Verdachte, enig bestuurder van verhuurmaatschappij, vrijgesproken van oplichting en gewoontewitwassen

Rechtbank Amsterdam 16 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:528

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 19 maart 2003 tot en met 12 mei 2009 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 1) en het medeplegen van (gewoonte)witwassen (feit 2).

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich aangesloten bij het strandpunt van mr. J.B. Boone, raadsman van medeverdachte 1, inhoudende dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Voor zover de rechtbank heeft begrepen wordt hieraan – voor zover van toepassing op de ten laste gelegde feiten in de onderhavige zaak – kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd. De aanvang van het onderzoek is onrechtmatig geweest, aangezien uit de TPO/SO stukken zal blijken dat de Belastingdienst bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft aangedrongen op strafrechtelijke vervolging. Hierdoor is de verdediging misleid.

Verder is er doelbewust en met grote veronachtzaming en in strijd met de goede procesorde jegens verdachte gehandeld. De informatieverschaffing door verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 voor de vergunningaanvraag had immers geen ander doel dan het verkrijgen van belastend materiaal in het kader van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv), waarbij de vereiste strafrechtelijke waarborgen voor de verdachte niet in acht zijn genomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De start van het onderzoek

Van onregelmatigheden bij de start van het onderzoek is de rechtbank niet gebleken. In het geval dat de AFM door de Belastingdienst zou zijn bewogen tot het doen van aangifte, valt niet in te zien dat daardoor de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het de taak van de Belastingdienst is om bij verdenkingen van een strafbaar feit de AFM daarover te informeren.

Nemo teneturbeginsel en onrechtmatig verkregen bewijs

Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak A (EHRM 17 december 1996, NJ1997/699) moet worden afgeleid dat het verbod op zelfincriminatie (het nemo teneturbeginsel) zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van verdachte. Nu de verdediging niet heeft gespecificeerd welk bewijsmateriaal louter bestaat doordat het afhankelijk is van de wil van verdachte, wordt het verweer als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Conclusie

De officieren van justitie zijn ontvankelijk in hun vorderingen.

Vrijspraak

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie zijn, zoals weergegeven in het door hun ter terechtzitting overgelegde requisitoir, van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Zij hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk en een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen. Zij hebben daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Verdachte is van 2 september 2004 tot in 2008 bestuurder geweest van B.V. 2 en vanaf 1 maart 2008 van B.V. 1 Zij maakte dan ook in haar functie onderdeel van de constructie die bestond tussen B.V. 1 en B.V. 2 Er bestond kennelijk onderlinge uitwisselbaarheid als het gaat om de benoeming van bestuurder binnen de verschillende vennootschappen. Daarnaast heeft zij samen met medeverdachte 1 de vruchten geplukt van deze samenwerking. Gelet hierop kan bewezen worden verklaard dat zij als medepleger de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. In de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende betoogd.

Aan de positie en inzicht van verdachte in hetgeen zich binnen de groep van samenwerkende rechtspersonen afspeelde, mogen geen overspannen eisen worden gesteld. Verdachte hield zich uitsluitend bezig met het ontwerpen van de lay-out voor de brochures en website, het inrichten van de vakantieappartementen en het ontvangen van gasten in Italië. Zij zette desgevraagd een handtekening en had slechts een papieren bestuursfunctie. Derhalve was geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en een bewuste samenwerking. Er is dan ook geen sprake van medeplegen en verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte was van 2 september 2004 tot 2 september 2008 enig bestuurder van de verhuurmaatschappij B.V. 2 Vanaf 1 maart 2008 werd zij bestuurder van B.V. 1. Zij hield zich echter voornamelijk bezig met het maken van de brochures en de inrichting van de appartementen. Hoewel zij de verhuurcontracten van B.V. 2 met de beleggers ondertekende, zijn verder in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden waaruit kan worden geconcludeerd dat haar handelingen waren gericht op de wederrechtelijk bevoordeling van haarzelf of haar partner. Gelet daarop kan het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard en wordt verdachte daarvan vrijgesproken.

Het voorgaande brengt met zich dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft geweten dat het geld dat zij en haar partner uitgaven van misdrijf, te weten oplichting, afkomstig was. Ook overigens is niet gebleken dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden van B.V. 1 en/of B.V. 2 van enig ander misdrijf afkomstig waren. Daarom kan het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard en wordt verdachte ook daarvan vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF