rechtspersoon. medeverdachte 2 heeft verder verklaard dat zij grote bedragen die werden gestort, splitste in kleinere bedragen en daarvoor meerdere valse afzendernamen gebruikte, met als reden dat dit de garantie bood aan de afzenders dat zij anoniem bleven en de kleine gestorte bedragen niet opvielen bij DNB en de bank. "In de Filipijnen gelden steeds strakkere regels ter bestrijding van witwassen. De bank stelt vragen indien er zulke grote bedragen binnenkomen”, aldus medeverdachte 2.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat door diverse medewerkers binnen rechtspersoon veelvuldig money transfers receipts valselijk zijn opgemaakt, met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken. Omdat de valse gegevens tevens in het kasboek werden genoteerd en via het Micro Remittance Processing System naar de PCI werden verzonden, zijn ook deze geschriften valselijk opgemaakt.

Strafbaarheid rechtspersoon

In het onderhavige geval doen zich alle drie genoemde omstandigheden voor. De valsheid in geschrift is gepleegd door meerdere personen die in dienst waren van rechtspersoon. De hoofdactiviteit van rechtspersoon bestond uit het doen van geldtransacties, als bewijs waarvan money transfer receipts dienden te worden opgemaakt. Het valselijk opmaken van die money transfer receipts past dus in de “normale bedrijfsvoering” van rechtspersoon.

En voorts is deze strafbare gedraging de rechtspersoon dienstig geweest. Omdat het nagenoeg algemeen bekend was dat rechtspersoon het niet nauw nam met het invullen van juiste gegevens op de money transfer receipts, zoals diverse getuigen hebben verklaard, hebben vele tussenpersonen gebruik gemaakt van de diensten van rechtspersoon, zodat zij gelden konden storten namens afzenders die anoniem wilden blijven. In de periode van 1 december 2003 tot en met 17 juni 2005 bedroeg de omzet van rechtspersoon door middel van tussenpersonen bijna de helft van de totale omzet.

Gezien dit alles is de rechtbank van oordeel dat de valsheid in geschrift heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze verboden gedraging daarom kan worden toegerekend aan rechtspersoon.

Tenslotte dient bewezen te worden verklaard dat de rechtspersoon opzet heeft gehad op de verboden gedraging.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van medeverdachte 1 en medeverdachte 2, blijkt dat de verdachte manager c.q. leidinggevende was van rechtspersoon en dat zij de instructies aan hen heeft gegeven om onjuiste gegevens in te vullen op de money transfer receipts. De verdachte heeft dus opzet gehad op de verboden gedraging en gezien haar functie binnen het bedrijf kan die opzet worden toegerekend aan rechtspersoon.

Het verweer dat de verdachte niet op de hoogte was van het feit dat onjuiste gegevens werden ingevuld op de money transfer receipts wordt gezien voornoemde verklaringen niet aannemelijk geacht. Dit geldt temeer nu die verklaringen worden ondersteund door diverse getuigenverklaringen van tussenpersonen. Zo heeft getuige 8 verklaard dat een andere tussenpersoon weleens zijn identiteit gebruikte voor transfers via rechtspersoon en dat de directrice daarvan op de hoogte was. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Gezien al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde valsheid in geschrift.

Het verweer wordt verworpen.

Feitelijke leidinggeven

Zoals hiervoor reeds is overwogen blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte de leidinggevende was binnen rechtspersoon en dat zij het zelf is geweest die de andere twee werknemers heeft geïnstrueerd om valsheid in geschrift te plegen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezen verklaarde periode

Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 3 november 2004 uit haar functie van manager is ontheven en is teruggeplaatst in de functie van marketing medewerkster bij rechtspersoon.

Er is geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte na deze datum nog feitelijke leiding heeft gegeven aan de ten laste gelegde valsheid in geschrift.

De bewezenverklaarde periode eindigt daarom op 3 november 2004.

Bewezenverklaring

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en ontzet de verdachte van de uitoefening van beroepen die zijn gereguleerd door de Wet op het financieel toezicht voor de duur van 5 jaar. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF